Log in

Culturele assimilatie, arbeidsintegratie en taalbeheersing

Ontwikkelingen in het Nederlandse inburgeringsbeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 11

Sinds 1994 kent Nederland een officieel inburgeringsbeleid voor nieuwkomers. In 1998 is de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) van kracht geworden. Deze inburgering is gestart ten tijde van een aanbodoverschot op de arbeidsmarkt en vanuit de vaststelling (Van der Zwan & Ent­zinger 1994) dat er een mismatch bestaat tussen wat de Nederlandse diensten- en kennis­eco­nomie vraagt en wat nieuwkomers te bieden hebben. De ideologie die bij de invoering van inbur­geringsprogramma’s behoorde, is die van het arbeidsproces als integratiemotor en ver­plich­te inburgering als zwengel. In de kern werd integratie van etnische minderheden ge­de­fi­nieerd als een sociaaleconomisch vraagstuk dat op het niveau van de individuen die het betrof moest worden aangepakt. Dat was een breuk met de tot dan geldende overheidsideologie van inte­gratie met behoud van eigen culturele identiteit die veel meer op groepsniveau gedefinieerd was.

De nieuwe analyse luidde dat de gebrekkige maatschappelijke participatie van minder­heden te wijten was aan kwalificatietekorten die arbeidsdeelname in de weg stonden. Deel­name­verplichting werd gerechtvaardigd onder verwijzing naar de tekortschietende capaciteiten van nieuw­komers. Re­centelijk is er sprake van een koerswijziging: taalbeheersing is het nieuwe ge­bod. Hierna zetten we in het kort het programma en de organisatie van de inburgering uiteen. Daar­na be­lichten we de problemen die daarbij zijn ontstaan. Aan de hand daarvan gaan we in op de ideologische grondslagen van het inburgeringsbeleid. Van ar­beidsintegratie naar taalbeheersing, met steeds opnieuw een flinke dosis culturele assimilatie. In onze slotconclusie plaatsen we onze bevindingen in het kader van de huidige paarse links-li­berale politieke verhoudingen in Nederland en van het terugtreden van de centrale over­heid.

Inburgering

Programma en organisatie

Het inburgeringsprogramma voor nieuwkomers in Nederland behelst trajectbegeleiding en een edu­catief traject. Trajectbegeleiding beoogt nieuw­komers te coachen en te motiveren bij het door­lopen van de verschillende programma-onderdelen en de voortgang van het proces te be­waken. Het educatieve traject bestaat uit: Neder­lands als Tweede Taal (NT2), Maatschappij Oriëntatie (MO) en Be­roepen­oriëntatie (BO), waarbij MO en NT2 door­gaans geïntegreerd worden. Het traject neemt ongeveer 600 uur in beslag, waarvan 50 uur voor Beroepenoriëntatie, en dient binnen twaalf maanden afgerond te worden. Voor Nederlands als Tweede Taal zijn er zes start­profielen voor gealfabetiseerde nieuwkomers, afhankelijk van de hoogte van de voor­opleiding, het studie­tempo en de zelfstandigheid van werken. Daarnaast zijn er twee startprofielen voor niet (in het Latijnse schrift) gealfabetiseerde nieuwkomers, die vervolgens op het laagste niveau uitstromen. Er zijn zes startmomenten in een jaar. Met behulp van een intaketoets wordt het startprofiel van de betrokkene vastgesteld. Door middel van voortgangstoetsen wordt bepaald wat de vorde­rin­gen van een cursist zijn en of er aanleiding is voor overplaatsing naar een andere cursusgroep. Aan het einde van het educatief traject maakt elke nieuwkomer de NT2 Profiel­toets Inburgering. Nieuwkomers die de eindtoets hebben afgelegd, ontvangen een certificaat en krijgen advies over verdere mogelijkheden. Er worden drie eindniveaus onderscheiden. Bij ‘sociale zelfredzaamheid’ beschikt de nieuw­ko­mer over voldoende kennis en vaardigheden voor zinvolle maatschappelijke parti­ci­patie zonder zicht op (betaald) werk of vervolgopleiding. In geval van ‘educatieve zelf­red­zaam­heid’ wordt betrokkene in staat geacht om deel te nemen aan vervolgonderwijs of be­roeps­educatie. ‘Professionele zelfredzaamheid’ wil zeggen dat actieve arbeids­par­ti­ci­pa­tie tot de mogelijkheden be­hoort. Met de overdracht naar vervolgonderwijs, beroeps­edu­ca­tie of arbeids(markt)orga­ni­sa­ties wordt het in­burgeringsprogramma afge­sloten. Het gemeentelijke Bureau Nieuwkomers (BN) is belast met aanschrijving, registratie, intake en trajectbegeleiding. Tevens dient het Bureau Nieuwkomers de samenwerking tussen alle betrokken organisaties te coördineren.

