Abonneer Log in

Valsheid in geschrifte?

Over kieshervorming en inspraak

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 4 tot 12

‘Do you have some change?’

Op het eerste gezicht lijkt het politieke landschap in België grondig door elkaar geschud. Sinds de fameuze verkiezingen van 24 november 1991 hebben zowel de partijen als het partijsysteem enkele belangrijke veranderingen ondergaan. Alle traditionele partijen hebben een ander jasje aangetrokken en onlangs werd er een nieuw kiessysteem goedgekeurd. Zijn er dan geen zekerheden meer in het leven? Toch wel, zelfs integendeel. Anno 2002 heeft Michels ‘ijzeren wet van de oligarchie’1 nog niet aan kracht en relevantie ingeboet. Politiek is en blijft een machtsspel waarin een beperkte elite de toon zet, ondanks alle credo’s om de befaamde kloof met de burger te dichten, ondanks alle retoriek van ‘democratisering’. Dat blijkt b.v. ook wanneer we de partijveranderingen en de kieshervorming iets dieper gaan bestuderen.
Na de eerste zwarte zondag had elke democraat de mond vol over de kloof met de burger. Die was van de politiek vervreemd en daar moest dringend iets aan gebeuren. Meer inspraak, bij voorkeur via directe democratie was het topantwoord. De burger moest ‘opnieuw’ het gevoel hebben dat hij iets in de pap te brokkelen heeft. Hoewel we niemand het recht ontzeggen met nobele doelstellingen door het leven te gaan, kunnen we niet rond de mogelijkheid heen dat deze hervormers er (vooral) op uit zijn het eigen hachje te redden. Het officiële doel van de wondermaatregelen was het versterken van de inspraak van de kiezer. Maar wellicht zijn ze er vooral op gericht de kiezer opnieuw voor de vernieuwers te winnen en zodoende de toekomst van de partij te verzekeren.
De Vlaamse liberalen gingen daarin het verst. De burgerdemocratie is hun handelsmerk, maar ze gelden ook als lichtend voorbeeld voor gelijkaardige operaties in andere partijen. Vandaar dat ze enige bijzondere aandacht verdienen. Aangezien de liberalen vrij lang in de oppositie opgesloten zaten en dus weinig aan het systeem zelf konden veranderen, besloten ze hun eigen politieke microkosmos te vernieuwen. In 1992 ontbonden ze zichzelf en stichtten de VLD, dé partij van de burger. De nieuwe partij was radicaal voorstander van directe democratie, bijvoorbeeld via referenda of directe verkiezingen van politieke mandaten. Ook binnen de partij zelf zou de democratie maximaal zijn. De voorzitter en het nationaal bestuur werden voortaan rechtstreeks door de leden verkozen en de partij zou voorverkiezingen organiseren waarbij de leden konden beslissen over de samenstelling van de verkiezingslijsten. De ‘perverse’ trekjes van deze vernieuwing hoorden we niet in het officiële discours. Het was de liberalen niet in eerste instantie om de inspraak van die arme kiezer/burger te doen. Neen, zij hoopten - door zich te profileren als volwaardig alternatief voor de duistere, besloten en verderfelijke canapépolitiek - eindelijk het machtsblok van socialisten en christendemocraten te kunnen breken. Ze wilden de derde, superdemocratische weg vormen tussen de traditionele partijen en het extremisme in.

Deze interne partijdemocratie moeten we evenwel met een korreltje zout nemen. Zo is het opvallend hoe het hele vernieuwingsproces gestuurd werd door een beperkte partijelite, met voorzitter Guy Verhofstadt op kop. Veel kritiek werd in de kiem gesmoord of, beter nog, gemarginaliseerd of geridiculiseerd. Het was ook diezelfde partijelite die de regels voor de nieuwe partij opstelde. Op die manier slaagde de elite erin om, onder het mom van een democratiseringsproces, haar macht binnen de partij te behouden of zelfs nog te versterken.

