Log in

Een actief migratiebeleid: kansen voor internationale solidariteit?

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 10 (december), pagina 25 tot 36

Op 9 december ll. organiseerde de Stichting Gerrit Kreveld een studiedag: ‘Arbeidsmigratie als uitdaging voor de sociaaldemocratie’. Patrick Loobuyck schreef ter voorbereiding een werktekst waaruit enkele deeltjes als paper naar de deelnemers werden toegestuurd. Eén van die papers besteedt vooral aandacht aan het internationale perspectief van waaruit migratie bekeken kan worden. Deze bijdrage is een revisie van deze paper.

In allerlei media, publicaties en politieke discussies kan het onderwerp migratie op nogal wat aandacht rekenen. Belangrijk en nieuw aan een deel van het debat is evenwel dat de discussie niet enkel gevoerd wordt vanuit de overvraagde asielprocedure of vanuit het discours van het Fort Europa en de migratiestop. Integendeel, er zijn stemmen te horen die pleiten om die migratiestop geleidelijk (verder) af te bouwen. Begin 2000 verscheen een UNDP-rapport Replacement Migration waarin (nogmaals) werd aangetoond dat Europa, gezien de snelle daling van de bevolkingsaangroei en de vergrijzing, de komende vijftig jaar genoodzaakt zal zijn nieuwkomers op te nemen. De VN-demografen zijn ervan overtuigd dat het toelaten van (veel) meer migratie een onderdeel moet zijn van het toekomstig politiek en economisch beleid.

Ondanks de duidelijkheid van het rapport heeft het tot nog toe maar weinig weerklank gevonden hier in Vlaanderen. Het was wachten op de regeringsdiscussie over de hervorming van het asielbeleid in november 2000. Agalev wilde de afbouw van de migratiestop op de agenda zetten, maar ze zijn daar niet ten volle in geslaagd. Naast enkele groenen en andere progressieven zijn het nu vooral de werkgevers die aan de kar trekken. Zij doen dat vanuit hun ervaring met de krappe arbeidsmarkt. Op 24 mei 2000 titelde Science & Technology: ‘Bedrijven smeken om immigranten (met talent)’ en het opschrift van een recent nummer van vacature.com. luidde ‘Stop het migratieverbod’. De werkgevers hebben hun vraag op parlementaire hoorzittingen ook al aan de politici doorgespeeld.
In buurland Duitsland is de overheid al op de vraag van BITKOM (Bundesverband Informationswirtschaft, Telekommunikation und neue Medien) ingegaan. Begin mei werd over het green-card systeem voor 20.000 softwarespecialisten een akkoord bereikt. Ze zouden een verlengbare vergunning van vijf jaar krijgen. De Duitse regering verklaarde ook een extra inspanning te doen voor de opleiding en herscholing van de eigen IT-werknemers. Hiervoor zou 200 miljoen mark worden vrijgemaakt. Ook de Europese Commissie heeft in 1999 gewezen op de noodzaak hooggeschoolden naar Europa te laten migreren. En ter herinnering: in 1993 al waarschuwde de Nederlandse migratiespecialist Philip Muus voor het feit dat Europa ‘de slag om de geschoolde migrant’ niet mag verliezen van de VS, Canada, Australië en sommige Aziatische landen.

De politiek voelt zich nog niet comfortabel in het gesprek. Enkele parlementairen positioneren zich voorzichtig maar vanuit de regering hoort men niets. Een bezinning ter zake dringt zich op. Het Belgisch voorzitterschap van de EU staat voor de deur en het onderwerp zal zeker op de Europese agenda komen. Migratie is inderdaad een zeer delicaat thema, maar juist daarom moet er plaats gemaakt worden voor sereen overleg en duidelijke communicatie. Voor sociaaldemocraten houdt het migratiethema veel uitdagingen in. Eén ervan is de vraag hoe migratie te rijmen valt met solidariteit zowel binnen de landsgrenzen als op internationaal niveau. Het is vooral dit laatste dat het onderwerp is van deze bijdrage.

Globale apartheid

Migratie is per definitie een thema dat het lokale overstijgt. Dit betekent dat wanneer men wil nadenken over de rechtvaardigheid van bepaalde maatregels inzake migratie men niet enkel oog moet hebben voor the local justice binnen de eigen samenleving. Sommigen willen de boot van de migratie afhouden omdat meer migratie een bedreiging zou zijn voor de verzorgingsstaat, maar de rijke welvaartsstaten zijn niet de enige partijen die in het geding zijn. De gehechtheid aan sociale gelijkheid en sociale cohesie die zich steeds situeert binnen een bepaalde gemeenschap ligt voor sociaaldemocraten dikwijls mee aan de basis van de argwaan ten aanzien van meer en vrijere immigratie. Deze bekommernis is lovenswaardig, maar achter het huidige Europese migratie- en verzorgingsbeleid schuilt ook een vorm van ‘globale apartheid’.
Richmond bepaalt de global apartheid als volgt: zoals de Afrikaners en Europeanen hun bevoorrechte positie in de Zuid-Afrikaanse samenleving op een oneigenlijke manier veilig stelden d.m.v. het apartheidssysteem, zo proberen de ontwikkelde landen op wereldvlak hun verworvenheden en privileges te beschermen. Richmond gelooft niet dat dit apartheidssysteem houdbaar is. Het rijke westen mag zoveel inspanningen leveren als het wil om het eigen systeem te beschermen, al bouwt men honderd muren rond Europa, de mensenstromen zullen hun weg blijven vinden en zullen het systeem ondermijnen.
De internationale dimensie van migratie vereist dat er niet enkel gekeken wordt naar het eigenbelang, er moet ook rekening gehouden worden met de lokale belangen van de landen van herkomst en die van de migrant zelf.

