Log in

Nice als voorbereiding tot de uitbreiding van de Europese Unie

DE EUROPESE UITBREIDING

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 8 tot 19

De 15 naties van de Europese Unie schuiven de oplossing van de problemen verbonden aan de uitbreiding van de Unie reeds meerdere jaren voor zich uit. In het volgende artikel1 wordt nagegaan hoe de conferentie van Nice voor elk van deze problemen een oplossing heeft gezocht.

DE EUROPESE UITBREIDING

Nice als voorbereiding tot de uitbreiding van de Europese Unie
Gaston Vandewalle
De Europese Unie: té belangrijk om enkel aan regeringsleiders over te laten
Anne Van Lancker, Stefaan Thijs en Jos Bertrand

Problemen die de conferentie moest oplossen

Een. Bij de oprichting van de EEG (nu EU) werden aan de kleinere lidstaten (Nederland, België, Luxemburg) meer stemmen toegekend in de ministerraad dan gerechtvaardigd door hun bevolkingsaantal. Op die manier werd belet dat de grote lidstaten (Frankrijk, Duitsland en Italië) alles zouden beslissen zonder rekening te houden met de belangen van de kleine naties. Bij elke uitbreiding van de EU werd hetzelfde principe aangehouden. De stemmen werden niet toegekend evenredig met de bevolking. De voorziene uitbreiding van de EU zal evenwel leiden tot het opnemen van bijna uitsluitend kleine naties. Alleen Polen vormt een uitzondering. Coalities van kleine naties zouden in de ministerraad hun wil kunnen opdringen aan de grote naties. Dat is onaanvaardbaar. Daarom was een herziening van de verdeling van de stemmen in de ministerraad noodzakelijk.
Twee. Elk land mocht totnogtoe minstens één kandidaat voordragen voor het ambt van commissaris. De grote lidstaten kregen elk twee commissarissen. Indien dit principe wordt aangehouden, zal het aantal commissarissen toenemen. Nu zijn er reeds twintig en het is uiterst moeilijk gebleken om de bevoegdheden van de commissie over zoveel personen te verdelen. Een beperking van hun aantal dringt zich op indien men betwistingen over de bevoegdheden van de leden wil voorkomen binnen de commissie.
Drie. Volgens de huidige statuten is voor ongeveer 20 pct. van alle beslissingen van de ministerraad eenparigheid vereist. Dit houdt in dat elke lidstaat de oplossing van een probleem onmogelijk kan maken door zijn veto te stellen tegen een bepaald voorstel. De ontduiking van de heffingen op interesten, door inning van de coupons in Nederland of Luxemburg, is een voorbeeld van een probleem dat door het gebruik van dit vetorecht moeilijk kan opgelost worden. Naarmate meer lidstaten toetreden, neemt het gevaar toe dat voor bijna elke beslissing waarvoor eenparigheid is vereist, één van hen zijn veto stelt en de werking van de EU verlamt. Daarom is het noodzakelijk dit vetorecht te vervangen door de vereiste aan een gekwalificeerde meerderheid voor de meeste beslissingen waarvoor nu eenparigheid vereist is. Hiermee wordt niet alleen bedoeld dat om een voorstel aan te nemen, er een groter aantal ja-stemmen nodig zijn dan voor een gewone meerderheid. Maar daarenboven dat de naties die voor het voorstel stemmen aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen (b.v. meer dan de helft van de lidstaten moet het voorstel bijtreden).
Vier. Als de nieuwe lidstaten hun zetels in het Europees parlement toegekend krijgen volgens de huidige normen, zou dat leiden tot een overmatige uitbreiding van deze instelling. Het is dus wenselijk de reglementering ter zake te herzien en meteen het aantal zetels te verminderen waarover de lidstaten nu beschikken.