Bijvoorbeeld. De rechtstreekse verkiezing van de voorzitter vergroot sterk zijn legitimiteit. Eens de partijvoorzitter door de leden rechtstreeks wordt verkozen kan hij zich binnen de partij ‘autonomer’ opstellen. Concurrerende visies botsen vaak op het argument van deze rechtstreekse verkiezing. Ook de inspraak van de VLD-leden bij de samenstelling van de kieslijsten van de partij van de burger laat een wat wrange smaak na. Dankzij een vernuftig systeem van voorverkiezingen is het nog altijd de voorzitter die uiteindelijk de volgorde op de lijsten bepaalt. Slechts heel uitzonderlijk wordt de voorgestelde lijst afgekeurd.2 De interne ledeninspraak is er op papier wel sterk aanwezig, in het werkelijke land stelt ze niet veel voor. Partijvernieuwingen die geleid worden door de bestaande partijelite en die gebruikt worden om de macht van deze partijelite te legitimeren of te versterken zijn geenszins een nieuw fenomeen. Reeds in 1961, bij de stichting van de PVV/PLP, slaagde Omer Vanaudenhove erin om zichzelf als partijvoorzitter uitgebreide macht te geven binnen de nieuwe partijstructuur. Wel nieuw is dat dit alles gebeurt onder het motto van democratisering, inspraak en dergelijke meer. Met de kieshervorming is dat niet anders. Sartori3 had dus wel degelijk gelijk toen hij partijen voorstelde als miniatuur politieke systemen.

Uiteraard is niet enkel de VLD in dit bedje ziek. De partijvernieuwing van de Vlaamse christendemocraten bijna tien jaar later bewijst dit overduidelijk. Officieel wilde de partij een antwoord formuleren op de nieuwe noden in de samenleving en de partij opnieuw midden de mensen plaatsen. Maar het ultieme doel is en blijft simpel en is, zoals bij de VLD, veeleer nieuwe kiezers aantrekken of verloren kiezers terugwinnen. Dat klinkt banaal, dat het partijen om machtsbehoud of -verwerving te doen is, maar bij het nalezen van alle officiële vernieuwingsretoriek zou je dat haast helemaal vergeten. Geen woord daarover in het verhaal over meer inspraak voor de kiezers. Dat er bij de christendemocraten ook inhoudelijk bitter weinig veranderde onderlijnt deze stelling. Bij partijvernieuwing geldt dus what you see is not what you get!
Met de kieshervorming is het net hetzelfde verhaal. Deze paars-groene regering is zeer bezorgd om de inspraak van de kiezer, dat zien we elke dag. En dus veranderen de spelregels zodoende dat zij minder en wij meer te zeggen hebben. En dus komt er een kiesdrempel, komen er provinciale kieslijsten, doen de bekende koppen overal mee zonder daarom hun mandaat op te nemen, hebben de mindere goden het zeer moeilijk, vooral als ze het maar met een inhoudelijk verhaal moeten doen... Maar, daardoor hebben ‘wij’ dus heel wat meer inspraak! Toffe gasten toch, die politici?

Een LATrelatie met de democratie?

De regering en meerderheidspartijen beogen met deze kieshervorming een dubbel doel. Enerzijds zou de inspraak van de burger erdoor versterkt worden, anderzijds zouden de instellingen definitief aan de federale staatsstructuur worden aangepast. Vooral de politieke versnippering, de onvoorspelbare toewijzing van zetels via het apparenteringsysteem en het feit dat nationale vedetten kandideren voor een assemblee waarvan de politieke functie uiterst beperkt is, waren belangrijke redenen om deze hervorming door te voeren. Over elk van deze punten kan heel wat gezegd worden. Apparentering is ook op andere manieren weg te werken en behoeft uiteraard geen operatie van deze orde. De politieke versnippering is in wezen de ultieme uiting van de voorkeur van die zeer, zeer verstandige en mondige en kritische en geïnformeerde kiezer. Het is sinds het ‘Tijdperk van de Politieke Vernieuwing’ (wat dat ook moge zijn) bon ton elke kiezer, differentiatie en discriminatie zijn in deze verboden, als dusdanig te omschrijven. Die verstandige kiezers beslissen dus hoogst autonoom en in volle vrijheid - aldus de retoriek van de burgerdemocratie - om allerlei kleinere partijen te steunen of in leven te houden. Immers, indien die vrijheid of autonomie, die mondigheid of kritische ingesteldheid niet aanwezig zouden zijn, dan valt meteen heel wat vernieuwingsmateriaal (zoals rechtstreekse verkiezing burgemeester, referendum) in het water. En als het boven water komt loopt het nog niet altijd netjes. Zo gebeurt het wel eens dat een referendum, en dan eindelijk eens over een echt politiek belangrijke kwestie, niet tot het gewenste resultaat leidt. En dan moet dat referendum gewoon worden overgedaan. Een soort tweede zit voor de gebuisde stem van de burger?4