Migratie en economische ontwikkeling

Sommigen gaan ervan uit dat migratie niet bevorderend is voor de ontwikkeling van de emigratiegebieden. Gebieden die belangrijk zijn voor de arbeidsexport, zouden in hun ontwikkeling achterblijven op de gebieden die arbeid importeren, juist omdat deze laatsten een sterke economische groei vertonen. Het is een soort vicieuze cirkel waarbij voordeel tot nog meer voordeel leidt. Bovendien kan emigratie de werkloosheidsdruk verminderen waardoor hervormingen uitblijven die economische groei zouden moeten scheppen. Deze negatieve vooronderstellingen vinden niet op eenduidige wijze steun in de praktijk. De groei van de emigratie betekent niet noodzakelijk dat de economische groei vermindert, en omgekeerd. De Europese industriële groei in de 19de eeuw ging gepaard met een enorme exodus naar Amerika en naar Australië. Ook de ervaring met de industrialisering, sinds 1960, van Azië leert dat de economische groei daar de emigratie heeft bevorderd. In China zijn het precies die enkele kuststreken, vooral van Fujian, die een enorme economische groei meemaken, die ook het meest migranten afleveren in de VS en Taiwan. Enkele landen die in het nabije verleden het meest migranten naar Europa, Canada en de VS gezonden hebben, hebben een economie die sterk in expansie is: Zuid-Korea, Taiwan, Singapore, Hong Kong, Turkije, Mexico.

Bepaalde voorstanders van vrijere migratie argumenteren dat zowel het emigratie- als het immigratieland voordeel kunnen doen met de migratie. In het gastland kan migratie zorgen dat de lonen niet al te hoog worden, dat bepaalde jobs ingevuld worden en dat de economische groei wordt bestendigd. In de landen van herkomst kan de werkloosheidsdruk verminderen waardoor de lonen niet dieper zakken. Door het teruggestuurde geld kan de levensstandaard van de achtergebleven mensen verbeteren en de economie kan hierdoor nieuwe impulsen krijgen. Vooral vanuit de neoliberale hoek zijn geluiden te horen die in die richting gaan. Gegeven de vrije markt zou een vrijere migratie zowel het economisch systeem als de mensen zelf ten goede komen. Bovendien zou het vrij verkeer van goederen, kapitaal en mensen bijdragen tot de gelijkschakeling van prijzen, lonen en welvaart.
Los van de vraag of de liberale vooronderstelling klopt, moet ook de stelling dat de economische ontwikkeling vanzelf bijdraagt tot de afname van de migratiedruk genuanceerd worden. Verschillende experts zijn het erover eens dat een verhoging van welvaart en ontwikkeling de emigratiedruk initieel alleen maar verhoogt. De relatie tussen economische ontwikkeling en internationale migratie is niet alleen zeer complex, ze bevat ook de tegenstelling tussen de kortetermijneffecten en de langetermijneffecten van economische ontwikkeling. Dit fenomeen dat de migratie initieel stijgt maar op langere termijn zakt, duidt men aan met de term ‘migration hump’.
Gezien de complexiteit van de economische realiteit is het vrij moeilijk om de precieze gevolgen van migratie te traceren. De oefening wordt nog veel delicater als men het wil hebben over de gevolgen in de toekomst. Het blijft speculeren over de economische groei, de kapitaalstromen, het aantal investeringen, de delocaties, enzovoort. Bovendien wordt door de economen slechts en marge of helemaal niet ingegaan op de implicaties die een vrijer migratiesysteem met zich meebrengt voor de organisatie van en de toegang tot de bestaande sociale voorzieningen.

Emigratie als veiligheidsklep

De relatie tussen emigratie en politieke veranderingen komt aan bod in de studie van A. Hirschman Exit, Voice, and Loyalty. Volgens Hirschman kan een emigratiepolitiek in het voordeel zijn van totalitaire regimes. Dit zou juist het verschil zijn tussen Oost-Duitsland aan de ene kant en Polen, Tsjecho-Slowakije en Hongarije aan de andere kant. De onmogelijkheid van emigratie uit deze laatste landen zou medeverantwoordelijk zijn voor de revolte in 1956 in Boedapest, voor het uitbreken van de Praagse Lente in 1968 en de activiteiten van Solidariteit in Polen begin de jaren tachtig. Oost-Duitsland daarentegen heeft steeds, ondanks het bestaan van de Berlijnse muur (die er vooral om economische redenen was) dissidenten over de grens gezet. Díaz-Briquets bevestigt de stelling van Hirschman voor Latijns-Amerikaanse landen. Door de emigratie werden sociale veranderingen afgeremd en archaïsche politieke en economische systemen in stand gehouden. Door de emigratie van landloze boeren zowel naar de steden als naar buurland Honduras kon de rust bewaard blijven in de semi-feodale landelijke gebieden in El Salvador. De emigratie van jongvolwassen arbeiders uit Paraguay heeft decennia lang bijgedragen tot het behoud van het dictatoriaal regime van Stroessner. Sommigen beweren dat ook het migratiebeleid van de VS - dat alle Cubaanse migranten als politieke vluchtelingen beschouwde - er eigenlijk voor gezorgd heeft dat alle dissidenten uit Cuba konden verdwijnen, waardoor het regime van Castro rustig kon verder bestaan. Het beleid van de VS ten aanzien van de Cubanen is in tegenstelling met de houding van de VS begin de jaren tachtig ten aanzien van de leden van de Poolse onafhankelijke vakbeweging ‘Solidariteit’. Zij werden aangemaand niet uit Polen te vertrekken en te blijven deelnemen aan de strijd voor politieke hervormingen.
Weiner is het niet eens met de basisstelling van Hirschman. Mensen kunnen ook buiten de grenzen van hun landen als dissidenten functioneren. Veel Chinezen dragen vanuit het buitenland bij tot de mensenrechtenbeweging in China. Bovendien elimineert een echt gesloten regime zijn dissidenten door ze in de gevangenis te stoppen of te vermoorden. In dat geval geldt: beter dissidenten in het buitenland dan geen dissidenten. Stalker wijst erop dat ook remigratie de sociale veranderingen kunnen stimuleren. Terugkerende migranten hebben zich dikwijls losgemaakt van de gemeenschap en kunnen zich gemakkelijker distantieren van lokale tradities. Hierdoor kunnen ze bijdragen aan de verandering van de traditionele structuren.

