Log in

Denktanks in België: onbekend en onbemind?

De afgelopen jaren zien we een sterke toename van het aantal denktanks in verschillende landen. Ook ons land ontsnapt niet aan deze trend. Los van de denktanks die zich louter op de Europese Unie richten, hebben sinds 2000 een tiental nieuwe denktanks het licht gezien in België. In tegenstelling tot andere landen lijkt de rol van deze organisaties in ons politiek systeem echter eerder beperkt. In dit stuk bekijken we het fenomeen ‘denktank’ van naderbij en maken we een balans op van het huidige denktank-landschap. Wat maakt een organisatie tot denktank? Wat zijn de centrale kenmerken van denktanks in België? En waarom zijn ze niet méér aanwezig in het politieke en maatschappelijke debat?

WHAT’S IN A NAME?

Wat is een denktank? Er zijn al veel academische artikels aan deze discussie gewijd. Het is in zekere zin gemakkelijker om aan te geven wat een denktank niet is. Een denktank heeft bijvoorbeeld doorgaans geen leden, wat hen onderscheidt van belangenorganisaties, zoals werkgeversorganisaties, vakbonden en ngo’s. Een denktank is evenmin een ‘stichting’. Stichtingen voorzien in principe louter in financiering voor onderzoeksactiviteiten, eerder dan ze zelf te ontplooien, en verrichten meestal ook geen lobbywerk.

Wat is een denktank dan wel? Vooraleer in te zoomen op de praktijk in België, is het nuttig de internationale literatuur hierover kort te verkennen. De grote diversiteit aan denktanks die men aantreft, maakt het echter zeer moeilijk een algemeen geldende definitie te ontwikkelen: zo hebben denktanks vaak verschillende organisatiestructuren en is hun actierepertoire ook erg uiteenlopend. Er is bijgevolg niet echt een dominant organisatiemodel. In de meeste definities in de wetenschappelijke literatuur keren wel regelmatig twee sleutelkarakteristieken terug: (1) een denktank is een organisatie die onderzoek verricht, en (2) op basis daarvan een bijdrage probeert te leveren tot het maatschappelijk debat en politiek beleid.1 Een derde element, dat evenwel meer controversieel is, betreft de veronderstelde onafhankelijkheid of autonomie van deze organisaties. Denktanks worden in de literatuur vaak verondersteld niet formeel verbonden te zijn met andere politieke organisaties, zoals partijen of belangengroepen, en evenmin een onderdeel te vormen van overheden of bedrijven. De mate waarin denktanks in de feiten echter onafhankelijk opereren, is vaak voorwerp van discussie. Verschillende van deze organisaties hebben namelijk een duidelijke ideologische voorkeur (en profileren zich bijvoorbeeld als progressief of conservatief), of zijn (via informele connecties of financiële steun) nauw verbonden met het bedrijfsleven. Het feit dat denktanks niet altijd transparant zijn met betrekking tot de herkomst van hun financiële middelen doet in dat verband ook vaak wenkbrauwen fronsen, of roept althans de vermeende onafhankelijkheid in twijfel.

Wat betreft types denktanks, kan er ruwweg een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten. In de eerste plaats zijn er zogenaamde ‘academische’ denktanks, die hoofdzakelijk focussen op onderzoek en debat en meestal niet de ambitie hebben een politieke hoofdrol op te eisen. Een tweede type denktanks is meer uitgesproken ideologisch van aard en ook expliciet gericht op het formuleren van specifieke beleidsaanbevelingen. Het onderscheid tussen beide types is nauw verbonden met de verschillende rollen die denktanks kunnen spelen. Enerzijds kan een denktank een forum zijn voor reflectie en debat. Anderzijds kunnen denktanks ook sterk focussen op het beïnvloeden van het politieke beleid en een sterke aanwezigheid in de media, vanuit een bepaalde ideologische invalshoek. Op internationaal vlak zien we de laatste jaren een trend naar een grotere focus op beleidsbeïnvloeding, zeker in Angelsaksische landen zoals de Verenigde Staten en het Verenigde Koninkrijk.