Dat populaire BV-politici kandideren voor een politiek onpopulaire en relatief machteloze senaat is geen onvermijdelijke natuurwet - dat hoeft niet per se - maar een voor de hand liggend verschijnsel in het licht van verschillende (politieke) ontwikkelingen. Het is wonderbaarlijk dat die evenzeer verstandige en kritische staatshervormers dat in 1992 niet konden voorzien. Dat de machteloze senaat o.a. moet hervormd worden omdat machtige politici ervoor kandideren is raar. Het haantjesgedrag van die politici heeft immers niets te maken met die instelling op zich, wel met de ‘veramerikanisering’ van de politiek. Individuele - populaire wel te verstaan - politici zijn veel belangrijker geworden dan hun eigen partij, die steeds meer ‘kaderpartijen’ worden die voor het overleven afhankelijk zijn van het succes van hun sterspelers. Politiek is meer en meer een zaak van bekende koppen, van product placement van politici in sympathieke tv-programma’s of familiebladen. Politiek gaat meer en meer over imago, over persklare stunts en ‘telegenieke’ optredens. Grote verhalen zijn afgezaagd, ietwat complexe maatschappijanalyses achterhaald, ingewikkelde argumentaties not done. Lekkere, herkenbare oneliners gekoppeld aan dito beleidsmaatregelen. Dat is het succesrecept. En die populaire politici renderen electoraal het meest daar waar ze de grootste klandizie kunnen aanspreken. Vandaag is dat de senaat.
Er zijn inderdaad ernstige redenen om de senaat te hervormen. Maar men moet secuur omspringen met de gebruikte argumentatie. Zo is en blijft het uiteraard onverdedigbaar dat toppolitici zich enkel kandidaat stellen voor een zitje om hun eigen populariteit te testen of te bewijzen, zonder daarom de intentie te hebben in die Senaat te zetelen of er hoogstens passief of in elk geval eerder lijfelijk aanwezig te zijn. Op grond van diezelfde redenering maak je uiteraard onmiddellijk komaf met de schare politici die straks op 15 juni 2003, precies door deze nieuwe kieswet, op allerlei plaatsen kandideren (senaat, provinciale kamerlijst) zonder daarom de minste intentie te hebben om deze mandaten op te nemen, b.v. wegens (vice-)minister-president van een deelstaat. Op grond van diezelfde redenering maak je nog sneller komaf met politici die vinden dat er teveel verkiezingen zijn. Deze politici vinden het m.a.w. ongezond dat de burger, de volgende jaren, zich bijna jaarlijks over een beleidsniveau kan uitspreken. Want die verstandige burgers, die verstaan dat allemaal niet zo goed!? Immers, niet enkel het referendum kan tot een foute uitkomst leiden.