De bestrijding van de werkloosheid is nog steeds één van de hoofdredenen waarom verschillende landen arbeid wensen uit te voeren. Een emigratieregime kan tot op zekere hoogte als veiligheidsklep dienen om de druk op de sociale stoomketel te doen afnemen. Doordat werknemers een uitweg voor hun situatie kunnen vinden via emigratie, wordt de politiek minder onder druk gezet om sociale en economische hervormingen en investeringen door te voeren. Emigratie kan zo als bliksemafleider fungeren en de economische en politieke hervormingen vertragen of overbodig maken. Voor wat betreft de arbeidsmigratie van vóór 1974 blijkt bijvoorbeeld dat Marokko vooral de ‘lastige Berbers’ uit het overbevolkte Rif-gebied naar Nederland en België stuurde.
Vanuit een internationaal perspectief is het belangrijk om weten dat gastlanden door migranten toe te laten de sociale onvrede kunnen verminderen in de landen van herkomst waardoor de sociale strijd uitblijft. Vandaar het belang dat emigratie gekoppeld wordt aan inspanningen tot sociaaleconomische veranderingen in de emigratielanden. Dit kan gebeuren op basis van akkoorden tussen de betrokken landen.

De

Brain drain

Emigratie is niet alleen een mogelijke oplossing voor het teveel aan werknemers in een tijd van hoge werkloosheid, het kan ook het verlies betekenen van mensen, zowel hoog- als laaggeschoolden, die men in de landen van herkomst nodig heeft. De notie brain drain dook voor het eerst op in Groot-Brittannië tijdens de jaren ‘60. Toen zijn veel wetenschappers naar de VS vertrokken. Ik gebruik de term hier niet in de gangbare, enge betekenis, met name het verlies van hooggeschoolden. De term is van toepassing op elke situatie waarin een land mensen (brains) verliest, terwijl dat land ze zelf kan gebruiken. Of het over hoog- dan wel om laaggeschoolde mensen gaat, is van secundair belang. De schade die het vertrek van mensen aanricht is zeer moeilijk te berekenen. De volgende elementen kunnen in rekening worden gebracht: het verlies van de investering in de opleiding, het verlies van knowhow, de rol van de teruggestuurde gelden, de hoeveelheid remigratie, de invloed van de emigratie op de productie, op het inkomensniveau, op de werkgelegenheid, op de economische groei, enzovoort. De factor brain drain moet per land en per categorie afzonderlijk bekeken worden.

Het element brain drain van naderbij bekeken

Voor het wereldsysteem speelt het meestal niet zo een grote rol waar mensen aan het werk zijn, als ze maar ergens hun economische bijdrage leveren. Vanuit het lokaal perspectief is het echter van groot belang of de mensen die met overheidsgeld opgeleid en opgevoed zijn al dan niet wegtrekken om een bijdrage te leveren aan de economie van een ander land. De overheid van de emigratielanden heeft in de emigranten geïnvesteerd in de hoop dat ze op hun beurt een bijdrage zouden leveren aan de samenleving.
Men schat dat 1,5 miljoen geschoolde mensen uit de ontwikkelingslanden werkzaam zijn in Europa, de VS, Japan of Australië. Volgens berekeningen van het UNDP betekenen de 90.000 hooggeschoolden die ontwikkelingslanden hebben ingeruild voor de VS in 1990 een verlies van $642 miljoen (elk $7.400) aan investering in opvoeding en onderwijs. Afrika is er het ergst aan toe. Tussen 1960 en 1987 heeft Afrika ongeveer 70.000 hooggeschoolden zien vertrekken. Dat is ongeveer 30 percent van de stock. Sinds 1985 verliest het gemiddeld 20.000 professionals per jaar. Het aantal artsen uit de derdewereld dat in West-Europa werkt overtreft het aantal ontwikkelingswerkers dat door de EU wordt uitgezonden. In 1978 is Soedan 17 percent van zijn tandartsen en dokters verloren, 30 percent van zijn ingenieurs en 45 percent van zijn landmeters. Ghana heeft 60 percent van de dokters die het begin de jaren tachtig heeft opgeleid zien vertrekken. Meer dan de helft van de Afrikanen die in de jaren zestig in de VS chemie of fysica gestudeerd hebben, is nooit teruggekeerd. Eén vijfde van de meest getalenteerde studenten in Afrika gaat in West-Europa (bij)studeren. Pakistan heeft in de jaren zeventig en tachtig meer dan 100.000 arbeiders per jaar uitgezonden waarvan bijna de helft geschoold was. Dit komt overeen met 7 percent van het arbeidspotentieel. Dit heeft geleid tot een arbeidstekort, een sterke loonsstijging en een forse daling van de productie.
Ook de emigratie sinds begin de jaren tachtig vanuit de Oost-Europese landen heeft een brain drain veroorzaakt. Onderzoek toont aan dat zeer veel jonge en geschoolde arbeidskrachten naar het westen vertrokken zijn en de val van de Berlijnse muur heeft deze tendens nog versterkt. De meeste Oost-Europese landen hadden geen demografisch overschot en hebben het tekort aan arbeidskrachten op hun beurt moeten compenseren door gastarbeiders te importeren, o.m. uit Vietnam. In Polen dat nog een vrij hoog geboortecijfer had is de bevolkingsaangroei bijna volledig door de emigratie geabsorbeerd. Tussen 1981 en 1988 steeg de globale bevolking van 21.9 miljoen naar 22,3 miljoen, maar daalde het aantal mannen in de leeftijdsgroep tussen 20 en 39 met 1,3 miljoen. Tussen 1983 en 1987 emigreerden 400.00 Polen waarvan 15 percent een universitaire opleiding had. Dit is evenveel als het gemiddeld aantal gediplomeerden dat de Poolse universiteiten jaarlijks afleverden in de jaren tachtig. In 1990 zijn uit Roemenië 130.000 mensen gemigreerd. In Bulgarije migreren sinds 1989 gemiddeld 20.000 wetenschappers per jaar. In 1995 migreerden meer dan 7000 professoren en onderzoekers en een onderzoek van 1996 leert dat 40 percent van de wetenschappers plannen had om het land te verlaten. Een econometrische studie wijst uit dat de migratie in een negatieve eindbalans resulteert voor de thuislanden en in een positieve eindbalans voor de gastlanden.

