Abonneer Log in

Gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen

Een terreinverkenning

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 4 tot 11

Antwerpen is in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen in de greep van de angst. In welke stad en in welke sociale orde de Antwerpenaren wensen te leven, vormt de kern van die verkiezingen. De auteurs zetten enkele kenmerken op een rijtje van het politieke landschap in de havenstad.

Op 13 juni 1999 stemde ongeveer 71 procent van de Antwerpenaren voor een democratische partij. De andere 29 procent van de kiezers verkoos het Vlaams Blok. Een oorzaak van het succes van die extreemrechtse partij kan worden gezocht in de implosie en het failliet in de jaren tachtig en begin jaren negentig van het cliëntelistische en verzuilde patronagesysteem dat de SP/CVP-coalitie de voorbije driekwart eeuw had opgebouwd.
Cruciaal voor de Antwerpse situatie van vandaag is dat een ijverige politiseringsdrift van de collectieve probleemervaringen heeft geleid tot een extreem gepolariseerde imaginaire en politieke ruimte: een spanningsveld gekenmerkt door een bitse strijd om betekenissen en aanspraken op de openbare ruimte waarbij talrijke politieke partijen (en vooral het Vlaams Blok), organisaties en de man in de straat hun definitie van de situatie en werkelijkheid trachten door te drukken en topics tot hun domein trachten te maken. Of zoals Bart Verschaffel de strijd om de publieke ruimte ziet als een ,,strijd om de actualiteit’’, gevoed door de wil om de ruimte te beheersen en vorm te geven.
Het is in deze context dat de huidige Antwerpse lokale overheid een (moeizaam) evenwicht tussen de uiteenlopende, zoniet tegengestelde, aanspraken op de openbare ruimte moet trachten te vinden. In het licht van de komende verkiezingen is het van belang enkele kenmerken van het politieke landschap op een rijtje te zetten die specifiek zijn voor de Antwerpse situatie, namelijk het gepolariseerd partijsysteem, de fixatie op de stad als probleem, de aanpassing van het Vlaams Blok, de beleidsvoering en ten slotte de omschrijving van de gemeenteraadsverkiezingen als de ‘verkiezingen van de angst’.

Stadsbestuur versus Vlaams Blok

Na 9 oktober 1994 liet de Antwerpse kiezer weinig te wensen over. De gemeenteraadsverkiezingen leidden tot een toegenomen fragmentatie van het electorale landschap, maar bovenal tot een radicale herschikking van de Antwerpse partijpolitieke situatie. In een sfeer van moralisering van de politiek en met een zekere zuiveringsdrang werd de Antwerpse hegemoniale SP/CVP-coalitie, die kort voordien was doorbroken, door de kiezer definitief naar de geschiedenisboeken verwezen. Het electoraat zwermde weg van het midden, wat tot een verdergaande partijpolitieke polarisering leidde. In dat al gefragmenteerde politieke veld bleek de enige werkbare coalitie het samengaan van alle democratische partijen. Als gevolg van het cordon sanitaire, in dit geval een onoverbrugbare ideologische afstand, werd een coalitie met het Vlaams Blok zelfs niet overwogen.
Vooral van belang is dat dit naast de situatie van een gepolariseerd en gesegmenteerd Antwerps partijsysteem, gekenmerkt door de aanwezigheid van een relevante ,,anti-systeem partij’’, aldus Patrick Vander Weyden, leidde tot een uitgekristalliseerde en gematerialiseerde polarisering op bestuursniveau tussen het Vlaams Blok en het lokale stadsbestuur, aangezien de oppositie gereduceerd werd tot nagenoeg één partij. Door gebrek aan een politiek alternatief van kritiek op het beleid (er is gewoonweg geen echte andere oppositiepartij) heeft het Vlaams Blok het monopolie verworven om werkelijk politiek te bedrijven, zich als politieke waakhond te afficheren en zich uit te roepen tot exclusieve spreekbuis van malcontenten en al degenen die zich misbegrepen, gediscrimineerd, uitgesloten of bedrogen voelen door het huidige beleid. De keuze die de Antwerpse kiezer op 8 oktober wordt aangeboden, zou dan ook een tussen de twee politieke alternatieven kunnen zijn, tussen het stadsbestuur en het Vlaams Blok ofte de alternatieven van ‘het gevoerde beleid’ en ‘een (radicaal) ander beleid’.