De zoete smaak van meer inspraak

Het is dus zeer de vraag of de kieshervorming wel echt tot meer inspraak zal leiden. Waarop heeft die inspraak eigenlijk betrekking, waar staat dat überhaupt voor? Dat deze kieshervorming gevolgen zal hebben voor de interne machtsverhoudingen is anderzijds wel duidelijk. De positie van de individuele toppoliticus wordt erdoor versterkt, terwijl ook de macht van de partijhoofdkwartieren nog vergroot. Politiek is in toenemende mate een zaak van bekende koppen. Mediabekendheid en een goede omgang met kranten, radio en vooral televisie speelt een zeer grote rol in het al dan niet succesvol zijn. BV’s worden politici en politici worden BV’s, doorgaans dankzij enkele ‘strategische’ optredens in amusementprogramma’s. Dat kiezers hun politici kennen is uiteraard een prima zaak. Dat deze politici hun voorstellen afstemmen op de vermoedelijke pr-waarde ervan, dat ze veelal met andere dan politieke thema’s hun zendtijd volpraten, dat ze bij voorkeur als individu-met-leuke-ideeën worden voorgesteld in de vriendelijke media is dat veel minder. De vergroting van de kieskringen speelt in op en versterkt de ‘mediatisering’ en bijhorende individualisering. Veramerikanisering van de politiek heet zoiets. Immers, dankzij de provinciale kieskringen moeten politici in een grotere electorale vijver vissen, die ze het best kunnen bereiken via de massamedia. Voor de boegbeelden is dit geen probleem. De kieshervorming versterkt hun marktwaarde binnen de partij. Meer nog, die toppolitici incarneren als het ware hun partij. De ‘mindere goden’, die krijgen het knap lastig in die grotere kieskring en meteen ook binnen hun partij. Voor hen wordt het drummen om de verminderde (wegens halvering lijststem) ‘verkiesbare’ plaatsen. Daartoe kunnen ze bijvoorbeeld eens hard op tafel kloppen, bij voorkeur via de media, en zich op die manier incontournable maken.5 Of ze kunnen ook proberen om zich, via de duistere netwerken binnen de partij en vooral via veel lobbywerk, binnen de lijst ‘op te werken’. De optimale strategie is o.a. afhankelijk van de sterkte en persoon van de partijvoorzitter. Hij is en blijft in deze een sleutelfiguur. De grotere kieskringen, de mogelijkheid om zich op meerdere lijsten kandidaat te stellen en de halvering van de lijststem hebben o.a. de invloed van een partijvoorzitter op de tweederangs politici nog vergroot. Hij heeft nu meer kopzorgen, maar ook meer macht. Wie vroeger buiten discussie stond in de eigen kieskring moet nu voor de verkiezingen de strijd aangaan met oude of nieuwe collega’s, al dan niet gelokt met de belofte van een verkiesbare plaats. Een individuele profilering is dus bij voorkeur vriendelijk tegenover de top. In elk geval, dit spel der lijsten is bijzonder ingewikkeld en hard en het geeft aanleiding tot compromissen die wellicht over verschillende verkiezingen heen worden gespreid. Het zijn zeer precaire evenwichten die enkel maar door topoverleg tot stand kunnen komen. Dat de leden ze dan achteraf zomaar kunnen veranderen lijkt dus zeer onverstandig want aanleiding gevend tot chaos. Maar, ondanks alle interne ledeninspraak doen die leden dat ook helemaal niet. Die volgen bijna zonder uitzondering netjes de voorspraak van de topelite. Kortom, niet enkel de afgelopen partijvernieuwingen, ook de kieshervorming versterken de macht van enkelen, ten nadele van de meerderheid van de mindere goden. Democratie, vaak omschreven als the rule by many verwordt zodoende tot the rule by the happy few. Punt is: is het ooit anders geweest? Neen, maar dat mag je vandaag niet meer opmerken. Want al die vernieuwing en verandering moeten de indruk geven dat de tijden veranderd zijn.

Oude analyses van een oud probleem

De kieshervormingen zullen, ondanks het bescheiden debatje dat erover gevoerd werd, het bestaande systeem niet ondersteboven keren. Meer nog, ze kaderen netjes in enkele algemene tendensen van de Belgische politiek. Deze is namelijk vrij oligarchisch. De ruimte om alle verklaringsgronden daarvan op te sommen ontbreekt, maar het is duidelijk dat de complexiteit van de Belgische res publica in deze heel belangrijk is. Oude en nieuwe elkaar doorkruisende breuklijnen, een omvangrijk, log, gepolitiseerd en duur overheidsapparaat, een haast maniakale regeldrift teneinde de compromissen tot eenieders tevredenheid uit te voeren, een cliëntelistische politieke cultuur en een sterke controle over of inperking van de inspraak vanuit de basis van de zuil, geleding, partij, formatie, organisatie, etc. Dat alles heeft geleid tot een ingenieus complex van conflictbeheersing via technieken van federalisme, neocorporatisme en consensusdemocratie. Deze modellen van conflictbeheersing en belangenbehartiging bewijzen vandaag, net als in het verleden, hun dienstbaarheid. Ze hebben de verdeeldheid en de onderlinge tegenstellingen nooit opgeheven, wel onder controle gehouden.
Arend Lijphart had het ruim dertig jaar geleden over de ‘regel van de geheimhouding’ als een spelregel van een dergelijk systeem.6 De politics of accommodation kan maar succesvol zijn indien de politieke elite voldoende flexibel kan opereren, d.w.z. niet te zeer gebonden door een strak eisenplatform of programma dat met de basis is overeengekomen. Dit pragmatisch compromiswerk vereist doorgaans een ‘informatiekloof’ tussen de elite en de burgers die het vlees en bloed van de partijen, belangenorganisaties, deelstaten vormen. Zodoende moet niet elke stap of toegeving in het onderhandelingsproces verantwoord worden. Anders wordt het sluiten van package deals of ruime pacten, in regel in een uitputtende onderhandelingsmarathon van de laatste kans, helemaal onmogelijk. Deze elite is uiteraard domeinspecifiek maar al bij al vrij beperkt. Het is een absolute minderheid, vooral als we ze zetten naast de talrijke (verkozen) politici die ons land rijk is. De zichtbare fractie ervan vinden we binnen de regering en aan de top van de politieke partijen.