De verdeling van de stemmen in de ministerraad en het Europees parlement

Voor het begin van de conferentie had de Italiaanse regering een voorstel uitgewerkt voor de toekomstige stemmenverdeling in de ministerraad. De grote lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië) zouden elk 33 stemmen krijgen tegen 10 nu. Spanje zou 26 stemmen verwerven in plaats van 8. Het aantal stemmen van deze naties zou ongeveer worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt 3,3. Van alle andere lidstaten zou men het aantal stemmen slechts verdubbelen, maar het Groothertogdom Luxemburg zou slechts één supplementaire stem krijgen (EP, 26 nov. 2000, p.7). De Duitsers protesteerden. Gezien de Bondsrepubliek door de hereniging nu meer dan 82 miljoen inwoners telt tegenover de 59,3 miljoen van Groot-Brittannië, de amper 59 miljoen van Frankrijk en de 57,6 miljoen van Italië, meende ze recht te hebben op drie stemmen meer dan de andere grote naties (FET, 12 dec. 2000, p.2). President Jacques Chirac van Frankrijk wou daar niet van horen. Hij wenste bij de Franse publieke opinie over te komen als de staatsman, die het Duitse streven naar een overwicht in de EU schaakmat zette.
Vóór de aanvang van de conferentie bezocht Chirac meerdere leiders van de lidstaten om ze te bewegen zich tegen het Duitse voorstel te verzetten. Dit lukte slechts gedeeltelijk. In Spanje bijvoorbeeld, antwoordde Aznar dat hij het verantwoord vond meer stemmen toe te kennen aan de Duitsers in de ministerraad (EP, 30 nov. 2000, p. 3). Er trad een verkoeling in tussen de leiding van Frankrijk en die van Duitsland. Van een gezamenlijk Frans-Duits voorstel op de conferentie van Nice kon in die omstandigheden geen sprake zijn.
De conferentie begon op donderdag 7 december, maar pas op zaterdag 9 december werd gestart met de bespreking van de punten die verband hielden met de expansie van de EU. Om de zitting voor te bereiden en een nieuw voorstel uit te werken over de verdeling van de stemmen in de ministerraad, had Chirac de vrijdagavond vooraf geïnformeerd naar de standpunten van de verschillende delegaties. De zaterdagmorgen legde hij een voorstel aan de delegaties voor. Dit voorzag een veel sterkere uitbreiding van het aantal stemmen van de grote naties dan van de kleine lidstaten. België en de meeste andere kleine landen verzetten zich tegen dit voorstel en de zondagmorgen bezorgde Chirac een nieuwe versie aan de regeringsleiders. Deze voorzag een uitbreiding van het aantal stemmen van de kleinste naties, namelijk Cyprus en Luxemburg en werd door de andere kleine landen als een provocatie aangevoeld. België, Finland, Oostenrijk en Portugal dreigden met een veto tegen dit voorstel en kregen de steun van Zweden en Griekenland.
Chirac moest zijn voorstel wijzigen. De nieuwe versie bevredigde evenwel nog niet alle deelnemers (FAZ, 12 dec. 2000, p.2). De verdeling van de stemmen in de ministerraad werd gekoppeld aan de verdeling van de zetels in het Europees parlement. De Duitse kanselier Gerhard Schröder en zijn minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer, waren bereid de eis om in de ministerraad over 3 extra stemmen te beschikken op te geven, maar bekwamen in ruil dat Duitsland in het Europees parlement zijn 99 zetels mocht behouden. Terwijl het aantal zetels van alle andere lidstaten met ongeveer 20 pct. werd verminderd.

Om het verzet van de kleine lidstaten tegen de aanspraken van de grote te sussen, kende Chirac aan de grote staten slechts 29 stemmen in de ministerraad toe in plaats van 33. Nederland kreeg in het voorstel van Chirac één stem meer dan België omdat het een grotere bevolking heeft, namelijk15,76 miljoen tegen 10,21 miljoen inwoners (FET, 12 dec. 2000, p.2). Premier Guy Verhofstadt protesteerde. Volgens hem moest men hetzelfde principe toepassen als Chirac had ingeroepen om aan Duitsland en Frankrijk evenveel stemmen toe te kennen, namelijk dat de bevolking niet het enige criterium mocht zijn. De Belgische afvaardiging wou aanvankelijk niet toegeven en dit ondanks het duidelijk misnoegen van de Duitsers, die niet aanvaardden dat zo’n klein land door zijn starre houding de vergadering deed aanslepen tot laat in de nacht van zondag op maandag.

Uiteindelijk werd een compromis bereikt. Nederland kreeg 13 stemmen in de ministerraad en België 12, maar ons land mocht 22 van zijn 25 zetels behouden in het volgend parlement. Ook Griekenland en Portugal, die ongeveer evenveel inwoners tellen als België, kregen 22 zetels. Er werd dus afgeweken van het principe dat de kleine staten 20 pct. van hun zetels moesten inleveren.
Daarna besprak men hoeveel stemmen in de ministerraad en zetels in het parlement, de nieuwe lidstaten zouden krijgen. Chirac wou ze in verhouding tot hun bevolking, minder stemmen en zetels geven dan aan de huidige lidstaten. Dit voorstel werd door Guy Verhofstadt bestreden. De discussie werd heftiger toen moest beslist worden hoeveel stemmen Polen zou bekomen. Chirac moest zich gewonnen geven. Polen kreeg evenveel stemmen in de ministerraad en zetels in het Europees parlement als Spanje, dat ongeveer evenveel inwoners telt (39,4 miljoen voor Spanje, 38,7 miljoen voor Polen (FET, 12 dec. 2000, p.2)). Volgens hetzelfde principe kreeg Litouwen zoveel stemmen en zetels toegewezen als Ierland. Ook alle andere nieuwe lidstaten zullen stemmen en zetels krijgen volgens hetzelfde principe. De tabel hiernaast toont de toekomstige stemmenverdeling in de ministerraad en de zetelverdeling in het parlement.

Stemrecht in de ministerraad en zetelverdeling in het Europees parlement

Zoals uit de tabel blijkt is er geen evenredigheid tussen het aantal stemmen en zetels, en de grootte van de bevolking in de diverse lidstaten. Waarom bijvoorbeeld het Groothertogdom Luxemburg met een bevolking van minder dan een half miljoen inwoners, 4 stemmen krijgt toegewezen en geen enkele parlementszetel moet afstaan is onduidelijk. Ook de ministaatjes Cyprus en Malta werden ruim bedeeld. Men zou denken dat Chirac zoveel stemmen en zetels aan de ministaatjes heeft toebedeeld om de indruk weg te nemen dat de machtspositie van de grote landen overmatig werd versterkt. Op 1 januari 2004 treedt de nieuwe verdeling van de parlementszetels in voege. Treden voor deze datum geen nieuwe lidstaten toe, dan blijft de huidige samenstelling van het parlement behouden tot de verkiezingen in 2009.

