Log in

Politiek in Nederland - Voor en na de LPF

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 17

Deze bijdrage is gebaseerd op de lezing die Paul Kalma op 20 november 2002 aan de KUBrussel hield in het kader van de ISPO/IPSoM-lezingen1. In een kort naschrift levert hij ook commentaar op de verkiezingsresultaten van 22 januari 2003.

‘Politiek in Nederland’, lezen we bij de essayist en columnist H.J.A.Hofland in zijn roman Man van zijn eeuw uit 1993, ‘bestaat uit een verzameling trucjes om te voorkomen dat je verliest zonder dat je het risico loopt dat je wint. Luisteren naar een politicus is net als fietsen door mul zand. Het kost je de grootste moeite om vooruit te komen en het lukt je niet om ook maar een meter rechtdoor te gaan.’2 Dat was politiek in Nederland vóór de LPF. Het is volgens velen ook politiek in Nederland na de LPF. En Hofland zelf zal waarschijnlijk vinden dat het ook politiek in Nederland tijdens de LPF was - alleen dan een stuk lawaaiïger.
De uitnodiging om terug te blikken op wat zich het afgelopen jaar in Nederland heeft afgespeeld, heb ik met plezier aangenomen - niet in de laatste plaats omdat een buitenlands (in dit geval: Belgisch) gehoor een extra stimulans vormt om met enige afstand naar het eigen land te kijken. De titel die me gesuggereerd werd, past uitstekend. Wel heb ik nog een wat pregnantere aanhef overwogen: ‘de ontketende kaaskop’. Die gebruikte ik een kleine drie jaar geleden in een artikel in het dagblad Trouw, waarin ik Pim Fortuyn (toen nog een eenvoudig en relatief onbekend columnist) en het weekblad Elsevier aanviel op hun hoogst eenzijdige opstelling jegens asielzoekers en jegens immigranten in het algemeen.3
Het was de eerste keer dat Fortuyn vanuit de ‘linkse kerk’, zoals hij het noemde, hard geattaqueerd werd; de eerste keer dat hij in zijn ogen door zijn tegenstanders serieus werd genomen. Ik ben nog altijd trots op dat artikel. Ik ontken wel elk verband met Fortuyn’s latere politieke carrière. En ik geef graag toe dat ik op het moment van schrijven in de verste verte niet vermoedde in welke mate de Nederlandse kaaskop twee jaar later zou ontketenen.

Een verbazingwekkend jaar

Politiek in Nederland in 2002: er is heel veel gebeurd - en het nieuwe jaar heeft daar, zoals ik in een nawoord zal toelichten, alweer een extra verrassing aan toegevoegd. Ik vat de belangrijkste gebeurtenissen nog even zeer beknopt samen:
- De kiezers ploegden bij de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei het hele politieke landschap om. Alle paarse coalitiepartijen (Partij van de Arbeid, VVD, D66) verloren dramatisch, de PvdA in het bijzonder. De christendemocratie keerde terug als grootste partij en als spelverdeler in de Nederlandse politiek. Protestpartijen, met name de Lijst Pim Fortuyn (LPF), legden beslag op een kwart van de stemmen. En de progressieve partijen (PvdA, D66, GroenLinks, SP) raakten gezamenlijk maar liefst een derde van hun aanhang kwijt.
- Het meest in het oog springend was natuurlijk de onstuitbare opmars van Pim Fortuyn. Op 6 maart behaalde hij in Rotterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen een monsteroverwinning: meer dan 35% van de stemmen. Zijn breuk met Leefbaar Nederland (een verzameling lokale partijen) en de haastige vorming van een eigen Lijst Pim Fortyn leidden niet tot de verwachte daling, maar tot een verdere stijging in de opiniepeilingen.
Fortuyn leek zelfs grote kans te maken om, als leider van een winnende LPF, minister-president te worden - tot hij op 6 mei in het Mediapark Hilversum werd vermoord. Een moord die heel Nederland schokte, die massaal rouwbetoon in en buiten zijn woonplaats Rotterdam uitlokte en die tot bedreigingen aan het adres van linkse politici leidde. De verkiezingen vonden op 15 mei in een onwerkelijke sfeer plaats. De LPF won, met een vermoorde politicus als lijsttrekker, 26 zetels en werd daarmee de tweede partij van het land.
- En alsof dat allemaal nog niet genoeg was: het na coalitieonderhandelingen gevormde kabinet van CDA, VVD en LPF ging na ruim twee maanden aan de onervarenheid, de onderlinge ruzies en de individuele machtsbelustheid van LPF-politici ten onder - met als gevolg: nieuwe verkiezingen op 22 januari 2003. Die verkiezingen brachten de LPF een verregaand verlies, het CDA een consolidatie van de eerder behaalde winst en de PvdA, onder leiding van de nieuwe lijsttrekker Wouter Bos, een spectaculair herstel. Back to normalcy, zo lijkt het, zij het met een wat groter onderscheid tussen links en rechts in de Nederlandse politiek. Heel wat anders, in ieder geval, dan Pim Fortuyn voor ogen stond.

