Log in

Kleur bekennen

De grenzen van de multiculturele samenleving

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 52 tot 54

Twee jaar geleden publiceerde de krant De Morgen twee opiniestukken die Dyab Abou Jahjah schreef voor zijn toenmalige mantelorganisatie Al Rabita, en die weinig aan de verbeelding overlieten.1 Aan het woord was ontegenzeggelijk een hardliner, een angry young man, een doordouwer met zeer eigen opvattingen over de organisatie van een ‘samenleving-met-meerdere-culturen’. Om kort te gaan, Abou Jahjah predikt(e) het onvoorwaardelijke recht zichzelf naar believen te ontplooien.

Symptomatisch was zijn uitspraak dat ‘Allochtone jongeren die op straat roepen en tieren geen criminelen [zijn], maar jongeren die op hun manier de tijd doorbrengen.’2 De afwezigheid van elke empathie voor de beleving van de medebewoners van dit, vaak als storend (wat hoegenaamd niet wil zeggen crimineel) gedrag geeft weer hoe Abou Jahjah dat samenleven met meerdere culturen wil organiseren; kwaadschiks, niet goedschiks, conflictueus, niet harmonieus. Sedertdien heeft Abou Jahjah zich verder ontpopt tot een aanhanger van een multiculturalisme met weerhaakjes, mijlenver verwijderd van de ingebakerde, multiculinaire variant die doorgaans wordt verdedigd, het zalven is vervangen door het dreigen.

De komst van Abou Jahjah op het politieke forum - in de meeste ruime zin - is toch welgekomen. Hij vertegenwoordigt immers, op zeer lucide en intelligente wijze, standpunten die men voorheen enkel in de apocalyptische retoriek van tegenstanders van de diversiteit kon horen, of die men via de pers in de rubriek buitenlandse faits divers kon vernemen. Ik verklaar mij nader. Tot op heden is het politieke discours van de diversiteitsvrienden nog niet veel verder ontwikkeld dan de gemakkelijkheidsfrasen dat de multiculturele samenleving ‘ondertussen een feit geworden’ zou zijn en dat ‘het samenleven met andere volkeren en culturen’ zou te beschouwen zijn ‘als een verrijking’.3 En daarmee is doorgaans de kous af. De concrete invulling van deze samenleving blijft in dit discours meestal buiten beschouwing. Wat verstaan politici er echter onder telkenmale zij het hooglied der multiculturele samenleving aanvatten? Waar zijn de grenzen van deze multiculturele samenleving? Is verplicht vreedzaam samenleven in combinatie met ‘elkeen moet zich aan de wet houden’ voldoende als levensrichtlijn? En zo ja, kan men nog wel van een multiculturele samenleving spreken indien iedereen dezelfde wetten - welke toch ondubbelzinnig uitingen zijn van de autochtone meerderheidscultuur - moet naleven? Het blijft na al die jaren van debatteren, manifesteren en proclameren onduidelijk. De Sturm und Drang waarmee Dyab Abou Jahjah ten tonele komt, dwingt de goegemeente (even) stelling in te nemen.
Mijns inziens heeft het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in zijn rapport 25 jaar sociale verandering het gebruik van de benaming ‘multiculturele samenleving’ terecht vermeden en vervangen door de minder ideologisch geladen uitdrukking ‘multi-etnische samenleving’: ‘Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de Nederlandse samenleving weliswaar in toenemende mate mensen van verschillende culturele origine herbergt, maar dat de seculiere, universalistische, individualistische, kortom westerse, cultuur nauwelijks concurrentie ondervindt van andere stromingen. De redenering … is dat een werkelijk multiculturele samenleving een intrinsieke onmogelijkheid vertegenwoordigt. Cultuurgoederen zijn geen sociale goederen, die volgens een bepaalde verdeelsleutel aan de bevolking kunnen worden verstrekt. Het culturele systeem van een maatschappij vormt een hiërarchie, die zich niet leent tot toewijzingen en quota. Daarmee is niet gezegd dat mensen er geen recht op zouden hebben hun privéleven, binnen wettelijke grenzen, naar hun eigen culturele voorkeur in te richten; evenmin dat zij de faciliteiten zouden moeten ontberen om aan dat recht een praktische inhoud te geven.’4
Om deze redenen zou het beter zijn de ‘multiculturele samenleving’ als begripsaanduiding voor de westerse samenlevingsvorm te vermijden. Een multiculturele samenleving impliceert immers de volstrekte erkenning en gelijkwaardigheid van elkeen zijn culturele, religieuze en juridische eigenheid, individueel of collectief. Ook handelingen waarover de afwijzende consensus in het Westen erg groot is, zoals clitoridectomie, uithuwelijken en kinderhuwelijken, beroepsverboden of de schooluitsluiting van meisjes vanaf de leeftijd van menstruatie, zijn dan, gezien het uitgangspunt van gelijkwaardigheid, toegelaten. Zelden zal men in de westerse democratieën aanhangers van deze excessieve collectieve vrijheidsgedachte ontmoeten. De Nederlandse onderzoeker Boris Slijper meent wel dat clitoridectomie bij volwassen vrouwen, polygamie en gearrangeerde huwelijken moeten kunnen als de betrokkenen het ermee eens zijn. Wie het niet eens is met de leefwijze van zijn of haar gemeenschap moet die uiteraard wel kunnen verlaten door het uitoefenen van een zogenaamde exitoptie.5 Het is buiten kijf dat Slijper, niettegenstaande zijn grote tolerantie, zich nog steeds laat kennen als een - weliswaar gedogende - ‘cultuurimperialist’; de idee dat elkeen een ‘individueel zelfbeschikkingsrecht’ bezit is immers geen universeel maar een westers concept. Kortom, ook wanneer de betrokken vrouw niet instemt met haar circumcisie is deze weigering irrelevant als de minderheidscultuur hier zo in globo over oordeelt.