Een dergelijk systeem heeft niet enkel voor- maar ook heel wat nadelen. Het is duur en zorgt dus voor een hoge (para)fiscaliteit. Het is zeer ingewikkeld en weinig transparant en speelt traag in op maatschappelijke noden en ontwikkelingen, het is weinig innovatief, heeft een geringe leercapaciteit en leidt niet meteen tot een bijzonder performant overheidsoptreden. Vandaar de geringe identificatie met de overheid en de weinige legitimiteit die eraan wordt verleend. Sinds vele jaren zijn deze disfuncties zichtbaar. Sinds vele jaren vertalen ze zich electoraal o.a. in de opkomst van regionalistische, groene of extreemrechtse partijen en een toenemende mobiliteit van kiezers. Pas sinds de jaren 90 zijn politici zich daar echt zorgen over beginnen maken, en hebben ze o.a. de kloof met de burger uitgevonden/ontdekt en een zeer doorzichtig tegenoffensief gelanceerd, dat van de burgerdemocratie en de vernieuwingen die het walhalla van inspraak dichterbij zouden moeten brengen.
Uiteraard is er sinds de jaren 50 al heel wat gebeurd en veranderd. Indien we ons beperken tot de meest gekende en in het oogspringende evoluties zijn in casu meldenswaardig: secularisering, tertialisering, professionalisering van de welvaartsstaat, individualisering, toenemende scholingsgraad, flexibilisering, globalisering, ICT-ontwikkelingen, het explicieter worden van de afwezigheid van een machtsmonopolie van politici, het relaas over het einde van de grote verhalen en de ideologische verwarring, een wildgroei van volkspartijen en de dominantie van een discours volgens hetwelk politieke strijd en tegenstelling niet enkel moet vermeden worden maar zelfs helemaal achterhaald is. De depolitisering van grote geschillen is in de Belgische politiek van alle tijden, maar vandaag ontstaat de indruk dat politiek een bedrijf zoals een ander is, dat met verstandig technocratisch beheer alle problemen tegelijkertijd kan oplossen zonder keuzes te moeten maken. Een zaak voor specialisten dus. En dat wringt, op het eerste zicht, met de onuitwisbare populariteit van zelfbeschikking, van de inspraak van allen in alles.

Maar, ondanks het feit dat de grondslag van dit ‘elitair gedrag’ verder erodeert, is en blijft deze werkwijze verder leven7, als het ware verankerd in de politieke routine en cultuur. Daarbovenop kunnen we nog steeds volhouden dat een dergelijke werkwijze zeer functioneel is voor het voorkomen of beslechten van ingrijpende conflicten in België. Dat Balkenende I op geen enkel ogenblik de indruk gaf een einde te kunnen stellen aan de aftandse en wereldvreemde Haagse regentenstijl heeft niet enkel te maken met het voorspelbare kluchtverhaal van de LPF. Het heeft ook te maken met de relatieve onmogelijkheid van het politiek bedrijf om belangrijke politieke beslissingen door veel niet-professionelen, laat staan door de hele bevolking, te laten nemen. En met de verderfelijke illusie dat zulks überhaupt mogelijk is. Politiek is een zaak van professionelen, die de knepen van het vak kennen, die dossierkennis, politiek inzicht en doorzicht, strategie en retoriek allemaal samen netjes in de vingers hebben. Politiek is niet voor amateurs, het is een vak dat je doende kunt leren gesteld dat er een dosis talenten is om op te bouwen. De ontwikkelingen die de oligarchische modus operandus van nationale beroepspolitici onder druk zetten hebben deze evenwel niet opgeheven, noch onmogelijk gemaakt, zelfs niet overbodig gemaakt. Ook vandaag, net als gisteren, zijn er heel wat motieven die de elitaire organisatie van de politiek legitimeren of alvast begrijpelijk maken. Ook vandaag, net als gisteren, zijn er onmiskenbaar heel wat nadelen aan verbonden. Het punt is evenwel dat deze ontwikkelingen gezorgd hebben voor een verandering in het politiek vertoog van deze politici die zodoende hun machtspositie willen legitimeren. En dat is niet zonder gevaar. In zekere zin zou de remedie wel eens erger kunnen zijn dan de kwaal.