De noodzakelijke vermindering van het aantal Eurocommissarissen

Dit probleem leidde op de conferentie tot een confrontatie tussen de afgevaardigden van de grote en van de kleine staten. De kleine lidstaten wouden het recht behouden elk één van hun landgenoten voor het ambt van commissaris voor te dragen. De grote lidstaten hielden aanvankelijk vast aan hun recht twee commissarissen aan te duiden, maar gaven uiteindelijk toe. Ze zullen op 1 januari 2005, als het mandaat van de huidige commissarissen eindigt, slechts één kandidaat voor de functie van commissaris voordragen. De nieuwe lidstaten zullen ook telkens één kandidaat mogen aanduiden. Dit houdt in dat het globale aantal commissarissen zal aangroeien van 15 tot 27. Dat laatste getal zal bereikt worden als alle kandidaat-lidstaten zijn toegetreden. Van dan af zal het aantal commissarissen teruggebracht worden tot 20. Dat is het aantal dat werd voorzien in het Verdrag, zoals gewijzigd in Maastricht (art. 213 lid 1 van de geconsolideerde versies van het Verdrag, op.cit. p.47). Daartoe zal een beurtrol worden ingevoerd, waarbij alle lidstaten over gelijke rechten zullen beschikken (CIG Info, op.cit., pp. 1-2). Hoe dit mechanisme zal werken is in het Verdrag van Nice niet bepaald. Gezien het waarschijnlijk 10 jaar zal duren alvorens het 12de nieuw lid toetreedt, blijft er voldoende tijd over om dit delicaat punt te regelen.

De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de ministerraad aangeduid per gekwalificeerde meerderheid. Een lidstaat kan zich niet langer verzetten tegen de kandidatuur van een politicus van een andere lidstaat. Dit gebeurde toen de Belgische eerste minister Jean-Luc Dehaene zijn kandidatuur moest intrekken omdat de Britse eerste minister John Major zijn veto stelde. Het Europees parlement moet zich over de keuze van de voorzitter van de commissie uitspreken. Is er geen meerderheid voor de voorgedragen kandidaat, dan moet de ministerraad een nieuw voorstel uitwerken. De nieuwe voorzitter verdeelt de opdrachten van de commissie onder de door de ministerraad aanvaarde kandidaat-commissarissen. Het college in zijn geheel is daarna onderworpen aan een stemming in het Europees parlement (Traité de Nice, op.cit. art. 214 en 217, pp.47-48).

Chirac liet verstaan dat hij van de voorzitter van de commissie verwacht dat de kandidaten van de grote landen met de voornaamste opdrachten zullen belast worden (EP,11 dec. 2000, p2). De macht van de voorzitter van de commissie werd door het Verdrag van Nice in belangrijke mate uitgebreid. Hij verwerft volgens artikel 217 lid 2, het recht de bevoegdheden van de commissarissen te herschikken. Hij kan volgens lid 3 van hetzelfde artikel, een commissaris verplichten tot ontslag indien de meerderheid van de commissie het met hem eens is dat hun collega zijn ontslag moet indienen (Traité de Nice, op.cit., p.48). Voordien kon een commissaris slechts ontslagen worden krachtens een uitspraak van het Europees Hof van Justitie. Het hof moest uitmaken of hij nog aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldeed of op ernstige wijze was tekortgeschoten. Deze nieuwe regeling voorkomt een situatie zoals ontstond toen het slecht beheer van Edith Cresson aan het licht kwam. Ze wou geen ontslag nemen en het parlement was verplicht zijn wantrouwen uit te spreken ten opzichte van de hele commissie om haar tot aftreden te dwingen.

De beperking van het vetorecht

Het Verdrag zoals gewijzigd door de conferentie van Maastricht (1997), voorzag 70 gevallen waarin een beslissing in de ministerraad moest genomen worden bij eenparigheid. In de conferentie van Nice werd slechts in 29 gevallen de eis van eenparigheid vervangen door een goedkeuring met een gekwalificeerde meerderheid (TE, 16 dec. 2000, p. 25). De beslissing bij gekwalificeerde meerderheid zal bovendien in verschillende gevallen slechts intreden na een bepaalde periode. Voordien blijft het vetorecht van de lidstaten behouden.
De overgang naar stemming bij gekwalificeerde meerderheid gaat pas in, nadat alle parlementen van de lidstaten het Verdrag geratificeerd hebben voor volgende materies:
a. De akkoorden over handelsovereenkomsten met derde landen, de handel in diensten en de commerciële aspecten van de intellectuele eigendom. De ministerraad zal een speciaal comité oprichten en de leden hiervan benoemen. Dit comité moet samenwerken met de Europese Commissie. Deze laatste zal het comité regelmatig inlichten over de stand van de onderhandelingen (Traité de Nice, op.cit., art. 133, p.31). Frankrijk heeft evenwel bekomen dat het vetorecht behouden blijft voor overeenkomsten betreffende de handel in culturele, audiovisuele en educatieve diensten. De Fransen willen namelijk hun interne markt zoveel mogelijk beschermen tegen het Amerikaans overwicht in de sector van de film en de andere audiovisuele en culturele producten.
b. Voor bepaalde sociale maatregelen zoals het aanmoedigen van de samenwerking onder de lidstaten met het oog op de verbetering van de kennis, de uitwisseling van informatie en van betere methodes, en de bevordering van vernieuwende benaderingen voor zover dit niet leidt tot harmonisatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen in de lidstaten. Inzake de verbetering van het arbeidsmilieu, de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en de behandeling van de werknemers, mag de ministerraad bij gekwalificeerde meerderheid directieven uitschrijven met minimale voorschriften die progressief moeten ingevoerd worden. Deze voorschriften mogen evenwel geen administratieve, financiële of juridische verplichtingen inhouden die de oprichting en ontwikkeling van de kleine en middelgrote ondernemingen zouden afremmen (Traité de Nice, op.cit., art. 137 lid 2, pp. 33-34).