Problemen

In de beginjaren kende de samen­wer­king tussen verschillende betrokken gemeentelijke instel­lin­gen vele pro­blemen en waren de po­si­tie en bevoegdheden van het Bureau Nieuwkomers omstreden (Speijers 1993: 32). Ook was de re­la­tie tussen de gemeentelijke instanties en de educatieve in­stel­lingen waar de nieuw­komers werden geplaatst, niet zonder spanningen. Het aantal in­stroommomenten per cursus­jaar, de se­lectiecriteria, het aanbod, de eind­termen en het toet­sen hiervan vormden de in­zet van deze strijd (De Valk 1995). Deze organisatorische knel­punten mogen dan deels zijn ver­hol­pen (Brink et al. 1997; IO 1997); uit recente onderzoeksrapporten en overheidsrapportages (BZK 2000; Boutachekourt et al. 1999) blijkt dat de uitvoering van de WIN nog steeds kampt met een gebrekkige coördinatie op gemeentelijk niveau. Er is niet alleen sprake van een tekort aan docenten en van een financieel-administratieve chaos. De discrepanties tussen het geschatte en het werkelijke aantal starters alsmede tussen star­­ters en geslaagden zijn gigantisch, met alle financiële gevolgen van dien. Omdat het inbur­ge­ringsbudget dat aan de educatieve instellingen wordt uitgekeerd afhankelijk is van het aantal eind­toetsen dat gemaakt is, ongeacht het in­houdelijk resultaat en er veel uitval is, zijn de in­stel­lin­gen ertoe overgegaan om inburgeraars zo snel mogelijk een eindtoets te laten maken. Zo hoeft men het geld niet mis te lopen. Een ander gevolg is de paradoxale combinatie van wacht­lijsten én lege lokalen, één van de hardnekkige problemen die het inburgeringsbeleid vanaf het be­gin parten speelt (Schedler & Glastra 1996). Het blijkt vaak moei­lijk om nieuwkomers in te laten stromen vanwege hun hoge ver­huis­frequentie en registratieproblemen bij de be­trokken gemeentelijke diensten. Het aan­tal cursisten blijft meestal achter bij de prognoses. De leslokalen voor nieuw­komers blijven regelmatig leeg staan, ter­wijl andere groe­pen, zoals vrouwen en lang­durig werklozen, worden geconfronteerd met wachtlijsten. Dat geldt ook voor ‘oudkomers’, allochtonen die al langer in Nederland verblijven en zich in groten getale voor NT2-cursussen aanmelden (Speijers 1993: 21; IO 1997: 8).
Studies naar de educatieve profielen van nieuwkomers (Abbenhuis et al. 1995; Cou­mou et al. 1995) hebben duidelijk gemaakt dat nieuwkomers verschillen in educatieve en professionele achtergronden, belangen en behoeften. Zo zijn vrouwelijke nieuwkomers naast inburgering ook gericht op zorg- en opvoedingstaken. Kinderopvangmogelijkheden zijn weliswaar op de agenda gezet, maar schieten nog steeds tekort. Vluchtelingen en asielzoekers behoren tot de hoger ge­schoolden. De meesten onder hen hebben er in eerste instantie be­hoef­te aan om met rust ge­laten te worden. Zij wensen hun (psycho­-sociale) problemen op te