Uit een recent - en geruchtmakend - interview6 met Abou Jahjah blijkt dat hij zich zeer goed bewust is van deze spanning tussen het behoud van eigenheid als minderheidsgroep en de meerderheidscultuur, waardoor naar zijn zeggen voor leden van de minderheidsgroep uitsluitend nog een folkloristische en minimalistische beleving van cultuur en godsdienst mogelijk zou zijn. Het is duidelijk dat Abou Jahjah meer wil dan de organisatie van een homogene samenleving met louter minimale verschillen (zoals die zich vandaag bij de autochtone meerderheidscultuur manifesteren tussen gelovigen en ongelovigen, tussen intellectuele en financiële elite, tussen rijk en arm) tussen haar inwoners, maar wel de emancipatie, bevrijding, ontwikkeling van en gelijke rechten voor etnische minderheden. Maar wie of wat fungeert in dezen als referentiemodel voor deze minderheden? Tot wie moet de onmondige zich richten voor zijn emancipatieproces? En bovenal, waarin legt de Belgische overheid nou net beperkingen op zodat deze emancipatie vandaag niet mogelijk zou zijn? Het private taalgebruik is immers vrij, bovendien mag elkeen vrijelijk zijn godsdienst beleven (in die zin is de screening van de leden van de moslimexecutieve door de staatsveiligheid een onvergeeflijke kaakslag), bestaat de mogelijkheid om, weliswaar georganiseerd binnen het kader dat in Vlaanderen is uitgewerkt, een afzonderlijk, zelfs gesubsidieerd, scholennet op te richten en via de eenvoudige nationaliteitwetgeving kan elkeen zeer spoedig deelnemen aan de politieke besluitvorming op elk niveau.