Andere sociale maatregelen zoals de bescherming van werknemers in geval van afdanking, de collectieve verdediging van hun belangen, het medebeheer inbegrepen, en de sociale zekerheid en sociale bescherming van de werknemers blijven onderworpen aan goedkeuring bij eenparigheid (Ibidem art. 137, p.34). De Britse afvaardiging heeft zich verzet tegen de opheffing van haar vetorecht voor deze materies, omdat ze vreest dat Duitsland en Frankrijk met de steun van de Benelux-landen en de Scandinavische lidstaten, sociale maatregelen zouden opdringen aan de Britse ondernemers.
De beslissing bij kwalitatieve meerderheid werd ook ingevoerd voor een aantal regelingen in verband met de procedure van het Europees Hof van Justitie en de Rechtbank van Eerste Aanleg alsook voor benoemingen van leden van het Rekenhof, het Economisch en sociaal comité en het Comité van de Regio’s (CIG info, op.cit. p5). Voor de meeste andere aangelegenheden waarvoor het vetorecht werd opgeheven, zal dat slechts gebeuren met een uitstel van vier tot vijf jaar. De voorwaarden voor het vrije verkeer van inwoners van derde landen zullen zo slechts kunnen geregeld worden bij stemming met gekwalificeerde meerderheid vanaf 1 mei 2004. Hetzelfde geldt voor de regeling van een gemeenschappelijk beleid inzake clandestiene immigratie en voor de samenwerking onder de nationale administraties (Traité de Nice, op.cit. artikel 62 lid 3, 63 lid 3 en 66).
Over de verdeling van de gelden van de Structuur- en Cohesiefondsen kunnen beslissingen bij gekwalificeerde meerderheid pas vanaf 1 januari 2007 genomen worden (Traité de Nice, op.cit., art. 161 p.39). Dit zal Spanje toelaten zijn veto te stellen tegen voorstellen die zijn aandeel in de gelden van de Structuur- en Cohesiefondsen zouden verlagen. In 2006 keurt de ministerraad de financiële perspectieven goed voor de volgende periode, dus voor de periode 2007-2013. Dankzij zijn vetorecht kan Spanje dan druk uitoefenen om de globale bedragen voor de Structuur- en Cohesiefondsen zo te verhogen, dat het zelfs na de toetreding van nieuwe lidstaten verder veel geld krijgt toegeschoven. Of dit zal lukken is niet zeker, want de Duitse afvaardiging beschikt ook over een vetorecht en zal zich waarschijnlijk verzetten tegen een overmatige stijging van de last van de Structuur- en Cohesiefondsen. In 2007 zal in de ministerraad een harde strijd worden geleverd om de verdeling van die fondsen tussen de oude lidstaten en de nieuwe. Deze verdeling zal evenwel beslist worden bij gekwalificeerde meerderheid.