Hoewel het aantal denktanks wereldwijd toeneemt en ze in veel landen nadrukkelijker op de voorgrond treden, heeft het begrip denktank nog vaak een vrij negatieve connotatie. Deze negatieve connotatie is gelieerd aan bedenkingen omtrent de kwaliteit en (vooral) neutraliteit van het onderzoek en de beleidsaanbevelingen. Deze perceptie had alleszins ook repercussies voor ons onderzoek. Alhoewel sommige organisaties zonder twijfel de sleutelkenmerken van een denktank vertonen, en ook als dusdanig worden geportretteerd door journalisten en politici, stonden een aantal gecontacteerde organisaties weigerachtig om zichzelf expliciet als dusdanig te categoriseren. Ook in andere landen zien we termen als ‘onderzoeksinstituut’ opduiken als alternatief voor het geplaagde label denktanks, alhoewel ze exact hetzelfde werk uitvoeren.

Vanuit een democratisch oogpunt is het feit dat denktanks vanuit een bepaalde ideologie werken in principe geen probleem, zolang dit ook expliciet wordt onderkend in de missie van de organisatie. Het is daarentegen wel een probleem indien blijkt dat het denktanklandschap sterk wordt gekleurd door een bepaalde ideologische of politieke strekking en de luidste stemmen steeds uit dezelfde hoek komen. In een ideale wereld zijn er zowel politiek-linkse, -rechtse als meer -centrum gerichte denktanks, die elkaar in evenwicht houden en die met elkaar het debat aangaan. De realiteit is echter vaak minder gebalanceerd.

DENKTANKS IN BELGIË: WIE ZIJN ZE, WAT DOEN ZE EN WAT DRIJFT HEN?

Hoewel ook in België alsmaar meer denktanks op het toneel verschijnen, is de onderzoeksaandacht voor de rol van denktanks vooralsnog vrij beperkt gebleven. Mogelijk heeft dit te maken met de hierboven beschreven negatieve connotatie van denktanks. Daarnaast is het bij gebrek aan consensus over de definitie van een denktank niet zo eenvoudig om deze organisaties te identificeren en in kaart te brengen. Gezien het ontbreken van een instant-beschikbare lijst van denktanks, werkten we voor het beschreven onderzoek met een snowball sampling strategie. Met een initieel verzamelde lijst van denktanks die ons inziens aan de beschreven definitie voldeden, benaderden we academici, journalisten en andere geprivilegieerde informanten met de vraag ontbrekende organisaties door te geven. Denktanks met formele affiliaties met belangengroepen en studiediensten van politieke partijen werden uitgesloten van het onderzoek. Vierentwintig organisaties kregen uiteindelijk het mogelijke label van denktank opgekleefd, waarvan vijftien onze vragenlijst voltooiden. Deze betreffen louter de organisaties die zichzelf als denktank kwalificeren. Medewerking vanuit de organisaties was immers cruciaal voor ons onderzoek. Meerdere organisaties die in de media of in de publieke opinie klassiek als denktank worden gecategoriseerd, beschouwen zichzelf niet als dusdanig. Het betreft bijvoorbeeld informele groepen van academici die een platform voor reflectie of discussie bieden, zoals de Gravensteengroep of Re-Bel. Ook aan universiteiten gelieerde onderzoeksgroepen als Vives worden in de media vaak als denktank gelabeld, maar zien zichzelf niet in die termen.

Tabel 1 geeft een overzicht van alle nationale en regionale denktanks die deelnamen aan ons onderzoek, inclusief het jaar van oprichting, hun missie en de door hen opgegeven belangrijkste beleidsfocus.2


Het is opmerkelijk dat de vijftien organisaties allen werden opgericht na 2000. Vergeleken met politieke partijen en belangengroepen zijn denktanks dus absoluut nieuwkomers op het politieke toneel in België. Een unieke verklaring geven voor deze recente opkomst is niet eenvoudig. Drie factoren hebben hierbij mogelijks een rol gespeeld. Enerzijds heeft technologie het gemakkelijker gemaakt een denktank op te richten. Je kan makkelijk een website creëren, enkele bijdrages online posten en op die manier bijdragen tot het maatschappelijk debat. Anderzijds is er misschien ook een grotere behoefte aan of vraag naar denktanks, nu politieke partijen steeds minder investeren in partijstudiediensten (of althans: de grootte van partijstudiediensten is sterk afhankelijk van de electorale - en dus financiële - sterkte van de partij; zie ook Pattyn et al., 2014), en ook overheden in het algemeen minder financiële middelen pompen in eigen onderzoekscapaciteit. Of is het oprichten van een denktank een meer aantrekkelijke optie voor ‘politieke ondernemers’ dan het starten van een belangengroep? Een denktank heeft immers meer autonomie: de missie wordt vaak in zeer algemene termen gedefinieerd, waardoor men een breed gamma van beleidsdomeinen kan bestrijken (maar ook bepaalde kwesties kan vermijden). Verder zijn er ook geen leden die het doen en laten van de organisatie nauwgezet opvolgen (voor een discussie, zie Fraussen en Halpin 2016).