Anders

In verschillende Aziatische landen is de realiteit dan weer helemaal anders. Het vertrek van vele duizenden geschoolde arbeiders uit India en Bangladesh begin de jaren tachtig heeft niet voor arbeidstekorten gezorgd. De emigratie was aanzienlijk, maar het was niet meer dan 1% van de totale hoeveelheid potentiële arbeidskrachten. Wat betreft hooggeschoolden verliest Azië meer professionals dan Afrika. Deze professionals migreren hoofdzakelijk naar de VS. India levert het meest hooggeschoolden af, dan de Filippijnen, China en de Republiek Korea. Toch is de brain drain in verschillende Afrikaanse landen veel groter dan in deze landen. Er studeren in India immers veel teveel mensen aan de universiteiten af. In 1990 telde India 1,2 miljoen hooggeschoolde werklozen. Ook in Somalië, Ivoorkust en Marokko is de academische werkloosheid vrij hoog. Men kan zich dan afvragen wat opleidingen dan opbrengen? Is het niet beter dat deze mensen in het buitenland tewerk gesteld worden, in plaats van werkloos in het thuisland te moeten blijven. Als ze werkloos blijven, kosten ze de staat immers veel meer. Tijdelijke migratie van geschoolde werklozen wordt dan ook dikwijls gepromoot omdat het zowel het individu als de samenleving ten goede komt. De investering die men in de opleiding heeft gedaan, rendeert duidelijk meer wanneer een geschoolde migrant in het buitenland werkt en een deel van zijn loon naar het land van herkomst terugstuurt, dan wanneer die geschoolde werkloos in het land van herkomst blijft.
Abella voegt er wel aan toe dat deze conclusie niet opgaat wanneer er sprake is van de-skilling. Dit betekent dat goed opgeleide professionals in het buitenland moeten werken in jobs voor ongeschoolden, bijvoorbeeld omdat de diploma’s niet erkend worden, of omdat de migrant door omstandigheden geen andere mogelijkheid meer heeft dan dergelijke job te aanvaarden. Abella stelt ook vast dat beleidsmensen van sending countries er dikwijls op aansturen dat niet alleen laag- of ongeschoolden emigreren, maar ook hooggeschoolde professionals, ook al heeft het land al meer in de opleiding van deze laatsten geïnvesteerd. Er zijn verschillende politieke en economische redenen die deze bekommernis kunnen verklaren: hooggeschoolden verdienen meer en kunnen dus meer geld terugsturen, hooggeschoolden hangen een beter imago op van het land van herkomst, de rechten van hooggeschoolden worden beter gerespecteerd en de kans op illegale praktijken en uitbuiting is kleiner.

Durven nuanceren

Het feit dat we door hier meer migratie toe te laten mensen kunnen afsnoepen die de landen van herkomst brood nodig hebben stuit veel rechtgeaarde wereldburgers tegen de borst. Het systeem van arbeidsmigratie op basis van selectie wordt dikwijls op die basis veroordeeld. De SP spreekt in dit verband van een nieuwe vorm van kolonialisme. Door de contingentering kan men selectief zijn en slechts de meest intelligente en beloftevolle mensen toelaten waardoor de arbeidsmarkt in de landen van herkomst afgeroomd wordt. Dit alles kan niet de bedoeling zijn, zeker niet als men van het principe uitgaat dat alleen verbetering van de toestand in de landen van oorsprong zelf een meer definitieve oplossing voor het migratievraagstuk kan bieden.