‘Antwerpen als probleem’

Het dagelijks doorbladeren van kranten evenals de ontrafeling van televisieberichtgeving omtrent (oude) stadswijken onthult een eenzijdig en dramatisch beeld van de grootstad. De zoveelste drugsdode, de kleine straatcriminaliteit, (roof)moorden, de enorme werkloosheidpercentages, sociale achterstelling, kansarmoede, jeugdbendes, het toenemend aantal bedelaars, raciale onlusten, afpersing en andere grootstedelijke problemen slaan de klok in de lokale populaire verslaggeving over Antwerpen. Deze eenzijdige voorstellingen en de jacht op sensatie en datgene wat spectaculair is, leiden echter tot een partiële voorstelling van de stad. Vanuit de gehanteerde waarnemings- en waarderingsschema’s wordt Antwerpen gedramatiseerd en gefixeerd op haar probleemgehalte. Een discours waarin eenzijdig scherpgesteld wordt op de stad als poel des verderfs, moreel verval en criminaliteit en waar voor de stad als knooppunt van welvaart, (multi)cultuur en burgerschap alsook ervaringen van vrijheid, kansen, creativiteit en uitdaging geen plaats meer is.

Velerlei stedelijke fenomenen worden als een sociaal probleem beschouwd, als tekens van abnormaliteit, afwijkend gedrag of ordeverstoring. Bepaalde grootsteedse fenomenen en situaties verworden tot vandalisme, voorwerp van rechtspraak en politieoptreden, het domein van optreden van hulpverlenende instellingen en een topic voor sociaalwetenschappelijk onderzoek. Sociale problemen vallen onder de ,,hegemonie van de officiële betekeniskaders’’ (cf. Foucault) en moeten dan ook dikwijls plotseling in een periode van moral panic benaderd en onderzocht worden en een oplossing krijgen binnen het interpretatiekader van het dominante ‘legitieme’ betekenissysteem. Hoewel grootstedelijke fenomenen geenszins weggeredeneerd kunnen worden als louter waanvoorstellingen, kan de huidige bezorgdheid omtrent het stedelijke veld worden verbonden met de eenzijdige ‘spookbeelden’ in media, beleid en politiek, hoewel ook daar de laatste tijd meer en meer positieve geluiden over de stad te horen zijn.
Gemediatiseerde situaties en voorvallen allerhande worden geduid en gearticuleerd binnen een heersend openbaar ‘interpretatieschema van een stad-als-probleem’. Een betekeniscontext waarin gebeurtenissen verworden tot een betekenisvolle ervaring - inhoud geven aan het praten en schrijven over bepaalde gebeurtenissen - maar evenzeer een werkelijkheidseffect ressorteert en mensen kan (de)mobiliseren. Zo lijkt angst geëvolueerd tot een van de ordenende factoren in het hedendaagse stadsschap, aldus Mike Davis. Voor een niet onaanzienlijke populatie blijken gevoelens van onveiligheid exemplarisch voor de hedendaagse stedelijke ervaring, als ze er al niet de kern van vormen. Het ‘opwindende’ Antwerpen lijkt voor een substantiële groep stadsbewoners verdrongen door een ‘angsstad’.

De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek Antwerpenaren en hun stad, uitgevoerd door het IPSoM-K.U.Brussel in opdracht van de uitzendgemach­tigde lokale Antwerpse televisievereniging ATV naar het subjectief welbevinden van Antwerpenaren in hun stad, bevestigen voorgaande analyse. Zo heeft slechts een op de twee Antwerpenaren een positief beeld én gevoel over zijn stad en spannen criminaliteit en vandalisme de kroon van de vaakst geciteerde grootstedelijke problemen in Antwerpen. In scherp contrast staat de vaststelling dat 80 procent (zeer) tevreden en slechts 14 procent (zeer) ontevreden is over de eigen buurt. De hoge waardering van de woonbuurt wordt bijgevolg niet begeleid door een legio positief stadsbeeld of -gevoel. Voor een op twee Antwerpenaren roept de stad bovenal gevoelens van angst, wantrouwen, onveiligheid of wantrouwen op en/of wordt Antwerpen als een opeenstapeling van problemen ‘ingebeeld’. De dagelijkse ervaringswerkelijkheid van de buurt delft in de vorming van een stadsbeeld en de evaluatie van de grootstad blijkbaar het onderspit voor gemediatiseerde verbeeldingen en gedramatiseerde verhalen.