lossen en een begin te ma­ken met de ver­werking van hun erva­ringen. Voor alle nieuwkomers geldt dat er een grote drang is om in het inkomen te voorzien; een arbeidsplek krijgt meestentijds voorrang boven inburgering. Kortom, er is een ge­brek aan moge­lijkheden tot educatief maatwerk. Niet alleen analfabeten, maar ook hoog ge­schoolden zijn de dupe hiervan (Brink et al. 1997: 125; Van Rossum & Visser 1998). Hoewel een gevarieerd aanbod van registratievolgsystemen voorhanden is, is er nog steeds sprake van gebrekkig inzicht in de resultaten van inbur­gerings­beleid (Brink et al. 1997: 10; Burik 1998; BZK 2000). We moeten het doen met ruwe schattingen en die stemmen niet op­ti­mis­tisch. Zo werd in 1995 voor een grote stad als Den Haag een schrik­barende uit­val van 40 tot 60% ge­rap­porteerd (Abbenhuis et al. 1995: 109). Persoon­lijke problemen, ge­brek aan studie-ervaring, tegenvallende resul­ta­ten en te hoge verwach­tingen van deel­ne­mers, tekort aan kinderopvang, werk (vgl. Brink et al. 1996), maar ook over­plaatsingen van erkende vluch­te­lin­gen lagen aan uit­val ten grondslag (vgl. ook Brink et al. 1997). Vooral de taal is en blijft een groot pro­bleem. De stoom­cursus van 600 uur geeft nieuwkomers in de praktijk te weinig taal­vaardigheid voor een directe be­middeling naar werk. Vooral in de eerste jaren van het inbur­ge­ringsbeleid, wanneer er nog sprake is van krapte op de arbeidsmarkt, blijkt dit een knelpunt. De arbeidsbureaus verwijzen hen weer terug naar de edu­ca­tie­ve instel­lin­gen. Uit onderzoek (IO 1997) blijkt dat het minimaal nodig geachte taalniveau voor educatieve en pro­fes­sio­nele zelf­red­zaam­heid slechts door 6% doorgaans hoog op­geleide nieuw­komers ge­haald werd. Ook meer re­cente cijfers geven weinig reden tot op­ti­mis­me (vgl. Boutachekourt 1999; SCP 1999: 9). Sociale zelf­red­zaam­heid is nog steeds voor de overgrote meerderheid van de in­bur­ge­raars het hoogst haal­bare.
Een ver­dere ver­len­ging van de duur van het inburgeringsprogramma lijkt om ver­schil­lende rede­nen niet wen­selijk. ‘In de eerste plaats is er nu al een aanzienlijke uitval, onder meer omdat deel­ne­mers werk accepteren dat ver onder hun kwalificatieniveau ligt. In de twee­de plaats houdt een langer programma hen nog langer van werk af dan nu al het geval is. In de derde plaats kun­nen veel as­pecten van professionele zelfredzaamheid waar­schijn­lijk het best op de ar­beids­vloer zelf worden geleerd’ (SCP 1999: 21). En in die duale richting, waarbij werken en leren op elkaar afgestemd worden, worden recent ook op­los­singen gezocht (BZK 2000b). Die oplossingen lopen parallel aan de toenemende inzet van nieuw­komers aan de onder­kant van de krappe Ne­derlandse ar­beidsmarkt. Onderwijskundige op­vat­tingen en economische be­hoeften gaan hier een con­junc­tu­reel verbond aan.