In deze bijdrage wil ik proberen om aan te geven wat de achtergronden zijn van de politieke revolte die in Nederland heeft plaatsgehad. Wat er, na het optrekken van het stof, nu werkelijk veranderd is en wat niet, en welke conclusies in het bijzonder de sociaaldemocratie zou moeten trekken. Maar ik begin met de verbazing terug te roepen en vast te houden waarmee (in Nederland, maar ook in België en andere landen) op de gebeurtenissen is gereageerd. Want bij alle verklaringen die er inmiddels op losgelaten zijn, bij alle analyses en commentaren die er aan zijn gewijd, blijven ze iets onverwachts, iets explosiefs, iets onverklaarbaars houden. En zoals het in het algemeen goed is om je vermogen tot verbazing op peil te houden, zo geldt dat ook hier.
Die verbazing (voor een deel gemengd met een zekere gêne) betreft in de eerste plaats het feit dat een in veel opzichten succesvolle regeringscoalitie zo snel en zo volledig onderuit kon gaan. Zeker, het tweede paarse kabinet (1998-2002) was aanzienlijk minder succesvol dan het eerste (1994-1998). En voor de goede prestaties op sociaaleconomisch gebied (werkgelegenheid, financieringstekort) hadden de partijen van de paarse coalitie hun beloning al gehad bij de verkiezingen van 1998. Toch waren de Nederlandse kiezers tot diep in 2001 redelijk tevreden over het zittende kabinet; stonden conservatief-liberalen en sociaaldemocraten er goed voor in de opiniepeilingen en ging iedereen er op goede gronden van uit dat de verkiezingen zouden gaan over de vraag: wordt de VVD of de PvdA de grootste partij van Nederland? En dus ook: wordt Dijkstal of wordt Melkert de nieuwe minister-president? Het is heel anders gelopen - en beide politici hebben de Nederlandse politiek al een half jaar geleden verlaten.
Dat een redelijk succesvolle regering bij verkiezingen zo dramatisch onderuit kon gaan, wekte ook in het buitenland verbazing. Men volgde de ontwikkelingen in Nederland natuurlijk niet op de voet, en zoals alle modellen werd ook het ‘poldermodel’ te veel opgehemeld. Maar desondanks werd Nederland met kracht van argumenten, vooral ter linkerzijde in Europa, als een voorbeeld beschouwd, als een bewijs dat men de werkloosheid en het financieringskort drastisch kan verminderen, zonder in een hard rechts beleid van vergaande inkomensdenivellering en vergaande aantasting van werknemersrechten te vervallen. ‘You were first, Wim’, zei Bill Clinton drie jaar geleden namens een grote groep centrumlinkse regeringsleiders tegen Wim Kok. En door Duitse en Franse partijgenoten werd na dramatische verkiezingsnederlaag van de PvdA gezegd: ‘hoe is dat mogelijk? In eigen land waren we dolgraag met jullie beleidsresultaten de verkiezingen ingegaan.’
Verbazing wekt de verkiezingsuitslag in de tweede plaats vanwege de snelheid waarmee uiterst populaire politici aan aanzien en gezag kunnen verliezen. Wim Kok was zo’n politicus. Nog in het begin van 2002 werd de voltrekking van het (aanvankelijk niet onomstreden) huwelijk van prins Willem-Alexander met de Argentijnse Máxima, overal als de bekroning van een zeer succesvol premierschap gezien. Het was het hoogtepunt in een carrière waaronder hijzelf nu een streep wilde zetten. Drie maanden later had Kok als premier van een inmiddels vergaand verzwakt, uitgeblust en onderling nog bekvechtend kabinet een groot deel van dat gezag verloren. Vervolgens bracht hij dat kabinet zelf voortijdig ten val (vanwege een kritisch evaluatierapport over de val van Srebrenica in 1995), om vervolgens ook nog te moeten aanzien hoe zijn opvolger als lijsttrekker van de Partij van de Arbeid, in 2001 door hemzelf aangewezen, in de verkiezingscampagne roemloos ten onder ging.
Als persoon kan Wim Kok, nu het in Nederland weer wat rustiger geworden is, nog altijd op veel sympathie rekenen. Maar zijn razendsnelle politieke afbladdering blijft opmerkelijk en moeilijk te verklaren - en hooguit vergelijkbaar met wat in 1994 zijn voorganger Lubbers en diens kroonprins Brinkman overkwam, en wat er later in Duitsland met Helmut Kohl gebeurde.
Verbazingwekkend is, in de derde plaats, de hele omslag in het maatschappelijk klimaat die zich in het voorjaar in Nederland voltrok - en waarvan de sporen nog altijd zichtbaar zijn. Van de gezapige politieke cultuur die Nederland kenmerkte, was even niet veel over.

Ik noem:
- het enthousiasme dat Pim Fortuyn in de verkiezingscampagne wist te wekken; het massale rouwbetoon na zijn dood: de omgeving van zijn huis in Rotterdam één grote bloemenzee; tienduizenden bij zijn begrafenis en zijn tijdelijke begraafplaats nabij Haarlem in ruim twee maanden tijd door 150.000 mensen bezocht;
- de sfeer van bedreiging en intimidatie die na de moord op Fortuyn over de Nederlandse politiek is komen te hangen. De bedreigingen met de dood aan het adres van vooraanstaande linkse politici als Ad Melkert en Paul Rosenmöller en vele anderen - al dan niet in de hand gewerkt door uitspraken van LPF-politici dat ‘de kogels van links kwamen’. De bedreigingen hebben Melkert en zijn gezin diep geraakt en vormen de belangrijkste achtergrond van het onverwachte aftreden in de herfst van Rosenmöller als aanvoerder van GroenLinks.
- de introductie door de nieuwe, 26 man sterke, fractie van de LPF van omgangsvormen in en rond het Binnenhof die daarvoor, zacht gezegd, niet gebruikelijk waren. Parlementszetels die geheel of gedeeltelijk gekocht blijken te zijn; ministers die het kabinet in een onderlinge, puur persoonlijke machtsstrijd ten val brengen; en Kamerleden die elkaar publiekelijk voor ‘grote lul’ uitmaken (‘ik verstond ‘grote nul’’, zegt de voorzitter van de Tweede Kamer dan met het oog op het parlementaire verslag) en over een collega-Kamerlid met een psychiatrisch verleden: ‘ze heeft haar pilletjes kennelijk nog niet geslikt.’ Het is allemaal even wennen.
Het verschijnsel-Fortuyn is al even ter sprake gekomen. Het verdient natuurlijk bij een beschouwing over één jaar politiek in Nederland nadere beschouwing - waarbij de verbazing opnieuw niet kan ontbreken. Hoe is het mogelijk dat Fortuyn in zo korte tijd zoveel steun onder de bevolking kon krijgen (in Rotterdam, zoals gezegd, 35% van de stemmen) en dat het politieke establishment in de campagne en bij de lijsttrekkersdebatten zo weinig verweer tegen hem had - met het tv-debat na zijn overwinning in Rotterdam, op 6 maart, als hilarische illustratie?