Men kan het argument van de brain drain niet serieus genoeg nemen. Tot op vandaag worden er veel te weinig inspanningen gedaan om het fenomeen tegen te gaan. In tegendeel, het toelatingsbeleid van de rijke landen werkt de brain drain in bepaalde landen verder in de hand. Toch is een veralgemening zoals men die bij verschillende tegenstanders van de herinvoering van arbeidsmigratie kan horen ook niet correct. De migratie van werknemers is een zeer complex gegeven waarbij nog heel wat andere factoren in het geding zijn. Het argument van de brain drain moet op zijn realiteitswaarde beoordeeld worden en mag niet tot een dooddoener verworden die als alibi dient om niet meer over arbeidsmigratie na te denken. Het is niet correct als men bij elke migratie van een geschoolde werknemer doet alsof die een brain drain veroorzaakt. Studies van de ILO wijzen er meermaals op dat niet elk vertrek van een geschoolde werknemer ook effectief een verlies hoeft te betekenen voor dat land. Zeker een tijdelijke migratie kan in verschillende landen meer goed dan kwaad doen. Veel is afhankelijk van de specifieke situatie op de arbeidsmarkt en de ontwikkeling van de economie in het land van herkomst.

Brain drain verhelpen

Het argument van de brain drain moet dus met de nodige omzichtigheid gebruikt worden. Elke vorm van veralgemening is uit den boze omdat ze de werkelijkheid tekort doet. Bepaalde landen zijn immers niet of nauwelijks in staat hun gekwalificeerde mensen behoorlijk werk te verschaffen en zijn meer gebaat met hun (tijdelijke) emigratie. De brain drain speelt theoretisch het sterkst als men vanuit een volledige tewerkstelling vertrekt. Indien dat niet het geval is, kan het vertrek van werklozen soms positief geduid worden voor de thuislanden. Dit neemt niet weg dat verschillende landen effectief met het fenomeen van brain drain af te rekenen hebben. Algemeen is het zo dat er noch in de emigratielanden, noch in de immigratielanden op het niveau van het beleid veel aandacht wordt geschonken aan het fenomeen. In het beste geval bestaat er enkel onderzoek achteraf. Er worden zeer weinig inspanningen gedaan om het fenomeen op het moment zelf in kaart te brengen en er bestaat bijna geen beleid om gelijk welke vorm van brain drain tegen te gaan. Onder meer het bijhouden van welke mensen vertrekken, met welke diploma’s en welke capaciteiten en dit in relatie brengen met de output van het onderwijs, de noden van de eigen arbeidsmarkt en de ontwikkelingseconomie zou een wezenlijk onderdeel moeten vormen van het nationaal en internationaal migratiemanagment.

Emigratielanden moeten ook vooraf een profiel opstellen van welke mensen ze zelf nodig hebben en welke mensen geen schade berokkenen door te vertrekken. Ze moeten een beleid voeren dat erop gericht is het vertrek te ontraden van die mensen die ze zelf het best kunnen gebruiken. In de Filippijnen heeft men met succes de regeling ingevoerd die afstuderende artsen verplicht om een minimum aantal jaar in het vaderland te werken. De Republiek Korea verplichtte de bedrijven die hun werknemers in het buitenland lieten werken, om minstens 10 percent van dat aantal werknemers zelf op te leiden, zodat er in het land zelf geen tekort zou ontstaan. Het is duidelijk dat men als overheid zeker bepaalde maatregelen kan treffen om het effect van een brain drain te verminderen. Het moet echter steeds gaan om stimuli die de emigratie van een welbepaalde doelgroep afremmen of compenseren. Men kan nooit zover gaan mensen effectief te verbieden om te emigreren.
Ook de gastlanden moeten creatief zijn in hun organisatie van arbeidsmigratie zodat de brain drain in het
land van herkomst vermeden kan worden. Ze kunnen het land van herkomst ondersteunen in het bijhouden van welke mensen met welke diploma’s precies wegtrekken. Indien er tekorten dreigen kan ook het gastland verantwoordelijkheid opnemen door te investeren in vormingsprojecten en de emigratie van die mensen niet langer aan te moedigen of zelfs te bemoeilijken. Er kunnen programma’s ontwikkeld worden die de migranten stimuleren terug te keren. Een rotatiesysteem is nooit volledig sluitend, dit heeft ook het verleden al aangetoond, maar binnen bepaalde stage- en opleidingsprogramma’s ziet men dat het tijdelijkheidsprincipe toch kan werken. De bedrijven die een beroep kunnen doen op vreemde werkkrachten kunnen ook aangespoord of verplicht worden om te investeren in de landen van herkomst, bijvoorbeeld in materiaal (veel artsen in Afrika bijvoorbeeld zijn technisch werkloos omdat ze niet over het nodige gespecialiseerde materiaal beschikken om hun beroep uit te oefenen), in ontwikkelingsprogramma’s, in de vorming van voldoende nieuwe kaders of in een filiaal van het bedrijf dat voor extra werkgelegenheid kan zorgen.
Hooggeschoolde migranten kunnen in bepaalds gevallen zowel een bijdrage leveren aan het land van herkomst als aan het gastland. Ze kunnen immers een belangrijke link vormen tussen het kapitaal van de geïndustrialiseerde landen en de ontluikende economieën in de ontwikkelingslanden. Zo hebben Indische computerprogrammeurs die naar de VS migreerden als intermediair gefunctioneerd tussen de bedrijven in de VS en de Indische bedrijven die tegen lage lonen programma’s maken. Deze link heeft de sector van de informatietechnologie in India serieus vooruit geholpen. In de VS heeft men het zelfs al over een ‘omgekeerde brain drain’ omdat er steeds meer Indiërs zijn die op basis van de kennis en ervaring die ze in de VS hebben opgedaan eigen bedrijven opzetten in het thuisland.