Ideologische grondslagen

Arbeidsintegratie en culturele assimilatie

Aan de invoering van het inburgeringsbeleid lag een nieuwe disciplinerende en individualiserende ideologie van arbeidsintegratie ten grondslag. Een complicatie hierbij was dat de uitvoering van in­burgering, net als tal van andere beleidsterreinen van onderwijs en zorg, gedecentraliseerd en zo­veel mogelijk aan marktwerking onderhevig gemaakt moest worden. Ideologische verwatering lag zo op de loer. Gemeenten negeerden op grote schaal de geschapen sanctiemogelijkheid in geval van wan­pres­ta­tie van nieuwkomers. Ook in de volwasseneneducatie is men niet erg gecharmeerd door een on­der­wijsfilosofie waarin dwangmaatregelen bij volwassenen tot significante leerervarin­gen leiden. Het disciplinerende karakter van de overheidsideologie werd daarmee aangetast. Het be­drijfsleven liet zich verder weinig aan inburgeringscursussen gelegen liggen en arbeidsbureaus vonden de af­stan­den van ingeburgerde nieuwkomers tot de arbeidsmarkt nog veel te groot om tot be­middeling over te gaan. Zo werd in de beginjaren van het inburgeringsbeleid ook de (overigens bestrijdbare) opvatting dat arbeid tot inte­gra­tie zou leiden door de praktijk (van werkloosheid) achterhaald.

Het inburgeringsbeleid heeft echter nooit uitsluitend op deze ene ideologische peiler gerust. Ge­brekkige maatschappelijke participatie en inzet van etnische minderheden waren volgens een andere opvatting niet in de eerste plaats het gevolg van een gebrekkige kwalificatie, maar vooral van afwijkende culturele achtergronden, de keuze voor terugtrekking op de eigen cultuur en het overheidsbeleid dat die scheiding respecteerde of zelfs bevorderde. Naast een paternalistisch soort pragmatisme dat sterk op arbeidsparticipatie georiënteerd was, lag er aan inburgering ook een cul­tu­rele assimilatie-ideologie ten grondslag. Die was zeer helder geformuleerd in het Nationale min­der­hedendebat aan het begin van de jaren negentig: gehoorzaamheid aan de staatsrechtelijke be­gin­selen en grondrechten (zoals scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting etc.) en res­pect voor of zelfs erkenning van de superioriteit van de christelijk-humanistische kernwaarden (zo­als gelijkheid van mannen en vrouwen, tolerantie etc.) van de Nederlandse samenleving (vgl. Glastra & Schedler 1996). Gehoorzaamheid en respect moesten vooral verdedigd worden tegen de (ver­meende) invloed van het Moslim-fundamentalisme onder etnische minderheden en in een veel dwin­gender aanpak van het integratieproces hun beslag krijgen. In de inburgeringsprogramma’s heeft deze aandrang met name gestalte gekregen in allerlei systemen en procedures die in het te­ken van de verplichting staan en de twijfel aan de bereidheid (in plaats van de vermogens) van et­nische minderheden om mee te doen in de dominante cultuur signaleren, en, in meer pro­gram­ma­tisch opzicht, in het onderdeel Maatschappij Oriëntatie.

Ook deze ideologie van culturele aanpassing maakt moeilijke tijden door. Want wat zou de ba­sis en tegelijk het einddoel van deze missie moeten zijn? Uit onderzoek blijkt dat het in Neder­land om een relatief weinig ontwikkelde nationale identiteit gaat - die volgens sommigen vooral zou bestaan in de ontkenning van haar bestaan (RMO 1999: 9). De discussie over de nationale identiteit is de laatste jaren weliswaar aangewakkerd (o.a. Scheffer 2000), maar dat leidt niet tot tastbare resultaten. Kenmerkend voor de discussie is de in de verzuilingstraditie van com­pro­mis­sen en gedogen gegrondveste twijfel aan de wenselijkheid van een eenduidige nationale identiteit (Koch & Scheffer 1996). Een ze­kere meerduidigheid en dubbelzinnigheid is wellicht wat ‘de Ne­derlandse zaak’ bij elkaar houdt (vgl. Roodenburg 2000). Enerzijds is het streven naar helderheid in een tijd van globalisering en migratie gedoemd een ach­ter­hoe­de­gevecht te worden. Anderzijds is het moeilijk je aan te passen aan en vorm te geven aan een identiteit die meerduidig is.
In de inburgeringsprogramma’s, een compromis tussen sociaaldemocratische en liberale coa­li­tiegenoten, is de culturele assimilatie-ideologie versneden met de pragmatische ideologie van ar­beidsintegratie en daardoor van haar scherpere kantjes ontdaan. Bovendien wordt zij recentelijk ondergraven door een arbeidsmarkt die - op lagere niveaus - gewoon arbeidskrachten vraagt en niet te springen zit om nationale identiteiten van welk soort dan ook.