De gekwalificeerde meerderheid

De eisen voor het bereiken van een gekwalificeerde meerderheid zijn niet verzacht. Integendeel, het is iets moeilijker geworden om zo’n meerderheid te bereiken. In de geconsolideerde versies van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap was voorzien dat met gekwalificeerde meerderheid bedoeld wordt (art.205 lid 2):
- dat het voorstel 62 stemmen heeft bekomen op 87, indien het moet worden genomen op voorstel van de commissie;
- dat het 62 stemmen heeft verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen, in de andere gevallen.
Er waren dus 26 stemmen nodig om een voorstel te verwerpen, dit is ongeveer 30 pct. De nieuwe regeling inzake stemmenverdeling gaat in op 1 januari 2005. Er werd aangenomen dat naarmate meer staten toetreden, het percentage van de benodigde ja-stemmen om een voorstel goed te keuren geleidelijk zal verhoogd worden. Dat percentage zou uiteindelijk 73,4 bedragen, hetgeen overeenkomt met 253 stemmen op 345. Er zouden dus 93 stemmen nodig zijn om een voorstel te blokkeren. Tijdens de vergadering van de ministerraad werd evenwel uit het oog verloren dat men bij de 342 reeds toegekende stemmen, 2 stemmen voor Roemenië en 1 voor Litouwen moest tellen. Die waren toegevoegd geworden op het einde van de vergadering. Men rekende bijgevolg 73,4 pct. van 342 en niet van 345. Hierdoor kwam men tot de slotsom dat 91 stemmen voldoende waren om een voorstel te blokkeren. Na heel wat discussie na de conferentie werd dit getal weerhouden. Hierdoor daalt het blokkeringspercentage tot 26,4 pct. (DS, 12 dec. 2000, p.6 en inlichtingen ingewonnen bij de bevoegde diensten). Blokkering wordt daarenboven gemakkelijker omdat er aanvullende voorwaarden voorzien zijn voor de goedkeuring van een voorstel. Indien het een voorstel van de commissie betreft, moeten de beslissingen bij gekwalificeerde meerderheid genomen worden door een meerderheid van de lidstaten. Indien het geen voorstel van de commissie betreft, is een ja-stem nodig van tweederde van de lidstaten. Laatstgenoemde voorwaarde is identiek aan deze voorzien in de overeenkomst van Maastricht, maar voor beslissingen op voorstel van de commissie moest geen aanvullende voorwaarde vervuld worden.
Elk lid van de ministerraad kan vragen om na te gaan of de lidstaten die het voorstel hebben goedgekeurd, 62 pct. van de bevolking van de EU vertegenwoordigen. Als dat niet zo is, wordt het voorstel niet aangenomen (Ibidem). Deze clausule laat aan enkele grote staten toe, waaronder Duitsland, een voorstel te blokkeren dat door de grote meerderheid van de kleine lidstaten werd goedgekeurd. In de periode onmiddellijk na het invoeren van de nieuwe stemmenverdeling en vóór de toetreding van nieuwe lidstaten is het voldoende dat Duitsland, Groot-Brittannië en bijvoorbeeld Denemarken, samen tegenstemmen opdat de 62 pct. van de bevolking niet zou bereikt worden. Na de toetreding van de nieuwe lidstaten wordt het moeilijker om beslissingen op die basis te blokkeren, maar zal Duitsland gemakkelijk bondgenoten vinden onder de Oost-Europese landen (vooral Polen en Tsjechië) die economisch in sterke mate met Duitsland zijn verbonden.

De beoordeling van de resultaten van de conferentie

Bijna alle commentatoren waren het er erover eens dat de conferentie van Nice niet de resultaten heeft opgeleverd, die men ervan mocht verwachten.
De voorzitter van de Europese Commissie verborg zijn ontgoocheling niet. Hij wees erop dat de commissie een hele reeks voorstellen klaar had om het vetorecht zoveel mogelijk te beperken. Maar de vertegenwoordigers van de grote landen hebben het grootste deel van die voorstellen afgewezen. De Finse eerste minister Paavo Lipponen en de Portugese minister van Europese zaken Francisco Seixas da Costa waren ook niet tevreden. Lipponen meende dat de te gemakkelijke blokkering van beslissingen in de ministerraad de opname van nieuwe landen in de Unie zal bemoeilijken. Te veel staten hebben er belang bij dat de EU niet wordt uitgebreid. Om een snelle economische vooruitgang in de nieuwe lidstaten mogelijk te maken, zullen torenhoge bedragen aan subsidies nodig zijn en weinig regeringsleiders zijn bereid de kosten op hun bevolking af te wentelen. Volgens Francisco Seixas da Costa bleven de resultaten van de conferentie van Nice ver van wat nodig is om de EU uit te breiden (FET, 12 dec. 2000, p.2). In het Europees parlement werd eveneens geklaagd over het povere resultaat van de conferentie. De waarnemers van het Europees parlement op de conferentie van Nice, de christendemocraat Brok en de Griekse sociaaldemocraat Tsatsos, gewaagden van een rampzalig resultaat. Ze sloten niet uit dat het parlement het Verdrag zou afwijzen (NRC, 12 dec. 2000, p.2). De voorzitter van de partij van de Europese socialisten, Enrique Barón, betreurde dat te haastig werd beslist over belangrijke zaken (Groupe parlementaire des socialistes européens, Communiqué de presse, 10 dec. 2000, p.1).

De regeringshoofden van de drie grote staten, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië, waren minder pessimistisch. Chirac was van mening dat hij de top goed had geleid en door de conferentie van Nice de mogelijkheid was geschapen om de EU uit te breiden. Schröder meent eveneens dat een belangrijke stap werd gezet in de richting van een opening van de EU voor nieuwe Europese staten. Hij verklaarde dat de resultaten van de conferentie van Nice beter waren dan die van de conferentie van Amsterdam. Het verzet tegen de beslissingen van Nice in het Europees parlement was naar zijn mening van weinig betekenis. Het parlement is immers niet bevoegd om dit akkoord af te wijzen. Het mag alleen een advies geven. Dat wellicht het Belgisch en Italiaans parlement op basis van zo’n negatief advies het akkoord niet zouden ratificeren acht hij weinig waarschijnlijk. Zo’n weigering zou immers het proces van expansie volledig blokkeren (FAZ,14 dec. 2000, p.4). Schröders tevredenheid is niet zo verwonderlijk. Chirac heeft in Nice een Pyrrusoverwinning behaald. Door de mogelijkheid een beslissing te blokkeren op basis van een bevolkingscriterium, heeft Schröder een machtig wapen verworven om de lidstaten ertoe aan te zetten de Duitse voorstellen te steunen.