Brain-exchange

Een brain drain in het land van herkomst veroorzaakt niet automatisch een brain gain voor de gastlanden en omgekeerd. Onder meer daarom gebruikt men in het kader van de internationale benadering liever de meer neutrale termen brain-exchange of brain overflow in plaats van brain drain (nationalistische benadering). Met Barbara Rhode wil ik er nog aan toevoegen dat het migratiefenomeen niet exclusief vanuit het standpunt van de overheid en van de natiestaten bekeken moet worden. Naast de (inter)nationale invalshoek is er ook het perspectief van de betrokken mensen zelf. De overheid investeert inderdaad in onderwijs e.d., maar het behalen van een diploma heeft ook te maken met de persoonlijke ambitie, het talent en de wilskracht van het individu in kwestie.
Bovendien heeft ook het gezin of de familie in die persoon geïnvesteerd, in de hoop dat de student later een goed leven zou kunnen uitbouwen. Wanneer iemand met een diploma nu vertrekt, om zijn kans op een beter leven te wagen in het buitenland, wordt dit vanuit het individuele perspectief beschouwd als een logisch verder zetten van de loopbaan. Vanuit dit perspectief is geen plaats voor het gejammer over het verlies van en voor de staat. Emigratie is dan een normale uiting van ambitie om een zo goed mogelijk leven te leiden en dit recht kan de persoon in kwestie toch moeilijk ontzegd worden.

Het teruggestuurde geld

Optimisten inzake migratie verwijzen graag naar de mogelijkheden die ontstaan met het geld dat de migranten terugsturen naar de familieleden en gemeenschappen die in het land van herkomst zijn gebleven. De transfers van de migranten naar de herkomstlanden kunnen immers een serieuze omvang aannemen. De buitenlandse activiteit van de emigrant kan zodoende een belangrijke bron van harde buitenlandse valuta vormen. Zonder de informele kanalen had men het in 1970 over $2 miljard, in 1989 over $65,6 miljard en in 1995 al over $70 miljard. Het gaat om ware geldstromen die voor bepaalde landen als Turkije, El Salvador, Pakistan, Syrië en Tunesië veel belangrijker zijn dan de ontwikkelingshulp. Voor veel landen uit het Zuiden is het geld van de emigranten belangrijker dan de buitenlandse investeringen of de handel bijvoorbeeld in cacao, bananen of koffie. In 1988 brachten Marokkaanse en Turkse migranten transfers binnen die respectievelijk overeenkwamen met 43 percent en 21 percent van de totaal gerealiseerde export van die landen. Voor de Indiaanse deelstaat Kerala was het geld dat de emigranten uit het Midden-Oosten in de jaren zeventig terugstuurden goed voor 23 percent van het BNP. In 1995 ontving Egypte $4,7 miljard, bijna evenveel als de inkomsten van het Suez-kanaal, de olie-export en het toerisme samen. Albanië ontving in 1993 meer dan de hoeveelheid buitenlandse investeringen die in het land waren gedaan. Indien men de emigratie zou stilleggen zou dat de emigratielanden Bangladesh, Pakistan, de Filippijnen, Sri Lanka en Thailand $55 miljard aan kapitaal kosten. Ter vergelijking: in 1989 werd in het totaal slechts $4,2 miljard aan buitenlandse directe investeringen gedaan in die landen.

Het toegestuurde geld kan het gemiddelde inkomen doen stijgen, de koopkracht verhogen en de ontwikkeling van de plaatselijke economie stimuleren. Het kan zorgen voor een hoger belastingsinkomen voor de staat en resulteren in sociale investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en welzijnswerk. De voordelen die aan de remittances toegeschreven worden, worden door critici weerlegd: het zouden slechts korte termijn voordelen zijn en het teruggestuurde geld kan voor inflatie zorgen, prijsstijging en oneerlijke concurrentie ten aanzien van zij die geen banden hebben met migranten. Zo zorgde een geldstroom van migranten naar Zuid-Italië en Portugal in de jaren ’60 ervoor dat de koopkracht van familieleden van gastarbeiders gevoelig steeg, waardoor de vraag hoger werd, wat de prijzen deed stijgen, waardoor het voor de niet-familieleden van migranten onleefbaar werd in bepaalde streken. Op die manier wordt een onrechtvaardig systeem met groeiende sociale ongelijkheid verder uitgebouwd.