Taalbeheersing: het nieuwe paswoord

Tegen de achtergrond van de problemen die beide ideologieën ondervinden bij het vestigen van hun dominantie zien we de laatste jaren een steeds sterkere concentratie op taal(beheersing). In deze ideologie van de taalbeheersing komt op het eerste gezicht een pragmatische opvatting van taal als middel om toegang te verkrijgen tot arbeid, educatie en overheid, en voor die instituties ook aanspreekbaar te worden tot uitdrukking. Op dit terrein is inmiddels een veel bredere con­sen­sus ontstaan die luidt: als je in Nederland mee wil doen, dan moet je de taal spreken (vgl. Veen­man 2001). Deze con­sen­sus heeft geleid tot een beleidsmatige concentratie op taal­stimu­le­rings­programma’s voor alloch­tonen. In het inburgeringsprogramma komt dat tot uitdrukking in de toenemende ruimte in tijds­be­steding en financiën voor NT2-onderwijs.
Dat lijkt tamelijk onschuldig en voor de hand liggend. Immers wie zal ontkennen dat je voor het raadplegen van de dokter, het aanvragen van huursubsidie, overleg met de leerkracht van je kind of het krijgen van werk maar beter Nederlands kan spreken? Taal is echter niet slechts een communicatiemiddel, het is ook altijd het voertuig van nationale samenhang en identiteit. In Ne­der­land zijn, hoewel in mindere mate vergeleken met België, taal en taalbeheersing gevoelige za­ken. Uit onderzoek (RMO 1999: 145) blijkt dat Ne­derlanders, hoe slordig zij ook met hun woor­den omgaan, hun taal verreweg het belangrijkste nationale kenmerk vinden. Daarbij komt dat het Ne­derlands in zijn dominante ABN-vorm met al zijn regels van oudsher ook een cruciale norm voor beschaafd gedrag impliceert die nog steeds aan de dag treedt ten opzichte van dialectspre­kers (vgl. De Swaan 1989: 86).

Een nationale taal is niet alleen een handig communicatiemedium, maar tevens een machts­middel, zoveel is ook in Nederland duidelijk. Tegen de achtergrond van de internationale ver­vlechting en migratie moet echter elke natiestaat, die meestal met moeite en doorgaans niet met vol­ledig succes een standaardtaal gevestigd heeft, een antwoord vinden op de (hernieuwde) uit­da­ging van taalpluralisme. Dit keer heeft de natiestaat niet meer de beste kaarten in handen: supra­na­tio­nale organen, internationale ondernemingen, financiële knooppunten en wereldomspannende com­municatienetwerken ondergraven de ordeningsmacht van nationale overheden. Actoren die in die context samenwerken aanvaarden tamelijk algemeen (allerlei varianten van) het Engels als lin­gua mundi en hebben veel minder reden om zich te verzetten tegen lokale of ‘geïmmigreerde ta­len’ dan staten die op een zekere culturele of etnische homogeniteit gebaseerd zijn (Lo Bianco 2000).

Hoe stellen inburgeraars en meer algemeen leden van etnische groepen zich nu op ten op­zich­te van de integratiekwestie? Hoewel er geen recent onderzoek is dat de categorie van nieuw­ko­mers zelfstandig aan het woord laat over inburgeren en inburgeringsprogramma’s in Nederland, is er wel uitgebreid onderzoek naar het integratieproces van verschillende etnische groepen in Neder­land gedaan (Vermeulen & Penninx 1994), naar de arbeidsmarktintegratie van enkele cate­go­rieën vluchtelingen (Brink et al. 1996) en is begin 2000 een onderzoek onder Marokkaanse, Turkse en Nederlandse jongeren in Rotterdam verschenen (Phalet et al. 2000) waaruit afgeleid kan worden hoe deze groepen zich tot het Nederlandse integratievertoog verhouden. Een ding is wel dui­delijk: elke etnische groep heeft zijn eigen migratie- en integratiegeschiedenis, en daarvan zijn in veel gevallen de laatste pagina’s nog niet geschreven. Ook tussen eerste, tussen- en tweede ge­ne­ratie, tussen mannen en vrouwen en tussen hoger- en lageropgeleiden zijn er binnen elke et­nische groep nog grote verschillen. Generalisaties over allochtonen, nieuw- of oudkomers zijn dan ook hachelijk.