Was het zijn programma? Voor een deel. Hij heeft de onvrede die er onder de kiezers leefde, met grote behendigheid gemobiliseerd. Maar consistent was zijn programma allerminst - zo er op het laatst überhaupt nog van een programma sprake was. Wat dat betreft is er een duidelijke verschuiving waarneembaar van zijn prepolitieke periode, als columnist van het weekblad Elsevier, waarin hij stellingen betrok die zeer verwant waren met die van rechts-populisten en rechts-extremisten elders in Europa (zij het vermengd met een flinke portie modern hedonisme en vrij van elke binding met het traditionele fascisme - maar wel anti-Europees, buitenlander-vijandig en vol bewondering voor Haider en Janmaat) naar zijn programma als lijsttrekker van Leefbaar Nederland en van de Lijst Pim Fortuyn.
In dat programma combineerde hij een hard immigratiebeleid met een meer verzoenende houding tegenover gevestigde immigranten (en passeerde hij links de PvdA met een pleidooi voor legalisering van een groep van enkele duizenden illegalen). Hij ging ook andere standpunten (zoals zijn pleidooi voor scholen zonder computer, voor afschaffing van de Wet op de Arbeidsongeschiktheid) nuanceren. Voor elke kiezersgroep haalde hij wel iets moois tevoorschijn - heimwee naar de knusheid en overzichtelijkheid van de verzuilde jaren vijftig moeiteloos combinerend met een verdediging van de seksuele bevrijding van de jaren zestig; een vergaand privatiseringsbeleid van publieke voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg) met gemak koppelend aan felle kritiek op een vergelijkbaar beleid bij de spoorwegen en in de energiesector. Etc. etc.

Fortuyn, zo is wel gezegd, wilde eerst en voor alles minister-president worden - en was bereid om elk standpunt te verdedigen dat daarvoor dienstig was. Is dat waar (en er zit, voor wie z’n programmatische souplesse onder ogen ziet, heel wat in), dan had hij, als hij was blijven leven en als hij minister-president was geworden, het ook willen blijven - en was de gedreven bestrijder van het politieke establishment misschien een uiterst pragmatisch politicus geworden. Maar dat is iffy history, pure speculatie.
Was het dan, tenslotte, zijn persoon? Was het zijn charisma dat hem als kandidaat-Kamerlid en beoogd premier zo succesvol maakte? Joop Ellemers, oud-hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Groningen, heeft daarover een interessant artikel gepubliceerd. Pim Fortuyn, schrijft hij in het tijdschrift Facta4, is een zuiver geval van charismatisch gezag. Niet in de alledaagse zin van het woord (populair, aantrekkelijk, mediageniek), maar in de specifieke betekenis die Max Weber er aan gegeven heeft.
Charismatisch leiderschap wordt volgens Weber door drie factoren gekenmerkt:
- het gezag is gebaseerd op aan een bepaalde persoon toegeschreven buitengewone, soms zelfs bovennatuurlijke of messianistische gaven of kwaliteiten;
- het gaat niet alleen om die persoonlijke kwaliteiten, maar vooral ook om het vertrouwen van de volgelingen in de gaven van de leider, om de intense relatie tussen leider en volgelingen;
- een charismatisch leider is degene die de dagelijkse routine weet te doorbreken, die geestdrift opwekt en perspectieven weet te bieden op maatschappelijke verandering, op doorbreking van de status quo.
Volgens Ellemers voldeden Fortuyn en zijn beweging aan al deze kenmerken. Hij was bovendien een zuiver voorbeeld van dit charismatisch leiderschap, omdat hij vanwege zijn gewelddadige dood de onvermijdelijke routinisering van het charisma (Weber: Veralltägligung) niet heeft meegemaakt. Fortuyns leven eindigde ‘op het moment dat (zijn) gezag net tot wasdom begon te komen.’
Het is een interessante visie op het verschijnsel-Fortuyn, maar ik zie wel één groot probleem: Weber zag dit type gezag ontstaan in tijden van maatschappelijke en politieke crisis. Ellemers geeft dat zelf ook aan. ‘Charismatisch leiderschap’, schrijft hij, ‘ontstaat vooral in situaties van crisis, nood, malaise of onzekerheid - of situaties die tenminste als zodanig beleefd worden. Door een andere socioloog, Norbert Elias, is het dan ook aangeduid als Krisenherrschaft.’ En Ellemers vervolgt: ‘charismatisch leiderschap heeft, zo gezien, een grote transformerende potentie en wordt door Weber en anderen als een belangrijke, zelfs revolutionaire kracht in perioden van sociale verandering beschouwd.’
Welnu, Fortuyn heeft veel losgemaakt, maar het kost me grote moeite om hem met Krisenherrschaft in verband te brengen, om me Nederland anno 2001 (het welvarende, nogal zelfgenoegzame Nederland) als land in nood, vol malaise en onzekerheid, voor te stellen, om de nadagen van paars als een soort prerevolutionaire situatie op te vatten. Ook Ellemers neemt, met andere woorden, de verbazing niet weg.

