Log in

De democratie beschermen, kan dat democratisch?

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 2

Neutraliteitsbeginsel

Voor de rechtsstaat is het neutraliteitsbeginsel van centraal belang: de overheid mag geen specifieke levensbeschouwingen vertolken, bevoordeligen of afdwingen. Voor de democratie is de notie van procedurele legitimiteit cruciaal: wetten die op een formeel democratische manier tot stand kwamen zijn, daarom legitiem. Zowel de notie van de ‘rechtsstaat’ als van de ‘democratie’ lijken aldus zuiver formeel te zijn. Toch zijn een ‘leeg’ neutraliteitsbeginsel en een ‘leeg’ democratiebegrip onvoldoende om rechtsstaat en democratie tegen anti-democratische stromingen of tegen ‘liberticide’ te beschermen.

Fanatisme

Wat het neutraliteitsbeginsel betreft wordt een intrinsiek verband verondersteld tussen rechtsstaat en pluralisme. Het is immers precies de opzet van de rechtsstaat de mogelijkheden tot (het beleven van de) persoonlijke vrijheid te optimaliseren in het kader van een maatschappelijke orde die instaat voor solidariteit en rechtvaardigheid. Dat impliceert een zeer duidelijke visie op de plaats van levensbeschouwingen in het maatschappelijk bestel, maar ook een zeker mensbeeld. Een rechtsstaat heeft het moeilijk met fanatisme, de ingesteldheid om het eigen gelijk met alle mogelijke middelen, met inbegrip van geweld, aan anderen en aan de samenleving op te dringen. Fanatisme ziet in tegenspraak de ergste vijand. Het neutraliteitsbeginsel daarentegen impliceert:
• wederzijds respect: mensen met verschillende levensopvattingen dienen elkaar te respecteren. Natuurlijk heeft eenieder het recht om die te bekritiseren en zelfs belachelijk te maken. Respect kan wel niet zonder reciprociteit: je kan bezwaarlijk iemand respecteren die hetzelfde niet doet tegenover jou;
• vrijheid: iedere burger heeft het recht zijn levensbeschouwing in volle vrijheid te beleven, met inbegrip van de daartoe nodige infrastructuur, zolang diezelfde vrijheid ook aan anderen wordt toegekend en er geen schade aan anderen berokkend wordt;
• gelijkheid: de overheid dient alle levensbeschouwingen en alle personen met een verschillende levensbeschouwing op voet van gelijkheid te behandelen;
• onpartijdigheid: geen wet, die beperkingen van de persoonlijke vrijheid impliceert, mag worden aangenomen, indien de waarden en de normen waarop hij berust slechts en uitsluitend vanuit één specifieke levensbeschouwing (kunnen) worden verdedigd.
Natuurlijk betekent dit niet dat een rechtsstaat dient op te treden tegen eender welke fanatiekeling. Daartegen verzet zich het schadebeginsel. Zolang hij geen rechtstreekse, fysieke of materiële schade berokkent aan derden - dat kunnen ook diens kinderen zijn - “gedoogt” de rechtsstaat dit. Indien dat laatste echter wel het geval zou zijn, dan kan en moet de rechtsstaat optreden, want hier worden haar fundamenten-zélf bedreigd. Voor meningsuitingen betekent dit dat niet de inhoud van een meningsuiting mag worden beteugeld, maar wel de manier waarop zij worden vertolkt, met name waar zij de bedoeling heeft om schade te berokkenen - zoals waar aangezet of opgeroepen wordt tot discriminatie, seksisme of racisme - of waar (materiële of fysieke) schade er een rechtstreeks gevolg van is. Ook meningsuitingen zijn immers handelingsvormen die effecten hebben in de materiële wereld. In die zin is het correctionaliseren van persdelicten in verband met racisme en onverdraagzaamheid niet in strijd met de rechtsstatelijke gedachte.
Wat de democratie als proceduriële legitimiteit betreft, zijn er eveneens substantiële grenzen te trekken. In beginsel heeft iedereen het recht om, mits gebruikmaking van democratische middelen, zijn belangen of ideeën te verwerkelijken. Maar ook hier zijn er voorbehouden. Het eerste werd reeds vertolkt in het onpartijdigheidsbeginsel. Een democratie wordt niet slechts door de meerderheidsregel gekenmerkt, maar ook door de rechten en vrijheden die het van minderheden erkent. Het tweede heeft te maken met de ‘kwetsbaarheid’ van procedures. Indien iedereen de regels van de democratie - zoals van de markt - mag gebruiken om zijn belangen of ideeën vooruit te helpen, wie neemt het dan nog op voor die democratie-zélf?
Uiteraard hebben partijen het recht om de regels van de democratie te veranderen, te verfijnen of te preciseren. Discussies of voorstellen om, bijvoorbeeld, de stemplicht of de Senaat af te schaffen, vallen hieronder. Dat zou niet het geval zijn waar grondbeginselen worden aangetast. Dan zou de Kamer moeten weigeren om dergelijke voorstellen zelfs maar in overweging te nemen. Voorstellen om, bijvoorbeeld, vrouwen het stemrecht te ontnemen, vallen hieronder. Zij zijn immers vrijheidsbeperkend of -berovend terwijl zij het non-discriminatie- of gelijkheidsbeginsel met voeten treden. Mochten dergelijke wetten toch gestemd raken, dan is het de taak van het Arbitragehof om ze te vernietigen. Dit Hof wordt de ultieme behoeder van de democratie, waar de parlementaire meerderheid zou ontsporen.