Niettemin is evident dat men zich ondanks al die verschillen massaal heeft aangemeld voor cur­sussen NT2, getuige de niet aflatende wachtlijsten. De ideologie van taalbeheersing als pas­woord is vanaf het einde van de jaren tachtig onder etnische minderheden aanvaard, zij het in min­de­re mate onder vluchtelingen die vaak onzeker zijn of zij zullen blijven. De motieven lopen uit­een: werk, verlies van status tegenover Nederlands sprekende kinderen, contact met de Neder­land­se bevolking en instituties, maar ook een aanwijzing van Sociale Diensten, Arbeidsbureaus of BN’s (vgl. Buijs 1996: 38). Toch is de aanvaarding van deze ideologie niet algemeen. Op het ni­veau van het NT2-onderwijs wordt het Nederlands als instructietaal tamelijk breed geaccepteerd, maar als voertaal voor gesprekken tussen leerlingen onderling (uitleg etc.) geldt dit zeker niet (o.c.: 66). Tevens weten allochtonen uit ervaring dat zij in een recent verleden ook zonder taal­be­heersing werk konden krijgen. Tenslotte geldt meer algemeen dat het behoud van de eigen taal (en breder: de overdracht van centrale cultuurelementen) in de privé-sfeer van belang wordt geacht. Phalet et al. (2000: 94) schrijven in dat verband: ‘Solidariteit tussen generaties is ook een effectief social support-systeem in de migratie, zeker als allochtonen maar een beperkte toegang hebben tot so­ciale voorzieningen in het gastland.’ Of de pasverworven taalbeheersing ook beklijft, is uiter­aard af­hankelijk van de mate waarin men in de omstandigheden is om een en ander ook toe te pas­sen: de mogelijkheid van communicatie met Nederlands sprekende kinderen, kennissen of col­lega’s die de ruimte en de bereidheid hebben om aandacht aan taalcontact te besteden. Taal­beheer­sing ver­onderstelt een zekere mate van integratie. In de praktijk lopen de dingen vaak anders. Het volgen van NT2-onderwijs en meer algemeen de inburgeringsprogramma’s heeft allochtonen door­gaans weinig opgeleverd in termen van structurele integratie: de werkloosheid onder etnische minderheden is anno 2000 nog steeds zeer hoog. De vaak beperkte taalvaardigheden die men heeft op­gedaan, vervluchtigen weer.

Conclusie: culturele assimilatie onder paars gesternte

Aanvankelijk was het adagium ‘werk, werk en nog eens werk’ en daarin klonk het sociaalde­mo­cratisch overwicht in het inburgeringscompromis en in de regeringscoalitie door. Maar aan werk kwamen ingeburgerde nieuwkomers tot diep in de jaren 90 niet toe, terwijl ze tegen 2000 ook zonder ingeburgerd te zijn en met een geringe taalvaardigheid aan de onderkant van ar­beids­markt werden ingeschakeld (Brink et al. 1996: 48). De kansen op integratie van enigerlei bete­kenis zijn daar niet groot gezien de toenemende scheiding tussen kern- en perifeer personeel in arbeidsorganisaties en de nog steeds hardnekkige kleurverschillen daartussen (Meerman 2000).