Het is duidelijk dat ook Abou Jahjah worstelt met de grenzen van de multiculturele samenleving. Niettegenstaande het door hem opgeeiste recht om als Arabische of moslimgemeenschap een culturele eigenheid te ontwikkelen, stelt hij tevens een noodzakelijk respect voor de (grond)wetgeving voorop. Over normen en waarden daarentegen mag niet worden gepraat, dat is een afzonderlijke kwestie (ik durf uitdrukkelijk het woord individueel niet gebruiken) die blijkbaar niet aan de wetgever moet worden overgelaten. Abou Jahjah geraakt hier enigszins verstrikt in zijn eigen opvattingen. Zo is een scheiding van normen en waarden van (grond)wetgeving onmogelijk omdat, ten minste in abstracto, zij net de vertaling of de codificatie van de gangbare en dominante normen en waarden vormt.7 In die zin is daarom een volstrekt recht van een minderheid op culturele eigenheid moeilijk te combineren met een veralgemeend respect en naleving voor het vigerende rechtsstelsel (waarvan bovendien een uniformerende werking uitgaat). Rechtspluralisme biedt dan een optie, maar daarvan is in het interview geen sprake.
In datzelfde artikel ‘dreigt’ Abou Jahjah met een mogelijke oprichting van een politieke beweging die, zonodig, bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen in 2006 naar de gunst van de Antwerpse kiezer zal meedingen. Hoewel in het verleden ‘allochtonenpartijen’ in België of Nederland weinig succes behaalden8, lijkt dit initiatief in de dop voor het multiculturalismedebat geen slechte zaak. Het is overduidelijk dat het wereldbeeld dat Abou Jahjah aanhangt reactionair is. Daar is niets op tegen. Wat mij interesseert is - bij wijze van lakmoesproef - in hoeverre zijn wereldbeeld gedragen wordt door bijvoorbeeld de Antwerpse Arabische gemeenschap en moslimbevolking.
Politici die, zoals in de dagen na de publicatie van het artikel is gebleken, de opvattingen die Abou Jahjah incarneert niet genegen zijn, hebben dus nog enkele jaren de tijd om àlle kiezers achter hun project te scharen.
Maar dan moet er uiteraard eerst een project zijn, natuurlijk.

Noten
1. D. Abou Jahjah, ‘Wij zijn hier en wij blijven hier’, De Morgen, 26 mei 2000 en D. Abou Jahjah, ‘Radicale gastarbeiders of gelijkwaardige medeburgers?’, De Morgen, 11 september 2000. Beide opiniestukken zijn opgenomen in B. Van Den Broeck en M.-C. Foblets (red.), Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen, Leuven, Acco, 2002, ter perse.
2. D. Abou Jahjah, ‘Wij zijn hier en wij blijven hier’, De Morgen, 26 mei 2000.
3. Zie bijvoorbeeld de beleidsnota’s van het ministerie van binnenlandse zaken voor de begrotingsjaren 1998 en 1999, Parl. St. Kamer 1997-1998, nr. 1249/022, 22 en Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 1782/011, 22.
4. Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal en Cultureel Rapport 1998. 25 jaar sociale verandering, Rijswijk, Sociaal en Cultureel Planbureau, 1998, 8 via website www.scp.nl
5. B. Slijper, ‘Twee concepties van liberale tolerantie in een multiculturele samenleving’, Migrantenstudies 1999, afl. 2, 92-95.
6. Interview met Dyab Abou Jahjah in Knack afl. 34, 21 augustus 2002, 10-14. Ik ga niet in op de schaamteloze wijze waarop Knack uit het interview journalistieke en commerciële munt heeft willen slaan door louter de al te radicale standpunten te benadrukken; deze kritiek is al met veel verve geleverd door T. Naegels, ‘Radicale migranten en hysterische journalisten’, De Standaard, 27 augustus 2002.
7. De Grondwet is dus een belangrijke indicatie voor onze visies op de meest wenselijke samenleving, en ook op de meest wenselijke vorm van omgang van overheid en burger’: H.M. Dupuis, ‘De Grondwet als moreel document’, 57 in M.C. Burkens, E.C.M. Jurgens, A.K. Koekoek en J.J. Vis (red.), Gelet op de Grondwet. 150 jaar Grondwet, Deventer, Kluwer, 1998, 171p.
8. P. Loobuyck, ‘Allochtone politici: tussen wal en schip?’, Samenleving en politiek 2001, afl. 3, 39-51 en opgenomen in B. Van Den Broeck en M.-C. Foblets (red.), Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen, Leuven, Acco, 2002, ter perse.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 52 tot 54