Consumptie

De hoeveelheid geld zegt eigenlijk nog niets, er moet vooral gekeken worden wat er met het geld gebeurt. Het geld kan immers ook op een nefaste manier aangewend worden en een passiviteit bij de achterblijvers creëren. De teruggezonden middelen blijken in de eerste plaats gebruikt te worden voor behuizing en de aankoop van land. De bestedingen in behuizing en land worden meestal niet als zinvolle en duurzame investeringen beschouwd. De opvatting is vrij algemeen verspreid dat familieleden van migranten minder sober gaan leven. Door die toegenomen consumptie kunnen de prijzen stijgen en kan de inflatie aangemoedigd worden.
Bepaalde studies spreken dit vooroordeel tegen. In Bangladesh vertonen familieleden van migranten wel een hoger consumptiegedrag, maar die familieleden zijn ook betere spaarders dan hun landgenoten met eenzelfde inkomen zonder de steun van een migrant. Bovendien is de conclusie dat consumptie helemaal niet bijdraagt aan de nationale economie te eenzijdig. Men mag immers niet blind zijn voor de winst die door de toegenomen vraag gemaakt kan worden. Veel hangt af van de economische structuur en de politieke condities. Het feit dat het geld niet goed geïnvesteerd wordt kan wijzen op een klimaat dat goede investeringen bemoeilijkt. Het is ook een politieke verantwoordelijkheid om de sociaaleconomische sfeer te creëren waarin mensen gestimuleerd worden het geld dat ze ontvangen van migranten op een goede manier te investeren. De overheid moet een klimaat scheppen waarin het positief aanwenden van de buitenlandse valuta aantrekkelijk is. Daarom het ook belangrijk dat de overheid een zicht heeft op de hoeveelheid teruggezonden geld. Men moet stimuli aanreiken opdat de migranten het geld langs officiële weg terug zouden sturen. Nu wordt al te dikwijls beroep gedaan op informele tussenpersonen (informal foreign exchange brokers), waardoor de overheid haar (fiscale) controle verliest. In landen als Egypte en Soedan heeft het bestaan van dergelijke financiële intermediaire instanties werkelijk een soort van hidden economie in stand gehouden.

Het feit dat de teruggezonden gelden oneerlijk zouden zijn, wimpelt Weiner af door te stellen dat er overal en altijd al grote inkomensverschillen bestaan hebben en dat verwanten van migranten daarom dus niet in een negatief daglicht gezet moeten worden. Bovendien lijkt het erop dat men meer stilstaat bij de investeringen die verwanten van migranten doen dan bij de potentieel goede investeringen van banken, bedrijven e.d.. Het is duidelijk dat de remittances de migratiedruk niet zal doen afnemen. Het toegestuurde geld steekt de ogen uit van veel mensen. Het succes van zij die familie hebben in het buitenland zal anderen alleen maar aansporen ook iemand naar het buitenland te sturen. Bovendien zorgen de remittances ook voor een groter financieel potentieel dat juist aangewend kan worden om te migreren.

Stoppen met de struisvogelpolitiek

Gezien de migratierealiteit en de economische globalisering die zich onverstoorbaar lijkt verder te zetten, moeten de overheden op nationaal niveau, maar liefst nog op Europees niveau de touwtjes naar zich toetrekken en naar een actiever migratiebeleid evolueren. De globalisering heeft de macht van de natiestaten inderdaad op veel punten ingekrompen, maar dat betekent niet dat we moeten evolueren naar een tijd waarin de politiek helemaal geen zeggingsschap meer heeft. Wel integendeel, de politiek moet op bepaalde punten opnieuw op de voorgrond treden liefst op inter- of transnationaal niveau. Indien men dat niet doet bestaat de kans dat men zichzelf aan de kant zet en zo een vrijgeleide geeft aan patronaat en andere (soms malafide) belangengroepen om de migratiestop verder te omzeilen of verder af te bouwen op een a-sociale en a-solidaire wijze (zoals nu al gebeurt, dikwijls via achterpoortjes en sluipwegen!). Enkel door een duidelijk beleid kan men pogen de migratie niet volledig aan privéhanden over te laten (mensenhandelaars en -smokkelaars, particuliere arbeidsagenten en rekruteringsbureaus, werkgevers ...).
Al teveel politici en politieke partijen leiden aan pleinvrees als het over migratie gaat. Dit is jammer gezien het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat de arbeidsmigratie (die er al is of die nieuw georganiseerd zal worden) minder sociaal zal zijn dan wanneer men nu zelf initiatieven zou nemen op dat vlak. Het lijkt me dus op zijn minst zinvol dat sociaal democraten zich als gesprekspartner aandienen om over de modaliteiten van een solidair en meer rechtvaardig migratiebeleid te praten. Door het debat aan te gaan kan men ook de huidige realiteit van illegale migratie en dito tewerkstelling, seizoensarbeid onder slechte omstandigheden, sociale dumping door een gebrekkig sociaal Europa, werkloosheid onder de eigen (allochtone) bevolking, de vastgelopen asielprocedure en dergelijke meer aan de kaak stellen. Nadenken over de modaliteiten van migratie is niet noodzakelijk in tegenstelling met een beleid dat genoemde zaken wil aanpakken, hoewel men dikwijls het tegendeel beweert. Het is juist de taak van die denkoefening om ervoor te zorgen dat een migratiebeleid geen alibi wordt om niet meer in de eigen bevolking te investeren, geen oog te hebben voor de belangen van de landen van herkomst enzovoort.

Migratie regelen op basis van partnerschap

Kunnen we nu de vraag die ik in de titel aan de orde stelde zinvol beantwoorden? Ik denk dat er enkele elementen zijn aangeduid waaruit blijkt dat een actief migratiebeleid kansen in zich draagt om aan de internationale solidariteit te werken. Meer nog, indien men blijft de andere kant opkijken en zich blijft verschuilen in het discours dat vasthoudt aan de migratiestop, mist de politiek de kans om sociale klemtonen te leggen en bepaalde voorwaarden in te bouwen. Sinds midden de jaren zeventig vaart het Europees migratiebeleid op constante basis onder de vlag van de migratiestop, maar deze heeft eigenlijk nooit de lading gedekt. Anders dan gesuggereerd wordt door de verkeerd gekozen term is de immigratie nooit stilgevallen. De immigratie gebeurt vooral op basis van volgmigratie (gezinshereniging en gezinsvorming), de asielprocedure en tijdelijke vergunningen. Meer dan andere landen kent België een groot aantal Europese burgers onder haar nieuwkomers. Van de 49.200 toegelaten nieuwkomers in België in 1997 waren er 27.600 afkomstig van andere EU-landen. Recent onderzoek wijst uit dat Vlaanderen alleen tussen 1994 en 1998 gemiddeld 21.387 nieuwkomers per jaar telde. Cijfermatig blijkt bovendien dat Europa inzake het aantal nieuwkomers zeker niet moet onderdoen voor de zogenaamde immigratielanden als Australië, de VS en Canada.