Inmiddels verschuift de kiezersgunst in de richting van de (neo-conservatieve) liberalen in de coalitie, is de toon van overheidsnota’s en kamerdebatten gewijzigd en luidt het alom: ‘taal, taal en nog eens taal’. Buiten het feit dat in die formulering de ‘leertheorie van de herhaling’ - blijkbaar van stal gehaald voor hen die niet goed willen of kunnen luisteren - gelijk gebleven is, kan hier ge­we­zen worden op een ironie van de geschiedenis: vanaf 1989, na een periode waarin etnische cul­turen en talen - aanvankelijk met het oog op terugkeerbevordering - op actieve overheidssteun mochten rekenen, verklaarde de overheid etnische cultuur tot privéterrein. De overheid zou daar­voor geen geld meer uittrekken, men moest daar zelf maar inhoud aan geven. Wat betreft taal­be­heer­sing en taalgebruik lijkt dit liberale interregnum alweer voorbij en wordt door de overheid ac­tief gezocht naar mogelijkheden om te beïnvloeden wat er op dat privéterrein gebeurt. Ondanks het feit dat de meest basale gegevens over de resultaten van dit beleid ontbreken - een evaluatie van de WIN staat voor 2002 op het programma - en de eerste berichten niet optimistisch stemmen, kan de achterliggende intentie ervan op de instemming van velen rekenen: het valt moeilijk te ont­ken­nen dat het spreken van de Nederlandse taal in Nederland bepaalde voordelen oplevert.

Toch moet ook voor de houdbaarheid van de nieuwe ideologie van de beheersing van de Ne­der­landse taal als integratiewondermiddel gevreesd worden. Daar zijn drie redenen voor. Ten eerste, de centrale overheid is weliswaar goed in staat een koers voor inburgering uit te stippelen, maar als gevolg van decentralisatie, vermarkting en afhankelijkheid van het personeelsbeleid van arbeidsorganisaties is zij niet bij machte de implementatie daarvan ook beslissend te beïnvloeden. De landelijke overheid heeft zich eigenhandig naar de marge van het inburgeringsveld ge­de­re­gu­leerd. De dominantie van het marktdenken brengt een zekere onverschilligheid ten opzichte van staatsgrenzen en burgerschap met zich mee: afzetmarkten kunnen in principe over­al en steeds weer elders zijn, en dat gaat - bijvoorbeeld in het kader van de Europese een­wor­ding of de flexi­be­le (ver)plaatsing van economische activiteiten - ook steeds meer gelden voor ar­beids­markten. Daarmee ondergraaft deze steeds algemener aanvaarde marktdiscipline ook telkens de door natio­nale overheden ontwikkelde inburgerings- en integratieideologieën. Ten tweede, in tij­den van schaarste op de arbeidsmarkt blijkt wel dat er voor bepaalde types taken en functies hele­maal geen vergaande taaleisen meer gesteld worden, terwijl omgekeerd het Nederlands zoveel nu­an­ces kent dat het altijd mogelijk is - en het dus ook altijd voorkomt - dat steeds verfijnder be­heer­sings­niveaus afgebakend worden om de toegang tot bepaalde geprefereerde posities of (cul­tu­re­le) krin­gen te beperken. Ten derde, de nationale overheid is niet alleen de regie kwijt over het in­bur­ge­rings­veld, haar positie wordt ook door internationalisering van de economische en financiële be­drijvigheid, door informatie en communicatie technologie en door het ontstaan van supra­natio­na­le overheden ondergraven. Die ontwikkelingen raken niet alleen aan de interne ordeningsmacht van de nationale staat, maar ook aan de kwestie van de handhaving van de nationale standaardtaal.

Petra Schedler en Folke Glastra
Onderzoek en onderwijs, Sociale Faculteit, Universiteit Leiden