Aanpassing

De reeds in oktober 1999 gestarte Antwerpse Vlaams Blok-campagne met de slogan ,,De wil van het volk’’ illustreert de intenties van de partij en het ingezette propaganda-apparaat voor de komende gemeenteraadsverkiezingen. In theorie zowaar nog grootser dan voorheen. Zo zou elke twee maanden het tijdschrift Antwerps Nieuws (16 bladzijden) bij 200.000 Antwerpenaren aan huis bezorgd worden, het kieskrantje Antwerpen Eerst zou maandelijks op de bus worden gedaan en een ander krantje van een achttal pagina’s (zonder Blok-logo op de voorpagina en waarin de ideeën van de partij ‘aan bod’ komen) zou de Antwerpenaar moeten overtuigen van ‘het gelijk’, naast de al bestaande wijkinfobladen. Al in het laatste trimester van 1999 zou dat een investering betekenen van ongeveer vijf miljoen frank aan krantjes en folders. De praktijk wijst uit dat het wel wat minder blijkt te zijn.

Misschien nog belangrijker is dat het Vlaams Blok er in Antwerpen door haar manifeste aanwezigheid op buurtniveau via een alsmaar beter uitgebouwd verenigings- en buurtcomiténetwerk in slaagt om de discursieve ruimte van de stedelijke werkelijkheid om te bouwen, op te dringen en te bepalen. Daarbij zijn de ‘taal’ (onveiligheid, criminaliteit en ‘migranten’) en ‘duidingsschemata’ (in termen van wij/zij, law and order, compromisloze aanpak, wanbeleid) veelal in het voordeel van en in overeenstemming met het eendimensionale standpunt van de partij komen te liggen. Het Vlaams Blok beweert de ultieme en waarachtige analyse van en oplossing voor ,,de grootstedelijke problematiek’’ in pacht te hebben, aldus Filip Dewinters persmededeling van 18 juni 1999.

Dat de door het Vlaams Blok bespeelde thema’s het Antwerpse stadsveld beheersen, toont de bevraging naar algemene probleemperceptie aan. Zo duidt maar liefst 42 procent van de ondervraagde Antwerpenaren criminaliteit en vandalisme aan als een van de drie belangrijkste problemen op ‘stadsniveau’. De top drie van de belangrijkste grootstedelijke problemen wordt vervolledigd door de concentratie van vreemdelingen (32%) en de verkrotting en verloedering van de stad (29%). In de eigen buurt worden daarentegen vooral incivilities als hondenpoep (37%), rommel op straat (32%) en onbeleefd en respectloos gedrag alsook het gebrek aan speelgelegenheid voor kinderen (27%) als (zeer) ernstige wijkproblemen ervaren. Vandalisme en de concentratie van vreemdelingen worden in vergelijking met de probleemdefiniëring op grootstedelijk niveau veel minder geproblematiseerd voor de eigen buurt. Omzeggens 18 procent van de Antwerpenaren ervaren beide laatstgenoemde verschijnselen als een (zeer) ernstig probleem in de eigen woonbuurt.