Ouderwets tegendraads

Het kan in tijden van vernieuwingsmanie, al was deze gedreven door een pathologische zelotenijver, bijzonder verfrissend, ja zelfs vernieuwend, om een oud boek van een groot denker te (her)lezen. Antonio Gramsci (1891-1937)8 wees in zijn analyse en uiteenzetting over ‘hegemonie’ reeds op het belang van consent (instemming) als het primaire middel van sociale controle en dus op de betekenis van ‘overtuiging’, eerder dan van dwang. In ons democratisch bestel moet de commandostijl veld ruimen voor de overlegcultuur. Top-down wordt bottom-up, werknemers worden medewerkers, een ‘kuisvrouw’ mag als floor manager door het leven gaan. We zijn allemaal heel belangrijk en hebben, curieus genoeg, allemaal heel veel te zeggen over heel veel kwesties. Iedereen gelukkig? Participatie, inspraak of samenspraak, autonomie en zeggenschap, we vinden ze b.v. expliciet in het moderne Human Resources Management maar ook in tal van andere maatschappelijke domeinen. Geen maatschappelijke kwestie of een argeloze marktganger krijgt daarover een microfoon onder de neus geduwd. In de 7de dag discussiëren de kijkers nu ook al met elkaar, je hoeft er niet eens meer voor op café. Kunst moet volle zalen trekken, kijkcijfers staan voor kwaliteit, via SMS of internet stem je de mooiste kandidaat naar de volgende ronde of de vervelendste kandidaat naar huis. In onze risicomaatschappij moet elke zichzelf respecterende burger onophoudelijk belangrijke, strategische keuzes maken over waar hij met het leven heen wil. En zelfs over het einde van dat leven. Door de individuele ontvoogding en toenemende scholingsgraad moet je niet enkel een opinie hebben, je moet er nu ook naar leven. Dat is de befaamde plicht tot vrijheid, de verplichte vrije keuze. Om maar te zeggen: in onze maatschappij, dus niet enkel in de politiek, staat inspraak meer dan ooit centraal. We beslissen met zijn allen over alles. Laten we een dergelijk paradijselijk systeem dan ook met zorg en liefde verdedigen, ja zelfs koesteren, en de wereld rond uitvoeren.

De sociale controle door de politieke en andere elites - vergis u niet, die is er nog steeds - is vandaag meer dan ooit gebaseerd op ‘instemming’. Geen enkel politiek systeem is zo legitiem als datgene waarin de burgers geloven dat ze een grote zeg hebben over hun eigen leven en dat van hun res publica. Vandaag wordt door politici, maar ook door zakenlui of mediamensen onophoudelijk geproclameerd dat de individuele kiezer, koper, kijker het voor het zeggen heeft, dat hij beslist, dat zijn voorkeur en gedacht doorslaggevend is. En elke keer opnieuw is dat maar een heel klein beetje waar. De illusie van de onophoudelijke en vrije keuze is zeer oud en al even vals. U begrijpt, een dergelijke kritische duiding van de argumentatie die de elitaire beroepspolitici naar voor schuiven om o.a. deze kieshervorming te ‘verkopen’, komt dan ook snel in de vuurlinie te liggen. Het is makkelijk schieten op de pianist. Onze melodie doet niet enkel ouderwets aan, ze is dat ook.