De revolte verklaard

Dit alles ter inleiding. Ik ga snel verder want de lezer zit waarschijnlijk niet te wachten op een Nederlander die uitsluitend zijn verbazing uitspreekt over wat er in zijn eigen land allemaal heeft plaatsgevonden. Ik doe een poging tot verklaring van de electorale revolte van 15 mei - met de kanttekening die de Rotterdamse politicoloog Van Schendelen onlangs maakte, nl. dat hij inmiddels wel 19 verklaringen voor de kiezersrevolte van 15 mei heeft gehoord - en dat er in allemaal wel iets inzit.
Ik laat een aantal belangrijke internationale factoren, in de eerste plaats ’11 september’ en de belangrijke invloed die die gebeurtenis en zijn gevolgen ook in Nederland heeft gehad, buiten beschouwing en concentreer me hier op een drietal, overigens niet-specifiek Nederlandse thema’s:
- ten eerste: de opkomst van de zelfverzekerde burger, die graag lucht geeft aan zijn ongenoegen en zijn ergernissen en die van niemand (en dus ook niet van de overheid) veel meer accepteert;
- ten tweede: de rol van de media,
- ten derde: de technocratisering van de politiek en de vergaande afvlakking van politieke tegenstellingen.
Bij dat alles benadruk ik nog eens dat ook nationale factoren van conjuncturele aard natuurlijk een rol hebben gespeeld. Eén zo’n factor was de geringe uitstraling en overtuigingskracht van de lijsttrekkers van VVD en PvdA, Dijkstal en Melkert. Beiden weinig charismatisch, beiden routiniers in de politiek, maar zonder veel gezag en beiden kampioenen van het voorzichtige politieke midden. Was Wim Kok weer lijsttrekker van de PvdA geworden, dan had de LPF ver, maar lang niet zo ver kunnen komen. Was Frits Bolkestein nog leider van de VVD geweest, dan was Fortuyn ter rechterzijde veel wind uit de zeilen genomen.

Een eerste verklaring voor ’15 mei’ kan worden gezocht in de opmars van de zelfverzekerde burger, van de burger-consument die waar voor zijn geld wil en die de politiek daar graag op ‘afrekent’. Nu viel er op 15 mei 2002 inderdaad wel wat af te rekenen.
Het image van de overheid had flinke deuken opgelopen. Als gevolg van een bestuurlijke ‘gedoogcultuur’ die in twee gevallen op grootscheepse rampen was uitgelopen: de grote brand in cafés in Volendam en de ontploffing van een vuurwerkfabriek in Enschede. Als gevolg van bestuurders, op lokaal en op nationaal niveau, die geen verantwoordelijkheid namen voor wat er mis ging en rustig op het pluche bleven zitten (de zg. ‘sorry-democratie’). En als gevolg van fraude en gesjoemel waarbij ministeries en/of individuele bestuurders direct of indirect betrokken waren.
Had het gezag van de overheid dus schade opgelopen, daarnaast kwam ook de publieke dienstverlening onder vuur te liggen. De aanstelling van meer politieagenten bleek de stijging van de criminaliteit niet te hebben verminderd. In de gezondheidszorg namen de wachtlijsten verder toe en bleken ook nieuwe investeringen daaraan weinig te veranderen. De Nederlandse Spoorwegen belandden, vanwege een overhaaste, halverwege afgeblazen privatisering, vanwege bezuinigingen en vanwege onvrede onder het personeel, in een crisis - waarvan de reizigers een aantal malen zeer zichtbaar de dupe werden. Kortom, het Nederlandse electoraat had weldegelijk enige reden tot klagen, ook al stond er op sociaaleconomisch gebied nog altijd veel tegenover; en ook al zijn de meeste publieke voorzieningen nog altijd van behoorlijke kwaliteit.

Toch had de reactie van de kiezers iets overdrevens, iets excessiefs. De journalist Hubert Smeets bracht de verkiezingsuitslag in een artikel in NRC Handelsblad5 in verband met de aanhoudende economische hoogconjunctuur; met het ontbreken van sociale problemen die in andere Europese landen nog altijd hoog op de politieke agenda staan: massawerkloosheid, vergaande segregatie en een bijbehorende armoede- en/of geweldscultuur. Bij forse economische tegenwind, aldus Smeets, zouden de kiezers een vergaand experiment met de LPF en met andere protestpartijen waarschijnlijk niet aangedurfd hebben, ze zouden hun toevlucht toch maar weer tot de gevestigde partijen gezocht hebben. Maar in een atmosfeer van aanhoudende welvaart konden bestaande spanningen en irritaties (over de multiculturele samenleving, over de publieke voorzieningen) gemakkelijk uitvergroot en opgeblazen worden.
Het lijkt me een plausibele redenering, waaraan ik nog iets wil toevoegen dat ik drie jaar geleden, in mijn al genoemde polemiek met Fortuyn en Elsevier, al eens aangesneden heb. De welvarende, geëmancipeerde burger calculeert en staat graag op z’n rechten. De schaduwzijde daarvan is eens fraai onder woorden gebracht door de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau in Den Haag, Paul Schnabel. Respect, heeft hij eens opgemerkt, was vroeger iets dat je anderen verschuldigd was. Tegenwoordig is het meer iets dat je van anderen verlangt, zo niet opeist. Een deel van het ongenoegen dat in Nederland nu zo vrijelijk gespuid wordt over van alles in het algemeen en over de multiculturele samenleving in het bijzonder, heeft naar mijn mening deze achtergrond.

Nogmaals, de kiezers hadden op 15 mei weldegelijk enige reden om te klagen. Maar op die datum klom ook een burger op het politieke toneel die, bij gebrek aan echte grote maatschappelijke problemen, de eigen ongenoegens en irritaties veel zwaarder aanzette dan objectief gerechtvaardigd was. In diezelfde richting wijzen bijvoorbeeld opiniepeilingen in Nederland over de kwaliteit en de kwaliteitsbeleving van voorzieningen op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Regelmatig blijkt het oordeel van de bevolking als geheel negatiever te zijn dan dat van de gebruikers van de betrokken voorzieningen. Onvrede over de gezondheidszorg, relatieve tevredenheid bij patiënten. Daar klopt iets niet helemaal.

Een tweede verklaring betreft de steeds grotere rol die de media in de politiek en in verkiezingscampagnes spelen. Het succes van Pim Fortuyn valt niet los te zien van de enorme mediacoverage die hij vanaf zijn aantreden als lijsttrekker gekregen heeft - en die hij uitermate handig en doeltreffend gebruikt heeft. De concurrentie tussen kranten en tv-stations en nieuwsrubrieken onderling; het terugtreden van vakjournalisten ten gunste van mediapersoonlijkheden, die politici alleen nog maar op persoonlijke eigenschappen, en niet meer op hun dossierkennis en hun specifieke politieke opvattingen aanspreken - ze maakten althans de Nederlandse verkiezingen tot één grote soundmixshow, waarin de brutaalste en de meest clowneske aan het langste eind trok. Het opvallendste daarbij was misschien wel dat serieuze politici daar ogenschijnlijk onbekommerd aan meededen. Hans Dijkstal en Ad Melkert, die zich door Paul de Leeuw in een clownspak lieten hijsen - en vervolgens over Srebrenica doorgevraagd werden: het hoeft het aanzien van de politiek niet per se ten goede te komen.