Programmapartij

Waar de evaluatie en inschatting van de eigen buurtwerkelijkheid nog nauw lijkt aan te sluiten bij dagelijkse en onmiddellijke ervaringen, is probleemdefiniëring op stadsniveau eerder gestoeld op ‘verbeeldingen’ van de stedelijke werkelijkheid (krant, televisie en gepalaver) en inzet van een conflictueus claimmaking proces van erkenning, bevestiging en verwerping van probleemdefinities en aanspraken. Tot slot is het opmerkelijk dat armoede noch werkloosheid veel ruchtbaarheid krijgen in de arena van het publieke discours omtrent maatschappelijke problemen op stads- en wijkniveau.
Opgemerkt moet dat de claiming van de integrale grootstedelijke problematiek door het Vlaams Blok gepaard gaat met een veranderde politiek-strategische communicatievoering. Eerst en vooral zijn de ‘harde symbolen’ (bezem en bokshandschoen) vervangen door een snoetig ‘ideaaltypisch’ Vlaams gezin. Ten tweede legt de partij meer de klemtoon op criminaliteit, onveiligheid en ‘slechte’ beleidsvoering dan op het harde immigratiestandpunt. De extreme racistische retoriek maakt zo plaats voor een ‘onschuldigere’ angstretoriek en ‘gezond’ (middenstands)verstand. Ten derde wordt de VLD tot schietschijf gemaakt met symbolische acties (asielcentra, onveiligheid winkelstraten, inruilen VLD-lidmaatschapskaarten) en de bewuste ‘nationalisering’ van de lokale verkiezingen (thema’s van (federaal) beleid aangaande illegalen en asielcentra) om op die manier centrumrechtse kiezers aan te snijden. De zweepslagpartij van weleer lijkt dan ook meer en meer plaats te maken voor een populistische programmapartij, of een ,,volkspartij andere stijl’’ zoals ze zichzelf wel eens plegen te noemen, met het Italiaanse Alleanza Nazionale als voorbeeld.

Beleidsevaluatie

Er was in de afgelopen beleidsperiode onmiskenbaar een stijlbreuk. Een verjongde bestuursploeg met een nieuwe bestuursstijl in de vorm van een open en collegiale collegewerking, moest afrekenen met een aftands verzuild systeem en de eerste twijfel en onvrede wegnemen. Ook inhoudelijk valt een aantal zaken op. Zowel qua politieke besluitvorming (sterke opwaardering van de districten) en administratieve, sociale en culturele dienstverlening (de wijkkantoren en infobalies) werd een drempelverlagende decentralisatie doorgevoerd. Daarnaast werd een (volledige) depolitisering van de administratie en dienstverlening doorgevoerd, werd een effectief integratiebeleid opgestart en werd ook begonnen met een gedeeltelijke hervorming van de stedelijke politie - waarbij binnen het gestelde (personeels)kader meer blauw op straat verscheen. Een selectieve huisvuilophaling, repressief optreden tegen hondenpoep en sluikstorting alsook de klemtoon op zichtbare wijk- en wegenrenovatie werden als antwoorden op het ongenoegen van buurtbewoners geformuleerd.

Aangezien het niet de bedoeling is de verwezenlijkingen van het bestuur op een rijtje te zetten, volstaat het ons inziens te beklemtonen dat - ondanks de beperkte financiële ademruimte - werk is gemaakt van een ‘aanzet’ van oplossing van de buurtproblemen en wijkherwaardering. Dat gebeurde op basis van een beleidsvisie, in tegenstelling tot de vroeger gebezigde verzuilde distributional policies. Een stijlbreuk in bestuur is waar te nemen. Desondanks bleek de bestuursploeg niet van (VLD-)profileringsdrang gespaard en niet altijd op één lijn te zitten rond bepaalde grootstedelijke ‘symbooldossiers’ als veiligheid, mobiliteit en huisvuilophaling. Hoewel minder relevant met betrekking tot een beleidsevaluatie, maar des te belangrijker met betrekking tot politiek vertrouwen, werd de coalitie gedurende haar legislatuur geconfronteerd met twee ontslagen van schepenen (Geeraerts en Gantman) als gevolg van vermeende corruptiezaken/rechtzaken. Daarnaast was er ook het vertrek van de twee Agalev/BSV-boegbeelden in het college (Vogels en Sörensen) naar respectievelijk de nationale en Europese politiek.