Met andere woorden

De politieke burgerretoriek - meer inspraak voor de kiezers! - is in zekere zin misleidend en valselijk. In concreto voor wat de partij- of kieshervorming betreft. In globo voor wat het functioneren van het hele politieke systeem betreft. Ook de populaire ‘volksvertegenwoordigers’ beseffen maar al te goed dat een oligarchische werkwijze door de eerder omschreven ontwikkelingen onder druk staat. En dat er dus een andere strategie nodig is om hun machtspositie te beveiligen, ja zelfs te versterken. Een hiërarchische politieke cultuur of meer openlijk autoritaire stijl doet het niet meer, kan ook niet meer. Het mechanisme van de consensusdemocratie van voorheen lijkt voorbijgestreefd. Toen konden de geledingen nog door bevel en commando’s gestuurd worden. Over die commando’s werd beslist in het horizontaal overleg tussen elites.
Vandaag zijn die verticale geledingen grotendeels opgelost. Vakbonden moeten dienstencentra zijn, politieke partijen hebben hun slinkende leden niet meer van doen, het zijn de kiezers die tellen. Politici en hun volkspartijen moeten vandaag vooral ‘sympathiek’ zijn. Aardige, herkenbare jongens en meisjes van vlees en bloed. Mensen zoals u en ik, volkslui dus. Ze zijn tegen niemand, maar altijd voor iedereen en voor verzoening van alles met alles. En we kennen ze haast persoonlijk, ze komen vaak via de kijkbuis op bezoek. En dan hebben ze het zeker niet altijd over politiek, maar ook over hun vrouw of hobby’s. En ze koken ook wel eens lekker. En ze willen ons allemaal om onze mening vragen, en ze luisteren en handelen daar ook naar. En ze willen ons niet meer besturen, hoogstens een beetje sturen om ons zodoende de vrijheid te geven om als gelijken alles zelf te regelen. En ze begrijpen onze kritiek op de politiek. Ze zijn eigenlijk zelf geen politici meer. Ze willen ons daarom de macht terug geven. Precies omdat ze het zo goed met ons voor hebben, zijn ze voor de burgerdemocratie. Omdat wij het daarin voor het zeggen hebben. Omdat wij zo graag zelf zoveel mogelijk kiezen willen ze ons daar gaarne de mogelijkheid toe geven. En daarom mogen we b.v. in referenda ons gedacht zeggen. Omdat onze keuze zo belangrijk is halveren ze de kopstem. Opdat wij tussen zoveel mogelijk toffe gasten zouden kunnen kiezen zijn er nu provinciale kieskringen en doen ze voor ons allemaal hun ding op de senaatslijst. Allemaal voor ons!

De oligarchie kan zodoende op ‘populaire wijze’ de bestaande machtspositie en -verhoudingen legitimeren. Door een aanpassing van hun politiek vertoog. Daarin veroordelen de politici de mistroostige behandeling van de burger in de ouderwetse vertegenwoordigende democratie. Hun remedie voor deze kwaal: de burgerdemocratie. Deze burgerdemocratie is evenwel in zekere zin een illusie. Politiek is een ingewikkelde kwestie, waar professionals met de nodige talenten, opleiding, ervaring en dossierkennis in besloten kring met elkaar onderhandelen over complexe vraagstukken die vele facetten en deelbeschouwingen beslaan. Via de koppeling van soms ongerelateerde dossiers worden, verspreid over jaren, compromissen gesloten. De leden van de ouderwetse oligarchie weten dat. Maar, een dergelijk verhaal slaat niet meer aan. En bovendien lukt de voortzetting van business as usual best ook mét de intrede van de burgerdemocratie. Die burgerinspraak kan immers geen tegenpartij zijn tegen de macht van de elite, van de beroepslui. Maar laten we dat absoluut ontkennen en elkeen die, tegen de common sense in, deze kritiek durft verwoorden als hopeloze cynici marginaliseren. Zo legitimeert de elite haar eigen macht door de volkse ontkenning van het bestaan ervan en door het sympathieke tegenoffensief dat ogenschijnlijk alle macht bij de burgers nestelt. Met een aangepast discours schakelt de oligarchie zich helemaal in een aantal maatschappelijke ontwikkelingen in. Individualisering, ontvoogding, het belang van overleg tussen gelijken en soortgelijke ontwikkelingen in onze ‘mediamaatschappij’ die de ouderwetse legitimatie bemoeilijken worden zodoende positief ingeschakeld om de macht van enkelen te behouden of te versterken. Ook een politiek imago à la teletubbies, moet aansluiten bij de heersende tijdsgeest. En de sympathieke hervormers bespelen die als geen ander.
Maar in tegenstelling tot vroeger is dat imago daardoor minder in overeenstemming met de minder sympathieke en meer ouderwetse politieke machtsrealiteit achter de schermen van de mediapolitiek. Vraag dat b.v. maar eens aan Derk Jan Eppink, die niet meer op vrijdag in De Standaard is. Dat de politiek oligarchisch georganiseerd is, is begrijpelijk en nog steeds tot op zekere hoogte onvermijdelijk en verdedigbaar, al hoor je dat haast niemand meer beweren. Aan die organisatiewijze zijn veel voor- maar ook veel nadelen verbonden. Elkeen die deze werkwijze blindelings verdedigt móet dus wel een en ander over het hoofd zien. Maar ook aan het hypocriet discours dat dit in de burgerdemocratie helemaal anders is, zijn gevaren verbonden. Dat is immers een illusie, en daarop volgt veelal ontgoocheling. Vroeg of laat. Wijzen de signalen dat mensen opnieuw om ‘meer leiderschap’ vragen op een nakend keerpunt?
Laten we bij dit alles nimmer uit het oog verliezen dat het in ‘de politiek’ om macht gaat, om de mogelijkheid om alternatieven hoorbaar te formuleren of om dat precies onmogelijk te maken, om te bepalen wat het onderwerp van discussie is en welke kritiek of alternatieven salonfähig kunnen zijn. Politieke macht bestaat er ook in kritiek die de elitaire consensus, de conventional wisdom aan de kaak wil stellen of wil ondergraven, uit te schakelen of te ridiculiseren. De elites fungeren daarbij als epistemic communities die als volleerde poortwachters de agendasetting beheersen. Daartoe gebruiken ze o.a. de mythe van de burgerdemocratie en de illusie dat deze in aantocht is en (straks) alles zal veranderen. Zoals een organisatie zich zelden opheft, zo evenmin een machtige elite. Laat ons dat als een padafhankelijkheid van het politiek systeem beschouwen. Met andere woorden, aldus E.E. Schattschneider: ‘The definition of alternatives is the supreme instrument of power; the antagonists can rarely agree on what the issues are because power is involved in the definition. He who determines what politics is about runs the country, because the definition of the alternatives is the choice of conflicts and the choice of conflicts allocates power. […] Some issues are organized into politics while others are organized out.’9 Vandaag is, zo blijkt opnieuw uit een kieshervorming, het alternatief de burgerdemocratie waarin vrije, kritische individuen zoveel als mogelijk kiezen voor vrije, kritische individuen. Dat is het alternatief voor de ouderwetse, verworpen compromispolitiek waarin elites het onder elkaar deden. Althans, zo wil die elite nieuwe-stijl ons doen geloven. En als we dat geloven, dan is de kwestie van hun machtsmonoplie organized out of politics. Maar daar liggen weinigen van wakker.