In Nederland is deze ontwikkeling wel gesignaleerd, maar geen onderwerp van diepergravende journalistieke en wetenschappelijke beschouwingen. Dat ligt anders in België, waar bijvoorbeeld Luc Huyse enkele jaren geleden in De politiek voorbij6 de groeiende politieke macht van de media heeft gesignaleerd en op de geslotenheid en het gebrek aan zelfreflexie van de pers heeft gewezen. Een ander voorbeeld is Mark Elchardus. Deze heeft in een voordracht (later uitgewerkt in zijn boek De dramademocratie7) de opmars van het populisme in Europa onder meer in verband gebracht met de rol van de media in de politieke communicatie. Die rol, zo meent hij, is veel te groot geworden. Ik citeer: ‘Blijkbaar kunnen (de media) die taak niet aan zonder dat dit leidt tot apathie, politieke vervreemding, anti-politiek en antidemocratische gevoelens. Ik heb het daarbij niet over kranten, want de aandachtige krantenlezers zijn dikwijls ook actief bezig in de civil society. Maar alles wordt overstemd door de audiovisuele media, waar de grens tussen nieuws, infotainment en entertainment vervaagt, en dus ook de grens tussen journalist en variété-artiest.’
‘Politieke communicatie enkel overlaten aan de massamedia’, concludeert Elchardus, ‘is slecht voor de democratie. Ik beschouw de demonopolisering van de politieke communicatie als een van de grootste uitdagingen.’ ‘Groot’, voegt hij er aan toe, ‘omdat ik er in de verste verte geen oplossing voor zie.’ Geen oplossing - maar het is al heel belangrijk dat het vraagstuk op tafel wordt gelegd.

Een derde structurele verklaring betreft de verschansing van de politiek in de instituten van wetgevende en uitvoerende macht, het gebrek aan rechtstreeks contact met de samenleving, de technocratisering van het beleid. Het zijn niet de zwakten van één bepaald kabinet, maar de zwakten van de Nederlandse politiek van een heel decennium of langer; gestimuleerd door een kiesstelsel dat politici in staat stelt om minister of zelfs lijsttrekker te worden, zonder ook maar eenmaal rechtstreeks en persoonlijk om de gunst van het electoraat te hoeven strijden en lange tijd aan het oog ontrokken door een gunstige economische conjunctuur en een prudent sociaaleconomisch beleid.

Het zijn bovendien de zwakten van de sociaaldemocratie in het bijzonder. Van een partij die zich door de aanvankelijke beleidssuccessen zand in de ogen liet strooien over haar inhoudelijke en electorale kracht in een sterk liberaliserende samenleving, die als geen andere stroming nog altijd verwachtingen heeft in te lossen - zowel van ‘gewone mensen’ (Jan Modaal) als van de intelligentsia. Een partij tenslotte die niet voor niks door Fortuyn en de zijnen tot mikpunt van hun campagne werd gemaakt - zowel in Rotterdam (‘jaag de PvdA het gemeentebestuur uit’) als bij de Tweede Kamerverkiezingen.
Waaraan schortte het de PvdA dan? In aansluiting op een zeer kritisch evaluatierapport van een PvdA-commissie onder leiding van de oud-minister van Milieu, Margreeth de Boer, (waaraan ikzelf heb meegeschreven), De kaasstolp aan diggelen8, constateer ik twee ernstige tekorten: enerzijds een merkwaardige mengeling van arrogantie en angst die het optreden van de PvdA als regeringspartij is gaan kenmerken; anderzijds een benauwd bestuurscentrisme, waarachter een gebrek aan zelfvertrouwen op programmatisch gebied schuilgaat. Deze gebreken zijn het aanzien van de PvdA als ‘natuurlijke regeringspartij’ steeds meer gaan ondergraven en hebben haar tot speelbal gemaakt in de electorale storm die met de komst van Fortuyn in Nederland is opgestoken.

Eerst was er die bestuurlijke arrogantie van de PvdA (en van de andere regeringspartijen). De beloften die het eerste paarse kabinet deed inzake een veel grotere betrokkenheid van de burger bij het openbaar bestuur zijn niet nagekomen. Staatskundige hervormingen werden niet of halfslachtig, en steeds met tegenwerking van VVD en PvdA, doorgevoerd. De politieke cultuur in Den Haag bleef sterk naar binnen gericht. De uitvoering en de maatschappelijke uitwerking van het beleid kregen veel te weinig aandacht. En het eigen loopbaanperspectief van (aspirant-)ministers leek minstens zo belangrijk te zijn geworden als het politiek programma waarop ze gekozen waren, zoals uit tal van interviews in de aanloop naar de verkiezingen viel op te maken (‘ik wil de volgende keer wel Gezondheidszorg’).