Onvrede

De gegevens van het voornoemde IPSoM/ATV-onderzoek geven vooreerst aan dat de Antwerpse bevolking - om het zacht uit te drukken - niet onverdeeld tevreden is met het algemeen gevoerde beleid van de huidige coalitie. Desondanks evalueert men de meeste wijkvoorzieningen als performant. Met betrekking tot de bestrijding van vandalisme, de aanwezige speelgelegenheid voor kinderen en het proper houden van de wijk is het optreden van de lokale overheid voor een meerderheid van de Antwerpse bevolking evenwel ontoereikend. Aan de verwachting om de kwaliteit van de publieke ruimte te waarborgen voldoet de Antwerpse overheid bijgevolg onvoldoende. De vraag is echter of de overheid in een klimaat van ‘hoge verwachtingen’ in de beleidskracht van de lokale overheid met betrekking tot belangrijke sociale problemen wel aan deze eisen kan voldoen, gezien de begrensde politieke daadkracht en beperkte financiële ruimte.

Er heerst nog onvrede omtrent het gevoerde beleid bij een substantieel deel van de bevolking. Bepaalde wijkvoorzieningen zouden tekortschieten. Burgers geloven desondanks in de stevige beleidskracht van de lokale overheid aangaande tal van stedelijke problemen. Cruciaal met betrekking tot de nakende gemeenteraadsverkiezingen is dan ook of de bestaande coalitie de onvrede en teleurstelling in het lokale stadsbeleid, en meer algemeen het politieke wantrouwen en de openlijke verontwaardiging van de burgers, een halt kan toeroepen. Slechts op 8 oktober zullen we het antwoord weten. Desondanks mag men zich niet al te veel begoochelingen maken. Zo biedt het coherente gesloten particularistische discours van het Vlaams Blok niet alleen een ontbeerde houvast voor misnoegde burgers, maar bovenal een positieve boodschap, perspectieven en hoge verwachtingen naar de toekomst toe.

Ontoereikend

Meer fundamenteel echter zijn in de hertekende ruimte waarin aan Vlaams-Blokzijde alles verklaard wordt aan de hand van het onderscheid ‘wij/zij’ (Belgen/migranten, Vlaams Blok/establishment), de door de coalitie aangereikte inhoudelijke beleidslijnen in verband met criminaliteit, werkloosheid, verloedering en openbare orde altijd ontoereikend. Juist omwille van het feit dat ze het ‘wij/zij’-onderscheid niet incarneren. Slechts radicaal normstellend optreden, discriminatie van migranten, een ‘veilige’ omgeving en een politieagent op elke hoek van de straat is de enige plausibele oplossing voor de ‘probleemstad’ Antwerpen in dat vertoog. Andere maatregelen zijn in die specifieke ervaringswerkelijkheid ‘kul’.

Anderzijds schept een partij als het Vlaams Blok met haar vertoog niet-inlosbare verwachtingen van burgers in de mogelijkheden en verantwoordelijkheden van de politiek. In haar opbod van moralisering, verklaringen en toezeggingen in het spel van oppositievoering worden allerlei (onvervulbare) verwachtingen gecreëerd, waarbij de overheid voor ‘alles’ aansprakelijk gesteld wordt en niet sober, efficiënt en bekwaam genoeg kan zijn, de politici de schuld krijgen van al wat mis gaat en de burger zichzelf in een onmiddellijke en gelijkwaardige relatie met de machthebbers waant. Dat het Antwerpse beleid van de afgelopen jaren het publieke onbehagen - een afgeleide van de discrepantie tussen verwachting en realiteit - van Vlaams-Blokkiezers kan sussen, laat staan hen terug naar een van de bestuurspartijen lokken, lijkt in deze discursieve ruimte weinig waarschijnlijk. Vooral omdat de onderzoeksresultaten gewag maken van een diepgaande en wijdverbreide maatschappelijke vertrouwenscrisis in Antwerpen.