Van de ondervraagde denktanks hebben er slechts twee een nationaal karaker (Itinera Institute en de Vrijdaggroep); al de andere organisaties richten zich specifiek op Vlaanderen, Wallonië of Brussel. Het federaal karakter van België is hier duidelijk zichtbaar. Uiteraard verhindert het regionale karakter van denktanks niet dat deze organisaties ook op het federale niveau actief kunnen zijn. Verder zijn denktanks veel nadrukkelijker aanwezig in Vlaanderen dan in Wallonië en Brussel (waar we slechts twee denktanks terugvinden: Aula Magna en WeCitizens). We kunnen enkel speculeren over de redenen van dit regionale verschil. Heeft het te maken met een verschil in politieke cultuur, een groter politiek ondernemerschap in Vlaanderen of een minder sterk ontwikkelde regionale identiteit in Wallonie? Of spelen partij-politieke factoren een rol, zoals de relatieve dominantie van één partij, de PS, die tevens ook een stevig uitgebouwde en professionele partijstudiedienst (Institut Emile Vandervelde) heeft? Het verschil is in ieder geval opmerkelijk. België huisvest uiteraard ook een groot aantal denktanks die op de EU of Internationale Politiek gericht zijn. Deze organisaties lijken zich echter in totaal andere netwerken te begeven; weinig van onze Belgische denktanks gaven aan regelmatige contacten te hebben met Europese en internationale denktanks.

Als we kijken naar de missie van de denktanks, zien we een divers palet. Terwijl sommige van de organisaties focussen op concrete en soms zeer specifieke beleidsthema’s, zoals onderwijs (Werkgroep Taal en Onderwijs) of de toekomst van Brussel (Aula Magna), zetten andere een bepaalde politieke filosofie of ideologie centraal, bijvoorbeeld liberalisme (Libera en Liberales) of ecologie (Oikos), of zijn ze (mede) religieus geïnspireerd (zoals bijvoorbeeld Logia en VKW Metena). Uit onze survey bleek ook dat denktanks die sterk ideologisch geïnspireerd zijn eerder samenwerken met gelijkgezinde politieke partijen of belangenorganisaties. De erfenis van de verzuiling lijkt dus nog steeds aanwezig. In vergelijking met andere landen, zien we echter relatief weinig uitgesproken ideologische denktanks. Er is slechts een zeer beperkt aantal denktanks dat zich expliciet karakteriseert als ‘progressief’ of ‘conservatief’. Vooral op links zien we een schraal landschap. Er is enkel de Stichting Gerrit Kreveld, die in 1994 ontstond en vandaag de uitgever is van Samenleving en politiek. En recent ontstond de linkse denktank Poliargus, rond een groep voornamelijk Gentse academici. Wat de thematische beleidsfocus betreft, geeft Tabel 1 een gemengd beeld. Enerzijds bestrijken de bevraagde denktanks een zeer diverse set van beleidsdomeinen, anderzijds stellen we ook een sterke focus op economische thema’s vast.

Hoe kunnen we het beleidswerk van denktanks beschrijven, en in welke mate verschilt hun aanpak van de benadering van andere beleidsadviserende actoren?