En dan was er de nauwelijks verhulde tegenzin waarmee menige minister verantwoording wenste af te leggen - of het nu om de ontwerp- of om de uitvoeringsfase van het beleid ging. Het inhoudelijk debat binnen en tussen regeringspartijen werd ontmoedigd (‘Ik debatteer niet want ik heb een meerderheid achter me’). Tot aftreden kwam het zelden of nooit - zelfs bij koerswijzigingen van 180 graden. En toen het kabinet dan toch - collectief - opstapte, naar aanleiding van het Srebrenica-rapport, ontbrak elke specifieke verantwoording voor die stap. Als grootste regeringspartij is de PvdA bij dat alles sterk op het CDA van weleer (en wellicht van over vijf jaar) gaan lijken. De banenmachine draaide op volle toeren. Partijcongressen verloren steeds meer aan inhoudelijke betekenis en fungeerden vooral als ontmoetingsplaats van de bestuurlijke elite. Dat de PvdA, net als de confessionele partijen vroeger, geen enkele voorkeur wilde uitspreken voor toekomstige coalitiepartners, viel in de afgelopen verkiezingscampagne zelfs helemaal niet meer op.
Deze arrogantie van de macht ging bij de PvdA vergezeld van een gebrek aan zelfvertrouwen op programmatisch gebied. Ze is een angstige partij geworden, die liever de trend volgde (milieu is uit, veiligheid is in) dan, op basis van de eigen sociaaldemocratische uitgangspunten, met burgers in gesprek te gaan over hun problemen en opvattingen. Ze vergat de samenleving te confronteren met de kosten die een serieuze aanpak van maatschappelijke problemen onvermijdelijk met zich meebrengt - en met de verdeling van die kosten. En ze liet zich niet meer horen over onderwerpen die ‘ver van het bed’ van de kiezer staan.

De grote verkiezingsnederlaag van de PvdA is dan ook niet zozeer te wijten aan gebrek aan belangstelling voor wat veel burgers bezig houdt. Over niets is het afgelopen jaar in deze partij zoveel gesproken als over veiligheid. Maar ze slaagde er niet in een overtuigende visie op dit vraagstuk te formuleren. In plaats daarvan herhaalde ze de clichés die rechts over criminaliteitsbestrijding bezigt - van de VVD (‘hogere straffen, hogere straffen’) tot Pim Fortuyn (‘elke agent mag aanhouden en fouilleren wie hij wil’). Dat veiligheidsbeleid verband houdt met het soort samenleving dat we willen, en dat een zerotolerance-maatschappij een uiterst onaangename maatschappij is, liet de PvdA onbesproken.
Andere voorbeelden zijn er te over. Het vraagstuk van de arbeidsimmigratie, waarover niet gesproken mocht worden. De hypotheekrente-aftrek die taboe bleef. De problemen in de publieke sector, die met consumentvriendelijke leuzen (‘de dienstbare overheid’) te lijf werden gegaan - maar waarachter de werkelijke issues (de dropoutproblematiek in het middelbaar beroepsonderwijs; de grote druk die de vergrijzing en een tekort aan arbeidskrachten op de gezondheidszorg leggen) verborgen bleven.
Ook onbesproken - en dat is minstens zo treurig - bleven vraagstukken van internationale aard. De internationale milieuproblematiek, de toekomst van Europa - ik heb er de PvdA, maar ook andere grote partijen, vóór 15 mei niet over gehoord. En datzelfde geldt voor ’11 september’ en zijn verstrekkende implicaties (oorlog tegen het terrorisme, strijd tegen armoede en ongelijkheid): volgens sommigen van grote invloed op de verkiezingsuitslag (‘de mensen zijn onzeker’- ik zet overigens vraagtekens bij die waarneming, zoals de lezer begrepen zal hebben), maar door geen van de lijsttrekkers in de verkiezingscampagne aangeroerd.

Dat is natuurlijk niet allemaal de schuld van de PvdA. Ook andere partijen verloren aanzienlijk, zij het niet zo veel. En ook is de dreun die de PvdA op 15 mei verkocht werd, niet uitsluitend toe te schrijven aan bestuurlijke arrogantie en politiek en intellectueel trendvolgerschap. ‘Externe’ factoren, zoals een door welvaartsgroei bevorderde depolitisering, een grimmiger internationaal klimaat en verlies aan sturend vermogen van democratische organen, hebben eveneens een rol gespeeld. Maar willen de traditionele partijen, en de PvdA in het bijzonder, hun politieke en electorale zeggingskracht herwinnen, dan zullen ze hun eigen tekortkomingen ernstig onder ogen moeten zien. Dat geldt overigens ook voor het christendemocratische CDA, dat op 15 mei als oppositiepartij electorale winst boekte. En dat in Balkenende een jonge, fris ogende lijsttrekker had en heeft - maar dat als gevestigde bestuurderspartij net zo goed het wantrouwen in de politiek (de Politikverdrossenheit) aan den lijve ondervindt.

Dat geldt ook voor een onderwerp dat tot nu toe alleen zijdelings door mij ter sprake is gebracht: immigratie en integratie. De aanzienlijke problemen op dit gebied, zo is het afgelopen jaar herhaaldelijk betoogd, vormen de belangrijkste verklaring voor de opmars van Fortuyns populisme. Fortuyn zou die problemen, dwars tegen de politieke correctheid van de Nederlandse politieke elite in, eindelijk aan de orde hebben gesteld. Op die redenering valt echter veel af te dingen. Zeker de langdurige werkloosheid (en daarmee samenhangende sociale problemen) onder immigranten is hoog. Hun snel en sterk gestegen aanwezigheid in sommige grotestadswijken zorgt voor extra complicaties en leidt tot weerstand onder autochtone bewoners. De culturele (vaak: islamitische) achtergrond van veel migranten leidt tot botsingen met in Nederland algemeen gedeelde waarden, zoals de gelijkwaardigheid van man en vrouw.
Dramatisch en onbeheersbaar zijn die problemen echter niet. In de onderwijsprestaties van allochtone leerlingen zit, zo blijkt uit onderzoek, een stijgende lijn, ook op zg. ‘zwarte’ scholen. De werklosheid onder immigranten, hoewel nog altijd hoog, is in de jaren negentig spectaculair gedaald. En uitgerekend het vermaledijde paarse kabinet wist, door middel van nieuwe wetgeving, het aantal jaarlijks asielaanvragen in Nederland sterk te verminderen en voerde ook inzake andere vormen van immigratie (illegaliteit, gezinsvorming) een streng beleid - strenger dan in de meeste andere landen van Europa. Het vermoeden rijst dat veel Nederlanders, geholpen door Fortuyn, hun onvrede over allerlei bestuurlijke en maatschappelijke misstanden op het vraagstuk van de ‘buitenlanders’ zijn gaan projecteren en voor het overige ook wel een leuk politiek verzetje konden gebruiken. ‘Hij zegt wat wij denken’, was een veelgehoord uitspraak toen Fortuyn zijn politieke opmars begon. Maar het was ook omgekeerd: ‘wij denken wat hij zegt’.
Dat het tot de populistische revolte van maart en mei 2002 kon komen, is voor een groot deel te wijten aan de gevestigde politieke partijen (arrogantie van de macht, bestuurscentrisme, onvoldoende politiek en maatschappelijk profiel). Maar dat wil niet zeggen dat er van een ‘multiculureel drama’9 sprake is en/of dat ‘het’ immigratie- en integratiebeleid in Nederland heeft gefaald.