Vertrouwen en wantrouwen

Uitgezonderd voor de pers is het vertrouwen van de Antwerpse bevolking voor alle Antwerpse instellingen lager dan het geregistreerde vertrouwen van de Vlaamse populatie in de Vlaamse instellingen. Vooral voor de politieke instellingen blijkt het vertrouwen zoek te zijn. Zo stelt bijna zes op tien Antwerpenaren (zeer) weinig vertrouwen in de Antwerpse politici en wantrouwt bijna de helft van de Antwerpse bevolking de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen. Maar niet alleen de politiek is uit de gratie gevallen. Ook het Antwerpse gerecht (46%), de vakbonden (43%), de politie (40%) en de stadsadministratie (36%) kampen met een niet negeerbaar probleem van wantrouwen. De Antwerpse pers daarentegen deelt minder in de vertrouwenscrisis.
Het cruciale belang van vertrouwen in het (voort)bestaan van tal van systemen (economie, politiek of recht) kan niet worden onderschat. Zo heeft een vertrouwenscrisis voor elk systeem gevolgen en vormt het gebrek aan vertrouwen in het politieke systeem en de nood aan vertrouwen in politici een vicieuze cirkel. Zonder vertrouwen in politici kan het (representatief) politieke systeem geen ‘ingrijpende’ acties ondernemen in situaties van onzekerheid of risico’s. De actiemogelijkheden worden bij een gebrek aan vertrouwen gereduceerd, wat tegelijkertijd tot een erosie van vertrouwen in de structurele kenmerken van het politieke systeem leidt. Een bestuur kan dan ook niet behoorlijk functioneren zonder legitimiteit, zonder het vertrouwen en loyaliteit van de burgers die bestuurd worden.
In Antwerpen is de doorbreking van de wantrouwensspiraal hoe dan ook geen sinecure, gezien de sfeer van wijdverbreid wantrouwen in de instellingen. Wantrouwen kleurt namelijk de evaluatie, waarbij daden van vertrouwen (eerlijke communicatie, inspraakrondes, krachtdadige beleid op basis van visie) sowieso verdacht zijn en wantrouwen wekken. Herstel van de legitimiteit van en vertrouwen in de belangrijkste maatschappelijke instellingen zal hoe dan ook een werk van lange adem zijn. Met betrekking tot een vertrouwensherstel kan men van een vernieuwend beleid echter slechts op (midden)lange termijn soelaas verwachten. Desondanks is een vernieuwend beleid gericht op de kwaliteit van de publieke ruimte een eerste en noodzakelijke stap. Men moet het gevoel van toekomstloosheid dat in sommige stadsbuurten leeft, trachten ongedaan te maken.

De bestuurscoalitie kan dan slechts hopen dat de bestuursinspanning door haar kiezers van 1994 ‘beloond’ wordt. Daarnaast is en blijft de vraag in welke mate de kaarten tussen de bestuursvoerende partijen na de verkiezingen van 2000 geschud zullen worden. Het kiezerskorps is namelijk meer dan ooit in beweging. Op Vlaams niveau is de beweeglijkheid van de kiezers in vergelijking met de jaren tachtig zowat verdubbeld. Van de Antwerpse kiezers ruilde liefst 40 procent van partij tussen de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 en 1994 in. Naast het ‘aanboren’ van nieuwe doelgroepen blijkt vooral in de Antwerpse context ‘fidelisering’ van de kiezers voor de meerderheidspartijen in hun campagnevoering van cruciaal belang te zijn. Zo spaart de SP kosten noch moeite om terug voet aan de grond te krijgen bij het (overgebleven) partij-electoraat in de arbeidersbuurten. Agalev en VLD radicaliseerden meermaals openlijk hun (tegengestelde) standpunten met betrekking tot de aanpak van criminaliteit, mobiliteit en huisvuilophaling om de eigen achterban niet al te zeer voor het hoofd te stoten.