Niemand zal wensen de Duitsers tegen het hoofd te stoten uit schrik dat ze, in alliantie met enkele andere grote landen, stelselmatig voorstellen afwijzen die men voor het eigen land voordelig acht. Daarenboven is Schröder ook tevreden dat het vetorecht behouden werd voor de communautaire regelingen inzake immigratie. Naar het voorbeeld van de Verenigde Staten en Australië, wenst hij in Duitsland alleen de immigranten toe te laten die het land nodig heeft voor de verdere groei van zijn economie (LF, 21 dec. 2000, p.10 en EP, 11 dec. 2000, pp. 2 en 4).

Samen met Aznar, wordt Blair door sommige commentatoren beschouwd als de politicus die voor zijn land het meest voordeel uit het verward congres heeft verworven. Hij is erin geslaagd het vetorecht te bewaren voor de grote meerderheid van de sociale aangelegenheden en voor alle fiscale zaken. Dit betekent dat hij kan beletten dat sociale en fiscale maatregelen die het voor multinationale maatschappijen minder aantrekkelijk maken om zich te vestigen in Duitsland, Frankrijk en de Benelux-landen, ook in Groot-Brittannië ingevoerd worden. De Italiaanse premier Giuliano Amato sprak zijn ontgoocheling uit over de geringe vooruitgang inzake beperking van het vetorecht. Naar hem wordt evenwel niet meer geluisterd. Italië houdt parlementsverkiezingen in april van dit jaar en het staat nu reeds vast dat Amato geen premier meer wordt. Ofwel wint een coalitie van rechtse partijen onder leiding van Silvio Berlusconi, ofwel een coalitie van linkse partijen onder leiding van de liberale burgemeester van Rome Francesco Rutelli (TE,16 dec. 2000, p.31). Indien Berlusconi wint is het risico groot dat Italië, net als Spanje onder Aznar, een meer nationalistische weg inslaat en hierdoor de Europese integratie bemoeilijkt wordt. In ons land was men in liberale kringen uiteraard erg enthousiast over de prestaties van Guy Verhofstadt, die erin geslaagd is een vooraanstaande rol te spelen bij de verdediging van de belangen van de kleine naties. Zelfs het katholieke dagblad De Standaard vindt dat Verhofstadt een pluimpje verdient omdat hij met succes opkwam voor de belangen van de kleine lidstaten (DS, 13 dec. 2000, p.6). De Belgische pers is evenwel in het algemeen vrij pessimistisch over de resultaten van de conferentie. Filips de Schoutheete, gewezen vertegenwoordiger van België bij de EU, schreef in Le Soir dat de beslissingen van Nice zo gecompliceerd zijn, dat het moeilijk is ze aan de burgers van de EU uit te leggen. Dit versterkt de neiging van de inwoners van de lidstaten om zich van de Europese zaak te distantiëren (LS, 21 dec. 2000, p.7). De Financieel Economische Tijd spreekt over een kater in de Belgische politieke wereld na ‘de nederlaag’ van Nice. De voorzitter van de PS, Elio di Rupo, verweet aan de ministers van de vijftien lidstaten dat ze geen duidelijke finaliteit nastreven. Volgens Agalev werd er ondanks de pogingen van Guy Verhofstadt en de minister van buitenlandse zaken, Louis Michel, weinig vooruitgang geboekt inzake de Europese integratie. CVP-voorzitter Stefaan De Clerck verweet aan de Belgische delegatie dat ze de top degradeerde tot een gevecht tussen België en Nederland (FET, 12 dec. 2000, p.6).

Welk model voor de EU?

Voor de toekomstige evolutie van de EU werden vier verschillende modellen ontwikkeld:
1) Tony Blair streeft een snelle uitbreiding na van het aantal lidstaten maar wenst het gemeenschappelijk beleid tot een minimum te beperken. De EU zou dus niet veel meer zijn dan een vrijhandelszone. Door behoud van het vetorecht voor alle belangrijke beslissingen zou er belet worden dat de nationale overheden hun vat verliezen op het fiscaal en sociaal beleid (EP, 18 juni 2000, p.4). Blair vond in oktober 2000 steun voor zijn visie bij de Spaanse premier José Maria Aznar. Samen richtten ze een brief aan Romano Prodi waarin ze een uitbreiding van de samenwerking onder de lidstaten op het gebied van onderwijs en technische vorming bepleitten en opkwamen voor een liberalisatie van alle markten binnen de EU (EP,28 okt. 2000, p.19).
2) Hubert Védrine, de Franse minister van buitenlandse zaken, is voorstander van een geleidelijke vooruitgang naar grotere samenwerking op meerdere gebieden. Hij wenst geen duidelijk project te formuleren omdat dit de tegenstellingen tussen de aanhangers en de tegenstanders van een federale Europese staat versterkt. Naarmate de problemen zich voordoen zullen de leiders van de lidstaten verplicht zijn een oplossing te zoeken. Zo zal men geleidelijk evolueren naar een sterkere integratie van het politiek en economisch beleid van de lidstaten (EP,18 juni 2000, p.4).
3) Joschka Fischer, de Duitse minister van buitenlandse zaken, verdedigde op 12 mei 2000 in een rede aan de Humbold Universiteit te Berlijn een voorstel om de structuren van de EU te hervormen naar het model van de Verenigde Staten. De EU zou geleid worden door een president, die zou verkozen worden bij algemeen stemrecht. De Europese Commissie zou vervangen worden door een college van ministers, waarvan zoveel mogelijk leden van verschillende lidstaten zouden deel uitmaken. In plaats van het Europees parlement zouden twee kamers de wetgevende macht uitoefenen, één met rechtstreeks verkozen leden en één met leden van de nationale parlementen (EP,7 juli 2000, p.5).
4) Jacques Chirac reageerde op de voorstellen van Fischer in een rede voor de Rijksdag. Hij wees erop dat vele lidstaten niet bereid zijn toe te treden tot een federaal Europa. Daarom is het beter dat Duitsland en Frankrijk de kern vormen van een pioniersgroep van lidstaten, die een grotere integratie wensen dan voor de andere aanvaardbaar is. Vooral op het gebied van defensie en economisch beleid zou men tot snelle resultaten kunnen komen. De voordelen van zo’n beleid zouden er de niet-deelnemende lidstaten toe aanzetten ook tot de pioniersgroep toe te treden (TE,1 juli 2000, pp.31-32).