Wat er zou moeten veranderen

Voordat ik, tot slot, nader inga op de lessen die in het bijzonder de PvdA uit ’15 mei’ zou moeten trekken, wil ik eerst nog een vraag beantwoorden die in Nederland tegenwoordig vaak gesteld wordt, nl.: keert met de dood van Fortuyn en het bestuurlijke échec van zijn partij in de afgelopen maanden, de rust niet terug in de Nederlandse politiek? Wordt de status quo hersteld en de revolte van 15 mei binnenkort niet voltooid verleden tijd?
Die vraag moet in eerste instantie bevestigend beantwoord worden. Daar komt bij dat de verkiezingsuitslag van 15 mei weliswaar grote verschuivingen te zien gaf, maar dat het politieke establishment (en ook de gevestigde media) al lang vóór 15 mei bezig waren om de revolterenden te apaiseren, op typisch Nederlandse wijze ‘in te pakken’. De feiten spreken voor zich. Het Nederlandse politieke bestel mag dan gesloten zijn, maar de LPF was wel in korte tijd een geheel geaccepteerde (zij het zeer instabiele) regeringspartij. Bovendien: Fortuyns gedachtegoed was dan wel radicaal en politiek incorrect - het werd wel met grote snelheid door de politieke en maatschappelijke elite opgenomen, zo niet ronduit omarmd.
In Rotterdam bleken VVD en CDA bereid om een coalitie met Fortuyn te vormen. En bij de landelijke lijsttrekkersdebatten vielen weliswaar harde woorden, maar werd de nieuwkomer al gauw als gesprekspartner aanvaard. De linkse partijen bleven samenwerking met Fortuyn inderdaad uitsluiten. Maar deden PvdA en VVD dat vroeger onderling ook al niet?

De metamorfose van Fortuyn van politieke outcast tot serieuze coalitiekandidaat relativeert niet alleen het geklaag over de geslotenheid van het Nederlandse ‘partijenkartel’, maar roept ook de stelling in herinnering die de Amerikaanse historicus James Kennedy in zijn fraaie studie over Nederland in de jaren zestig (Nieuw Babylon in aanbouw) betrekt. De toenmalige elites, aldus Kennedy, reageerden op de politieke en culturele woelingen van die tijd door zich, net als in eerdere crisissituaties in de Nederlandse geschiedenis, verregaand aan de tijdgeest (en aan de politieke contestanten) aan te passen.10 Welnu, veertig jaar later lijkt het met de kiezersrevolte van mei 2001 niet anders te zijn gegaan. Aanpassing als beheersingsstrategie: wat in de jaren zestig ‘linksom’ gebeurde, lijkt zich nu ‘rechtsom’ te gaan voltrekken.
Kennedy, zo moet daar aan worden toegevoegd, is niet onverdeeld positief over deze constante in de Nederlandse geschiedenis. De jaren zestig in Nederland zullen voor hem, zo schrijft hij in de inleiding van zijn boek, ‘een inspiratiebron en een waarschuwing’ blijven. Een inspiratiebron, omdat de pragmatische aanpassing van gezagsdragers aan veranderende tijden veel ellende voorkwam. Een waarschuwing, omdat die aanpassing voor een deel uit ‘slappe meegaandheid’ bestond.

Ook die waarschuwing is veertig jaar later opnieuw van toepassing. Daarmee kom ik bij de eerste les die uit ’15 mei’ te trekken valt. Dat de grote politieke partijen het externe debat ernstig verwaarloosd hebben, staat vast. De vraag is, hoe dat debat gevoerd moet worden - en met wie precies. Om te beginnen natuurlijk met degenen die zich, in slechte woon- en leefomstandigheden, door de politiek in de steek gelaten voelen. Met begrip voor hun problemen en respect voor hun opvattingen, maar zonder vooroordelen (over migranten, over het beleid, over politici) onbesproken te laten. En zonder heen te draaien om moeilijk bespreekbare, maar daarom niet minder reële ontwikkelingen - bijvoorbeeld dat Nederland een immigratieland is en dat de komende decennia ook zal blijven.
Er is bovendien een hele andere groep met wie politieke partijen het debat eindelijk eens aan zouden moeten gaan. De gegoede middenklassen, degenen met een heel behoorlijk tot een riant inkomen, zijn de afgelopen jaren door ‘paars’ in de watten gelegd. Dat zal moeten veranderen. Om een voorbeeld te geven: een serieuze aanpak van de problemen van de multiculturele samenleving, die degenen aan de ‘onderkant’ van de samenleving niet onevenredig belast, staat of valt namelijk met een grote mate van inschikkelijkheid, financieel en anderszins, van diezelfde middengroepen - of het nu gaat om een eventueel spreidingsbeleid, een adequate, gastvrije (en dus: kostbare) opvang van vluchtelingen en ontheemden, of extra investeringen in het onderwijs voor achterstandgroepen. Politici moeten misschien wel terug naar het volk, maar dan wel naar het hele volk.