Verkiezingen van de angst

Antwerpen is in de aanloop van de verkiezingen in de greep van een tweevoudige angst. Veiligheid en de al dan niet mogelijke instandhouding van het cordon sanitaire beheersen het veld. Zo wordt criminaliteit en vandalisme als hét belangrijkste probleem van Antwerpen gedefinieerd en voelen omzeggens vier op tien Antwerpenaren zich onveilig. Criminaliteit, veiligheid en migranten zijn thema’s die aan het Vlaams Blok toebehoren. De band met het stemgedrag voor het Vlaams Blok is veelvuldig gelegd. Daarnaast is er echter ook een substantiële minderheid van twintig procent die racisme en extreemrechts als een van de drie belangrijkste problemen van Antwerpen aangeeft. Voor één op vijf Antwerpenaren baart het Vlaams Blok blijkbaar enorme zorgen volgens het IPSoM/ATV-onderzoek.
Enerzijds vormt het Vlaams Blok in een dynamische, steeds minder begrijpbare en beheersbare stad het ontbeerde houvast voor een bevolking die ten gevolge van haar sociale, culturele en economische levensomstandigheden zeer ontvankelijk is voor deze angstimuli. Een stem op het Vlaams Blok biedt een aanvaardbare oplossing voor het verloren gevoel dat men een precieze, duidelijke en vaste plaats in de sociale werkelijkheid inneemt, voor de angst dat men de greep op de werkelijkheid verliest, voor de ervaren (bestaans)onzekerheid en gevoelens van onveiligheid. De pogingen van de VLD in Antwerpen om het Vlaams Blok na te lopen hebben de partij nooit wat opgeleverd. Wel hebben ze de geloofwaardigheid van de retoriek van het Vlaams Blok versterkt.

Anderzijds is er de angst voor de mogelijke ‘terreur’ als antwoord om de dreiging van de ‘vrijheidscondities’ te niet te doen. Angst voor het einde van het cordon sanitaire, misschien zelfs de democratie. Angst voor een Vlaams-Blokstadsbestuur. Maar ook het Vlaams Blok kent die angst. Dewinter weet maar al te best dat een tweede ‘verkiezingsoverwinning-nederlaag’ (enkele procentpunten stijgen, maar niet deelnemen aan de coalitie) het begin van het einde voor het Vlaams Blok kan betekenen. Hij beseft dat zowel electoraal als partij-intern de partijeenheid op het spel staat.
In welke stad en in welke sociale orde we wensen te leven, vormt de kern van de verkiezingen. Tot dan wacht men bang af in welke stad en sociale orde men zal moeten leven. Meer dan ooit zijn de buurt en de stad, in de vorm van districtsraadsverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen, op 8 oktober 2000 de ultieme inzet van het gepolariseerde debat over het goede leven, de goede samenleving en het goede Antwerpen. De democratische partijen hebben in deze een belangrijke verantwoordelijkheid, namelijk het doorbreken van het één tegen allen. Zij moeten de kiezer een werkelijke keuze aanbieden tussen democratische oplossingen voor de problemen van Antwerpen, waarbij zij zich onderling profileren en zich niet alleen afzetten tegen het Vlaams Blok.

Bibliografie
-
Abts, K., Swyngedouw, M., Codeboek bij het survey-onderzoek ‘Antwerpenaren en hun stad’. Brussel: IPSoM-Bulletin K.U.Brussel 1999.
- Abts, K., Swyngedouw, M., Antwerpenaren en hun stad. Onderzoek in opdracht van ATVvzw. Brussel: IPSoM K.U.Brussel 2000.
- Davis, M., Ecology of fear. Los Angeles and the imagination of disaster. New York: Vintage Books 1998.
- Swyngedouw, M., ,,Nieuwe Breuklijnen in de Vlaamse Politiek?’’, in: Swyngedouw, M., Billiet, J., Carton, A., Beerten, R. (eds.), Kiezen is verliezen. Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen. Leuven-Amersfoort: Acco 1993.
- Swyngedouw, M., ,,Les rapports de force politiques en Belgiques’’, in: Martiniello, M., Swyngedouw, M. (eds.), Où va la Belgique. Les soubresauts d’une petite démocratie européenne. Paris: L’harmattan 1998.
- Swyngedouw, M., ,,Belgium: explaining the relationship between Vlaams Blok and the city of Antwerp’’, in: Hainsworth, P. (ed.), The Politics of the Extreme Right. From the margins to the mainstream. London: Pinter 2000.
- Swyngedouw, M., Roeland B., ,,De fragmentatie van het kiezerskorps in Vlaanderen. Verschuivingen 1991-1995 en 1995-1999’’. Leuven: ISPO-Bulletin 1999/34. ISPO/SOI 1999.
- Vander Weyden, P., Effecten van kiessystemen op partijsystemen. Ongepubliceerd doctoraatsvoorstel. Brussel 1998.
- Verschaffel, B., Figuren. Essays. Leuven: Van Halewijck/De Balie 1995

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 4 tot 11