Carl Devos
Professor Politieke Wetenschappen aan de Universiteit Gent
Tom Verstraete
Assistent Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent

Noten
1/ Michels, R., Political parties: a sociological study of the oligarchical tendencies of modern democracy. New York, Dover Publications, 1959.
2/ Deschouwer, K., Organiseren of bewegen. Brussel, VUBPress, 1993, pp.141-142.
3/ Sartori, G., Parties and party systems. Cambrigde, Cambridge University Press, 1976, p.44.
4/ De (evenzeer kritische en mondige?) Ieren waren niet de eersten die zich een tweede maal over dezelfde kwestie moesten uitspreken, in dit geval omdat hun eerste ‘nee’ over het verdrag van Nice voor weldenkend Europa onaanvaardbaar was. Begrijpe wie begrijpen kan. En gelukkig dat het deze keer wel goed zat. Maar zelfs mét een Ierse afwijzing zouden creatieve rampscenario’s ervoor zorgen dat het Europees feest van de bezieling kon doorgaan. De eigenaardige behandeling van de volkswil is dus niet louter een Belgische aandoening.
5/ Voorbeelden hiervan zijn legio de laatste tijd. Zo was er de opmerkelijke demarche van Pieter de Crem op het laatste CD&V-congres of de uitspraken van Hugo Coveliers net voor de opmaak van de begroting. Ook de sp.a had haar brandje naar aanleiding van de visie van Robert Voorhamme over het integratiebeleid tijdens het teletubbie-weekend.
6/ Lijphart, A., The politics of accommodation: Pluralism and democracy in the Netherlands. Berkerley, University of California Press, 1968, pp.122-138.
7/ Lehmbruch, G., ‘A non-competitive pattern of conflict management in liberal democracies: The case of Zwitserland, Austria and Lebanon’. In: McRae, K., Consociational democracy. Political accommodation in segmented societies. Toronto, McClelland and Stewart Limited, 1974, p.94.
8/ Gramsci, A., Prison Letters. (transl. and intr. by Henderson, H.) London, Pluto Press, 1996. Zie b.v. ook Ransome, P., Antonio Gramsci. A new introduction. New York, Harvester Wheatsheaf, 1992.
9/ Schattschneider, E.E., The semisovereign people: A realist’s view of democracy in America. Chicago, Holt, Rinehart and Winston, 1983, p.66 en p.69.

verkiezingen - participatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 4 tot 12