Anti-democratische kracht

Wat impliceert dit nu precies voor de houding die een democratische rechtsstaat moet aannemen tegenover anti-democratische krachten? Een eerste probleem is de vraag wie het recht heeft om een partij - of andere beweging - als anti-democratisch te bestempelen. De politieke partijen zelf niet, want zij worden te sterk door eigen belangen gedreven. Zij hebben uiteraard het recht om te beslissen onder welke voorwaarden ze bereid zijn met wie samen te werken. Maar het zou een aberratie zijn hun ook het recht te verlenen om andere partijen uit te sluiten, te verbieden of zelfs hun dotatie te ontnemen. Daartoe is er nood aan een onpartijdige derde en dat kan alleen, terug, het Arbitragehof zijn. Over de opportuniteit van een dergelijke maatregel kan wellicht een politieke instantie als de Kamer best oordelen. Maar niet over de legitimiteit: dat komt een (semi-)grondwettelijk hof toe.

Opportuun

Indien mij momenteel zou worden gevraagd of dergelijke maatregel tegenover extreemrechts vandaag opportuun zou zijn, dan luidt mijn antwoord neen. De strijd voor de bescherming en de versterking van de democratie speelt zich nu eenmaal maar heel ten dele af binnen het parlementaire halfrond of in gerechtsgebouwen. Een groepering van politieke participatie uitsluiten, betekent nog niet dat die groepering in de samenleving niet meer bestaat. Eerst moeten de maatschappelijke voedingsbodems van anti-democratische gevoelens en autoritaire attitudes worden aangepakt. De politiek kan haar signaalfunctie beter vervullen door actief allerlei mogelijke initiatieven tot versterking van de democratie te ondersteunen, dan door in het defensief te gaan.

Herstel

Een democratie die te makkelijk de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging of de vrijheid van vergadering beperkt, delft haar eigen graf. Maar een democratie die schadeberokkenende meningsuitingen, verenigingen of vergaderingen laks gedoogt, begaat een evenzogrote vergissing. Er zijn voldoende wettelijke instrumenten die daartoe kunnen worden gemobiliseerd. Thans staat er daarom alle democratische partijen een veel fundamenteler taak te wachten: het vertrouwen in de democratie herstellen. En dat doe je niet, en zeker niet vooral, door anti-democratische organisaties voortdurend in de kijker te plaatsen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 2