Wat na Nice ?

Op de conferentie van Nice bereikten Blair en Chirac de realisatie van een deel van hun project. Blair kon beletten dat het vetorecht voor fiscale en sociale aangelegenheden werd afgeschaft, maar moest een versoepeling aanvaarden van de voorwaarden voor de vorming van een pioniersgroep binnen de EU. Hij bekwam evenwel dat het defensiebeleid uitgesloten bleef van deze versterkte coöperatie (Traité de Nice, op.cit.,p.16).
Voortaan kan zo’n groep gevormd worden als minstens acht lidstaten bereid zijn toe te treden. De lidstaten die zo’n groep wensen te vormen dienen een voorstel in bij de Europese Commissie. Deze maakt het project over aan de ministerraad, die na raadpleging van het Europees parlement bij gekwalificeerde meerderheid beslist of het voorstel uitgaande van de commissie wordt goedgekeurd. Indien de versterkte coöperatie betrekking heeft op een domein waarvoor de meer uitvoerige procedure nodig is, voorzien door art. 251 van het Verdrag van Maastricht, moet deze worden toegepast. Ze voorziet in een gelijktijdige behandeling van het project in de ministerraad en in het Europees parlement.

Vooral in sociale materies, problemen van vervoerpolitiek en bescherming van het milieu en de consumenten moet men deze procedure volgen. Daarenboven moet bij vele van deze materies het advies worden ingewonnen van het Economisch en Sociaal Comité en (of) van het Comité van de Regio’s. Het is dus uitgesloten dat in al deze materies de pioniersgroep vrij snel vooruitkomt. Om binnen beperkte tijd enkele successen te boeken zal hij zich best richten naar de delicate kwesties van het fiscaal en economisch beleid. De lidstaten die zijn toegetreden tot de Euro, zouden zo’n pioniersgroep kunnen vormen.

Voorbereidend werk zal geleverd worden door de zgn. Eurogroep, die onder voorzitterschap van de Belgische minister van financiën Didier Reynders, gedurende het jaar 2001 de mogelijkheden zal bestuderen voor een coördinatie van het economisch beleid van de 12 lidstaten van de Euro met het monetair beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) (L‘écho,19 dec. 2000, p. 1). Als België dan op 1 juli 2001 het voorzitterschap van de ministerraad van Zweden overneemt, zou een project voor zo’n versterkte samenwerking kunnen uitgewerkt worden. Dan kan de procedure worden aangevat voor de versterkte samenwerking op economisch en monetair vlak.