Literatuur
- Abbenhuis, T., Doets, C., Huisman, T., Jonge, J. de & Simmelink, J. (1995). Nieuw in Nederland. De edu­ca­tie­ve opvang van nieuwkomers. Amersfoort: SVE.
- Boutachekourt, K., Buijng, H. & Uyl, R. den (1999). Maatwerk in de WIN. Verkenning van de samen­wer­king tussen gemeenten en ROC’s in het kader van de WIN. Den Haag: Vrijbaan.
- Brink, M., Pasariboe, M. & Hollands, M. (1996). Integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt. Re­sul­ta­ten van een vervolgonderzoek onder staushouders afkomstig uit Iran, Somalië en voormalig Joego­sla­vië. Amsterdam: Instituut voor Sociale Geografie UvA.
- Brink, M., Rossum, S. van, Visser, T. & Berg, N. van den (1997). Evaluatie inburgeringsbeleid voor nieuw­ko­mers. Amsterdam: Regioplan.
- Burik, A. (1998). Trajectbegeleiding nieuwkomers. Een beschrijving van de beroepspraktijk. Utrecht: Forum.
- Buijs, F.J. (1996). NT2. Ervaringen en opvattingen van cursisten. Leiden: Liswo.
- Coumou, W., Hugte, G. van & Speijers, A. (1995). Nieuwe leerders, nieuw wegen? Utrecht: NCB.
- Glastra, F.J. & Schedler, P.E. (1996). ‘Opportunities, obligations and the market imperative. Inter­cul­tural mana­gement and settlement programmes as educational interventions in inter­ethnic relations’. New com­­mu­nity, 22, pp. 539-544.
- Inspectie van het Onderwijs (IO) (1997). Inburgering … uitgeschreven. Evaluatie van het aanloopjaar van de inburgeringstrajecten deel 1 en deel 2. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
- Koch, K. & Scheffer, P. (red.) (1996). Het nut van Nederland. Opstellen over soevereiniteit en identiteit. Amsterdam: Bert Bakker.
- Lo Bianco, J. (2000). Multiliteracies and multilingualism. In Cope, B. & Kalantzis, M. (eds.). Multi­lite­ra­cies. Literacy learning and the design of social futures. London and New York: Routledge, pp. 92-105.
- Meerman, M. (1999). Gebroken wit. Over acceptatie van allochtonen in de arbeidsorganisatie. Am­ster­dam: Thela Thesis.
- Phalet, K., Lotringen, C. van & Entzinger, H. (2000). Islam in de multiculturele samenleving. Op­vat­tin­gen van jongeren in Rotterdam. Utrecht: Ercomer.
- RMO (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling) (1999). Nationale identiteit in Nederland. Inter­natio­na­li­sering en nationale identiteit. Advies 9. Den Haag: SDU.
- Roodenburg, H. (2000). ‘A self-effacing nation: religion, ethnicity and the nation-state in the nineteenth- and twentieth-century Netherlands’. In R. Bendix & H. Roodneburg (Eds.). Managing ethnicity. Per­spec­tives from folklore studies, history and anthropology. Amsterdam: Het Spnihuis.
- Rossum, S. van & Visser, T. (1998). ‘Inburgering van nieuwkomers. stand van zaken in 1996 en 1997’. Fac­ta, 6, pp. 30-32.
- Schedler, P.E. & Glastra, F.J. (1996). ‘Werk, werk en nog eens werk? Educatieve inbur­ge­rings­programma’s en de integratie van nieuwkomers’. Tijdschrift voor sociale interventie, 5, pp. 171-180.
- Scheffer, P. (2000). ‘Het multiculturele drama’. NRC Handelblad. 25 maart.
- SCP (Sociaal Cultureel Planbureau) (1999). Rapportage minderheden 1999. ‘s Gravenhage: SDU.
- Speijers, A. (1993) Trendrapportage educatieve opvang van nieuwkomers. Verslag van een rondgang langs acht­­tien gemeenten. Utrecht: NCB.
- Swaan, A. de (1989). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker.
- Valk, H. de (1995). Integreren in Nederland. Een onderzoek naar de gemeentelijke projecten in het kader van integratie van nieuwkomers in Nederland. Utrecht: Faculteit Algemene Sociale Wetenschappen.
- Veenman, J. (2001). Molukse jongeren in Nederland. Integratie met een rem erop. Assen: Van Gorcum.
- Vermeulen, H. & Penninx, R. (1994). Het democratisch ongeduld. De emancipatie van zes doel­groepen van het minderhedenbeleid. Amsterdam: Het Spinhuis.
- Zwan A. v.d. & H.B. Entzinger (1994). Beleidsopvolging minderhedende­bat. Advies in opdracht van de Mi­nister van Binnenlandse Zaken. ’s-Gravenhage: SDU.

migratie - integratie - inburgering - Nederland

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 11