Uit onze survey bleek een vrij grote eensgezindheid met betrekking tot wat kwaliteitsvol beleidsadvies precies inhoudt. Zo waren de meeste denktanks van mening dat een kwaliteitsvol advies dient rekening te houden met alle relevante wetenschappelijke kennis omtrent het onderwerp in kwestie. Verder waren alle denktanks van oordeel dat langetermijndoelstellingen centraal moeten staan in beleidsaanbevelingen (‘cold advice’). De bevraagde denktanks gaven aan dat quasi al hun activiteiten kaderen in een ruimere toekomstgerichte strategie. Andere criteria die vaak als belangrijk werden aangestipt, zijn aandacht voor de financiële repercussies van bepaalde voorstellen, alsook de capaciteit om voorbij particuliere belangen te kijken. De mogelijkheid de toekomst centraal te stellen, maakt denktanks als type van organisatie relatief uniek. De denktanks gaven in dit verband ook aan dat een goed beleidsadvies niet meteen rekening dient te houden met de huidige agenda van de regering, of bestaande beleidsprogramma’s. Wat dit kenmerk betreft, onderscheiden denktanks zich wellicht van andere politieke actoren, zoals (de meeste) studiecentra van politieke partijen (Pattyn et al., 2014) en belangengroepen. Deze laatste twee focussen doorgaans meer op de korte termijn (‘hot advice’), en worden inhoudelijk in grotere mate beperkt door wat er mogelijk is in het huidige politieke klimaat.

AMBITIE VERSUS REALITEIT

Onderzoekswerk verrichten en het maatschappelijke debat richting geven, vereist uiteraard een zekere mankracht. Men moet immers niet alleen beleidsontwikkelingen in diverse domeinen nauwgezet kunnen opvolgen, maar ook in staat zijn deze informatie te analyseren en te verspreiden naar diverse doelgroepen.

We hebben geen informatie over de precieze budgetten van de denktanks, maar verkregen wel gegevens over hun personeelscapaciteit, wat eveneens een goede indicator is van de financiële middelen van een organisatie. Wat hier sterk opvalt, is de zeer beperkte bestaffing van de geïdentificeerde denktanks. Zo werkt 50% exclusief met vrijwilligers, meestal academici. De betrokkenheid van academici spoort met de situatie in andere landen, waar academici ook vaak de drijvende krachten zijn achter denktanks, of op zijn minst een belangrijke bron van informatie vormen. Bovendien geven zij het werk van denktanks vaak ook een zekere legitimiteit en geloofwaardigheid (zie Pautz 2014). Ook de overige denktanks hebben meestal slechts 1 of 2 voltijdse personeelsleden in dienst; zij halen vaak hun middelen uit bijdrages van stichtingen. De enige uitzondering op dit patroon is Itinera, die 10 voltijdse equivalenten tewerkstelt. Haar (voor België) grote mankracht uit zich ook in het feit dat Itinera quasi de enige denktank is die regelmatig lijvige beleidsrapporten kan produceren over zeer diverse onderwerpen. Bovendien is er ook bijzonder veel media-aandacht voor hun activiteiten, waar dit voor andere denktanks eerder beperkt is (voor meer details zie Lamotte 2012 and Markey 2013).

De beleidsinvloed van de denktanks hebben we enkel indirect bevraagd, door na te gaan met welke andere organisaties en actoren zij regelmatige contacten onderhouden. We vermeldden eerder dat een meerderheid van denktanks regelmatig contacten heeft met academici. Contacten met andere organisaties zijn, misschien verrassend, eerder beperkt. Denktanks nemen zelden actief contact op met studiecentra van partijen bijvoorbeeld, en worden ook omgekeerd niet vaak geraadpleegd door de studaxen van politieke partijen. Eenzelfde beeld kon worden vastgesteld voor overheidsdepartementen, adviesraden en belangengroepen.

DISCUSSIE: ONBEKEND EN ONBEMIND?

Op basis van de door ons gerapporteerde bevindingen, kunnen we stellen dat denktanks tot nog toe slechts een mineure speler zijn in het landschap van beleidsadviseurs in België, en dit zowel wat betreft aantal, grootte en vermeende invloed. In deze slotsectie trachten we deze observatie beter te begrijpen door het verkennen van drie tentatieve verklaringen.

Vooreerst: terwijl de Angelsaksische literatuur omtrent denktanks dominant aandacht besteedt aan de beleidsrol die deze organisaties vervullen, dienen we te onderkennen dat dit niet de enige functie is die denktanks kunnen bekleden. Verschillende van de door ons bevraagde denktanks gaven immers expliciet aan niet te focussen op beleidsinvloed, maar stellen eerder publiek debat en reflectie centraal. De rol van denktanks dient dus ook vanuit dit perspectief te worden beschouwd. Alhoewel deze rol vanuit democratisch opzicht eveneens zeer relevant is, is een bijdrage tot reflectie en vorming minder van onmiddellijk instrumenteel nut voor beleidsmakers.