Een actief migratiebeleid kan alvast proberen de migratie (hetzij van hoog en/of laaggeschoolden, tijdelijke of permanente migranten) te organiseren op basis van partnerschap, i.c. bi- of multilaterale akkoorden. In de onderhandeling met het land van herkomst moet niet enkel gesproken worden over emigratiemogelijkheden, ook andere factoren kunnen in de akkoorden opgenomen worden: het democratiseringsproces, de mensenrechten, handelsovereenkomsten, het creëren van een goed investeringsklimaat, aansturen op een geboortepolitiek, investeren in onderwijs, gezondheidszorg en tewerkstellingsprogramma’s. Uit de studies die aantonen hoeveel geld er van de gastlanden terugvloeit naar de herkomstlanden blijkt dat dergelijk mechanisme als een vorm van (geografische) herverdeling beschouwd kan worden. Veel is hierbij afhankelijk van het politieke en sociaaleconomische beleid in de landen van herkomst. Er moeten garanties zijn dat men daaraan wenst te werken. De betrokken landen moeten er zich ook toe verbinden elke vorm van brain drain tegen te gaan. Er kunnen ook incentives uitgewerkt worden voor een terugkeer- of rotatiesysteem. Migranten kunnen met een grotere kennis en ervaring terugkeren naar het land van herkomst. Er kunnen clausules opgenomen worden over de tewerkstelling van die migranten eenmaal ze terug zijn. Ook het bedrijfsleven kan hiervoor geëngageerd worden, bijvoorbeeld door middel van buitenlandse investeringen.

Uitnodiging om verder mee te denken

De migratierealiteit dient zich aan en niets wijst erop dat de migratie in de toekomst zal verminderen. Alleen al om pragmatische redenen moet men zich bevrijden van het keurslijf waarin het discours over de migratiestop ons dwingt. De migratiestop is een fictie en elke discussie over een voorzichtige afbouw van die stop is een non-discussie want op allerlei manieren is men daar al lang mee bezig. In de huidige fase van het kapitalistisch wereldsysteem is de vraag niet langer ‘moeten we vasthouden aan de migratiestop?’, maar ‘hoe en onder welke sociale condities en modaliteiten kan de migratie (via de huidige en eventueel via nieuwe kanalen) georganiseerd worden?’ Er moet hieromtrent een open denkproces starten waaraan verschillende maatschappelijke actoren participeren. Indien er wat creatiever zou nagedacht worden over het migratiethema zouden er ongetwijfeld ideeën uit de bus kunnen vallen die weldegelijk kansen in zich dragen voor de verschillende betrokken partijen. Ik ben me ervan bewust dat die reflectie heel wat meer kan en moet inhouden dan wat hierboven is neergeschreven, maar men moet ergens beginnen ...

Bibliografie
-
ABELLA, M. (2000), Sending workers abroad. A manual for low- and middle-income countries, ILO, Genève.
- DÍAZ-BRIQUETS, S. (1991), The effects of international migration on Latin America, in PAPADEMETRIOU, G. en MARTIN, Ph. (1991), The unsettled relationship: labor migration and economic development, Greenwoodpress, Westport.
- HIRSCHMAN, A. (1970), Exit, Voice and Loyalty, Harvard Univ. Press, Cambridge, Mass..
- MUUS, Ph. (1993), Internationale Migratie naar Europa. Een analyse van internationale migratie, migratiebeleid en mogelijkheden tot sturing van immigratie, met bijzondere aandacht voor de Europese Gemeenschap en Nederland, SUA, Amsterdam.
- RHODE, B. (1993), Brain drain, brain gain, brain waste: reflections on the emigration of highly educated and scientific personnel from Eastern Europe, in RUSSEL, K. (ed.) (1993), The new Geography of European Migrations, Belhaven Press, Londen/New York, 228-245.
- RICHMOND, A. (1994), Global Apartheid: Refugees, Racism, and the New World Order, Oxford university press, Toronto/New York/Oxford.
- SASSEN, S. (1999), Globalisering. Over mobiliteit van geld, mensen en informatie, Van Gennep, Amsterdam.
- STALKER, P. (1994), The work of strangers. A survey of international labour migration, ILO, Genève.
- STALKER, P. (2000), Workers without frontiers. The impact of globalization on international migration, ILO, Genève.
- STRAUBHAAR, T. en WOLBURG, M. (1998), Brain drain and brain gain in Europe. An evaluation of the East-European migration to Germany, paper voor het seminarie Managing Migration in the 21st Century, San Diego, 20 februari 1998.
- TEITELBAUM, M.S. en RUSSEL, S.S. (1997), Potentials, Paradoxes and Realities: Economic Development and the Future of International Migration, paper voor het seminarie Managing Migration in the 21st Century, Hamburg, 27-29 april 1997.
- WEINER, M. (1995), Theglobal migration crisis: challenge to states and the human rights, HarperCollins, New York.
- WETS, J. (1999), Waarom onderweg? Een analyse van de oorzaken van grootschalige migratie- en vluchtelingenstromen, proefschrift KULeuven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 10 (december), pagina 25 tot 36