Zo’n project zal op heel wat moeilijkheden stuiten. Het is niet duidelijk of Schröder zo’n evolutie wenst te ondersteunen. Hij wil in de eerste plaats de goede verstandhouding met Frankrijk herstellen. De povere resultaten van de conferentie van Nice bewijzen immers dat zonder een goede Frans-Duitse samenwerking weinig vooruitgang wordt geboekt op het gebied van de Europese eenmaking. Dit betekent evenwel niet dat hij bereid is de plannen van Chirac zonder meer over te nemen (EP, 17 dec. 2000, p.8). Op de conferentie van Nice werd op zijn voorstel besloten in 2004 een nieuwe conferentie te houden met het oog op het afbakenen van de bevoegdheden van de beleidsorganen van de EU, van de nationale staten en van de deelstaten. Dat kan leiden tot nieuwe wrijvingen tussen Duitsland en Frankrijk, want de Fransen zijn voorstander van een sterk gecentraliseerde staat, die een interventionistisch economisch beleid kan voeren. Schröder daarentegen moet rekening houden met de tradities van de Duitse deelstaten. Ze beschikken over een vrij grote autonomie op economisch vlak en wensen niet door de nationale staat of de EU hiervan beroofd te worden. Al evenmin is het zeker dat alle lidstaten van de Eurogroep bereid zijn gemeenschappelijke normen voor hun economisch beleid te aanvaarden. Vooral de Spaanse regering is niet erg gesteld op een sterke inmenging van een Europees orgaan in haar economische politiek. Tenslotte zal Didier Reynders ook rekening moeten houden met de verlangens van de huidige gouverneur van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg. Hoewel hij uitgenodigd was, is hij niet verschenen op de eerste vergadering van de Eurogroep onder voorzitterschap van Reynders. Wellicht beschouwt hij het verlangen van Reynders om een brug te slaan tussen het economische en het monetaire beleid als een ongewenste inmenging in zijn bevoegdheden. Bij de oprichting van de ECB in juni 1998 werd voorzien dat Wim Duisenberg na vier jaar zou opgevolgd worden door de gouverneur van de Banque de France, Jean-Claude Trichet (TE, 6 jan. 2001, p.61). Deze Fransman zou uiteraard niet weigerachtig staan tegenover een project dat van Frankrijk uitgaat. Maar Trichet is verwikkeld geraakt in discussies over de financiële en politieke steun die de Banque de France aan de Crédit Lyonnais verleende, die financiële moeilijkheden heeft. Het is niet zeker dat de beheerraad van de ECB nog voldoende vertrouwen heeft in Trichet om hem als opvolger van Duisenberg aan te stellen (TE,13 jan. 2000, p.1). Ondertussen zal de Zweedse eerste minister, Göran Persson, trachten als voorzitter van de ministerraad van 1 januari tot 30 juni 2001, iets wat vooruit te komen inzake de samenwerking tussen lidstaten voor het scheppen van werkgelegenheid, het verbeteren van de bescherming van het milieu en de voorbereiding van de intrede van nieuwe lidstaten. Het leidend Zweedse dagblad Dagens Nyketen, vreest evenwel dat hij in geen enkel van deze gebieden veel vooruitgang zal boeken. Niet alleen zal hij veel aandacht moeten besteden aan de hangende handelsconflicten met de Verenigde Staten, maar hij kan ook moeilijk een beleid voeren dat erg gericht is op een betere integratie van Zweden in de EU, want dit gaat in tegen het verlangen van de meerderheid van de Zweedse bevolking. Slechts 37 pct. van de Zweden is voorstander van het lidmaatschap van de EU (FET, 2 jan. 2001, p.1 en 14 dec. 2000, p.14).

Schröder is in januari naar Stockholm gereisd om de toekomstige agenda van de ministerraad met Persson te bespreken. Hij is zich meer bewust dan de Zweden dat de opname van nieuwe lidstaten geen gemakkelijke onderneming zal worden, omdat de economie van de gewezen DDR na 10 jaar van massieve hulpverlening nog altijd niet is gesaneerd. Hij zal Persson waarschijnlijk aanzetten tot omzichtigheid in deze aangelegenheid. In geen geval mag de opname van nieuwe lidstaten leiden tot een massale immigratie van de inwoners van die landen naar de huidige lidstaten. Volgens Schröder zullen er minstens 7 jaar moeten voorbijgaan voordat er sprake kan zijn van vrij verkeer van personen tussen de nieuwe en de oude lidstaten (EP,19 dec. 2000, p.9). Voor de harmonisering van de milieuwetgeving zal Schröder ook geleidelijkheid bepleiten, want vooral in de gewezen DDR zijn er nog heel wat bedrijven die niet aan de strenge Zweedse milieunormen voldoen.
Tijdens het eerste halfjaar van 2001 zal waarschijnlijk weinig vooruitgang worden geboekt inzake Europese integratie. Wat daarna zal gebeuren, als België het voorzitterschap van de ministerraad overneemt, is moeilijk te voorspellen. Verhofstadt beloofde dat hij de vergadering van Laeken in december van dit jaar goed zal voorbereiden. Op die vergadering zou een kalender worden opgemaakt van de werkzaamheden voor de volgende drie jaar om de conferentie van 2004 voor te bereiden (LM, 12 dec. 2000, p. 2).

Conclusie

Er is een nefaste wisselwerking ontstaan tussen de trage vooruitgang van de Europese eenmaking en het tanende enthousiasme van de Europeanen voor die eenmaking. Door de anti-Europese mentaliteit van een groot deel van de bevolking, worden de politici van de verschillende landen ertoe aangezet vooral de nationale belangen te verdedigen op de samenkomsten van de leiders van de verschillende Europese landen. Er wordt zo niet veel vooruitgang geboekt in de Europese integratie en dat geeft aanleiding tot eindeloze onderhandelingen en nachtzittingen, die het prestige van de hele Europese onderneming ondermijnen. De conferentie van Nice was een droevige illustratie van deze evolutie.

Noot
1. Ik dank Anne Van Lancker, europarlementslid, en Bernard Tuyttens, lid van het secretariaat van de Europese Socialistische Partij, voor de verstrekte informatie en documentatie. Zonder hun welwillende medewerking was deze studie niet mogelijk geweest.

Gebruikte afkortingen:
CIG Info : Observatoire social européen
LM : Le Monde
FET : De Financiële Economische Tijd
LS : Le Soir
DS : De Standaard
NRC : NRC Handelsblad
EP : El País
FAZ : Frankfurter Allgemeine Zeitung
TE : The Economist
LF : Le Figaro

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 8 tot 19