Verder ontbreekt vooralsnog een echte ‘denktank-cultuur’ in België. Waar in het buitenland in de media een forum wordt gegeven aan experts van denktanks, is dit - met uitzondering van Itinera - in België niet het geval. Uiteraard hangt dit samen met de minder sterke beleidsfocus van verschillende van deze organisaties. Anderzijds is het advieslandschap in België reeds sterk bevolkt, met verschillende goed uitgebouwde belangenorganisaties, verschillende academische beleidsondersteunende centra en partijstudiediensten. Bovendien zijn veel kanalen voor advies door de erfenis van het neocorporatisme sterk geïnstitutionaliseerd, wat het voor nieuwe actoren en organisaties moeilijk maakt om een plaats aan de tafel te verwerven.

Tot slot vereist politieke actie ook investeringen. Veel van de onderzochte denktanks hebben zeer beperkte middelen, waardoor hun politieke ambities noodzakelijkerwijze beperkt zijn. Daarenboven is de overgrote meerderheid van de denktanks pas zeer recent opgericht, en hebben ze bijgevolg nog tijd nodig om een professionele organisatie uit te bouwen en een sterke reputatie voor expertise te verwerven. Tekenend in dit opzicht is dat Itinera, die in het Belgische landschap qua middelen en impact zeker een uitschieter is, een diepgaande herstructurering noodzakelijk vond om zijn beleidsrol optimaal te kunnen vervullen.

We realiseren ons dat deze bijdrage tal van vragen oproept die onbeantwoord bleven. De vraag stelt zich bijvoorbeeld waarom er niet meer wordt geïnvesteerd in denktanks in België? Analoog kunnen we ons afvragen of en wanneer er een links tegenwicht opduikt voor Itinera. Ook de scherpe tegenstelling inzake aantal denktanks tussen Vlaanderen enerzijds en Wallonië en Brussel anderzijds verdient nader onderzoek. Bij gebrek aan bestaand onderzoek, was het in het kader van deze bijdrage onze bescheiden ambitie een breed helikopterperspectief te bieden op het fenomeen denktanks. We hopen dat met deze ruwe verkenning de weg is gebaand voor meer debat en diepgaande studie over deze tot nog toe grotendeels onbekende stem in het Belgische politiek systeem.

Bert Fraussen
Australian National University en Universiteit Antwerpen
Valérie Pattyn
Universiteit Leiden

Noten
1/ Voor meer achtergrond, zie Stone (2007), Pautz (2011) and Rich (2004).
2/ De dataverzameling vond plaats in de periode december 2013-februari 2015.

Bibliografie
- Fraussen B., Pattyn V. and Lawarée J. (te verschijnen in 2017). 'Thinking in Splendid Isolation? The Organization and Policy Engagement of Think Tanks in Belgium'. In: Brans M. and Aubin D. (Eds.), Policy Analysis in Belgium. Bristol: Policy Press.
- Fraussen B., and Halpin D. (2016). 'Think tanks and strategic policy-making: the contribution of think tanks to policy advisory systems'. Policy Sciences, 1-20. doi: 10.1007/s11077-016-9246-0
- Lamotte G. (2012). Think tanks in Belgium. Master dissertation submitted to obtain the degree of Master of European Politics and Policies. Leuven: KU Leuven.
- Markey B. (2013). Itinera, the media and public policy influence. A newspaper content analysis. Master dissertation submitted to obtain the degree of Master of European Politics and Policies. Leuven: KU Leuven.
- Pattyn V., Brans M., Lijbeer T., en Van Hecke S. (2014). 'Tussen politieke partijen en think tanks. Een verkennende analyse van de Vlaamse partijstudiediensten'. Res Publica, 3, pp. 293-316.
- Pautz H. (2011). 'Revisiting the think-tank phenomenon'. Public Policy and Administration, 26(4), pp. 419-435.
- Pautz H. (2014). 'British Think-Tanks and Their Collaborative and Communicative Networks'. Politics, 34(4), pp. 345-361.
- Rich A. (2004). Think tanks, public policy, and the politics of expertise. New York: Cambridge University Press.
- Stone D. (2007). 'Recycling bins, garbage cans or think tanks? Three myths regarding policy analysis institutes'. Public Administration, 85(2), pp. 259-278.

denktank - ideologie - politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 70 tot 78