Dat is de eerste les die uit de kiezersrevolte van mei getrokken moet worden: luisteren én terugpraten. De tweede les is: men kan niet ongestraft de tegenstelling tussen links en rechts in de politiek verwaarlozen - zoals lange tijd in Nederland, en onder ‘paars’ in het bijzonder, is gebeurd. Dat standpunt is zeer goed verwoord door een collega-criticus van paars, de socioloog en columnist Bart Tromp, die de opmars van het populisme (in Nederland, maar ook elders in Europa) rechtstreeks met deze verwaarlozing in verband brengt. In Socialisme &Democratie11 schreef hij: ‘Drie grote partijen die tot dan toe in de Nederlandse politiek tegenover elkaar hadden gestaan in termen van ‘links’ en ‘rechts’ vormden (in 1994) een gezamenlijke regering die een beleid voerde dat zozeer een voortzetting was van dat van de voorgaande, gedomineerd door de vierde grote partij, het CDA, dat die laatste in zijn oppositierol vleugellam bleek.’

En: ‘Politiek is alleen maar mogelijk op basis van een constitutieve tegenstelling die als ordenings- en keuzeprincipe dienst doet.’ Wie de tegenstelling links-rechts wegwist ‘schept ongewild ruimte voor een alternatief ordeningsprincipe, een andere fundamentele politieke tegenstelling - een mogelijkheid waarmee de ‘ideologen’ van paars nooit rekening hebben willen (of kunnen) houden.’ Het werd de karakteristieke tegenstelling van het populisme: politieke buitenstaanders tegenover de gevestigde orde. Die buitenstaander gaat, in naam van ‘het volk’, schoon schip maken in ‘de achterkamertjes’, waar ‘de gevestigde partijen’ de zaken onderling bedisselen en hun zakken vullen, in plaats van dat hun vertegenwoordigers in ‘de wijken’ waar ‘de mensen’ wonen aanbellen en hun oor te luisteren om zo te vernemen wat die mensen werkelijk willen.
Ik deel Tromps opvatting over het belang van de links-rechtstegenstelling in de politiek. Daarmee is de vraag nog niet beantwoord waarop die tegenstelling dan tegenwoordig betrekking heeft. Daarover is een debat gaande, ook in België - o.a. over nieuwe ideële scheidslijnen in de politiek. Mij ontbreekt de ruimte om daar uitgebreid op in te gaan. Wel wil ik opmerken dat zich m.i. inderdaad nieuwe scheidslijnen (b.v. tussen materialisten en postmaterialisten, tussen nationalisten en internationalisten) aftekenen, maar dat die conflicten het fundamentele onderscheid tussen links en rechts, in het bijzonder over de verzorgingsstaat en de organisatie van de economie, niet zullen vervangen - en er eerder vermengd mee zullen raken.

De opgave van links blijft daarbij in de eerste plaats: beperking van onze afhankelijkheid van economie en technologie, strijd tegen de heerschappij van het geld over de mens en zijn/haar leefomgeving. Dat impliceert een visie op onze omgang met het kapitalisme. Het is een fundamenteel verschil met de Derde Weg/New Labour en een belangrijk twistpunt voor de sociaaldemocratie in Europa in de komende tijd - zeker ook omdat de periode van hoogconjunctuur die we hier beleefd hebben, niet het eeuwige leven blijkt te hebben.

De derde en laatste les die ik zou willen trekken: herontdekking van het belang van de democratisering van staat en maatschappij. Vat het kiezersprotest mede op als een protest tegen onvoldoende participatie, tegen onvoldoende betrokkenheid bij beslissingen die het leven van mensen vaak in verregaande mate beïnvloeden. Ik verwijs daarbij opnieuw naar Elchardus die schrijft: ‘De traditionele partijen lijken doof, de democratie slabakt, de stem van de burger wordt al te zeer gesmoord. Kortom, er is veel te weinig democratie.’ En: ‘Politiek en democratie hebben het verenigingsleven, de bewegende, actieve burger nodig.’12
Welke vorm moet die democratisering aannemen? In Nederland heeft de discussie vooral betrekking op het kiesstelsel (districtenstelsel, voorkeurstemmen, referendum). Voor enkele veranderingen op dit terrein is inderdaad iets te zeggen. Een corrigerend referendum houdt een versterking van de invloed van de kiezers in, zonder dat de vertegenwoordigende democratie schade lijdt (het initiatief blijft immers daar liggen). En de invoering van een gekozen burgemeester zou een eind maken aan de huidige situatie in Nederland, waarin voor geen enkel (!) bestuurlijk of politiek ambt rechtstreeks gekozen kan worden. Maar links zou vooral zijn kracht moeten zoeken in versterking van de maatschappelijke democratie, in combinatie met versterking van de invloed en werkwijze van het parlement - en tegen de plebiscitaire democratie.

Dat moet op verschillende terreinen gebeuren, zeker niet alleen op dat van de economie. Maar het valt wel op hoe weinig links (niet alleen in Nederland) programmatisch te bieden heeft op het terrein van de medezeggenschap van werknemers en consumenten; hoe weerloos links heeft gestaan tegen de aandeelhoudersdemocratie die door liberalen zo aangeprezen wordt.

Samenvattend: luisteren én tegenspreken, herwaardering van de links-rechtstegenstelling en versterking van de parlementaire en de maatschappelijke democratie. Precies 45 jaar geleden schreef Joop den Uyl (voorman van de PvdA in de jaren 70 en 80 - naar wie tegenwoordig in Nederland nog wel eens nostalgisch omgekeken wordt): ‘het individu, verdrongen door de organisatie, eist grotere speelruimte.’ De burger verzet zich ‘tegen de socialezekerheidsstaat die hem gemakkelijk gaat vervelen, hij stort zich in the age of participation op alles wat de welvaart binnen zijn bereik brengt, hij stoot zich aan allerlei vormen van collectivisme, die wezenlijk slechts noodverbanden zijn. Alleen als we hem de gelegenheid geven verantwoordelijkheid te dragen, zal hij niet revolteren.’ 13
Dat geldt nog steeds. Het geldt misschien nog wel meer dan in 1957.

Naschrift

De Tweede Kamerverkiezingen van 22 januari jl. zijn, zoals al aangegeven, verrassend verlopen: zwaar verlies voor de LPF (van 26 naar 8 van de in totaal 150 Kamerzetels); lichte winst voor VVD (van 24 naar 28 zetels) en CDA (van 43 naar 44 zetels); en last but not least een spectaculaire come back van de PvdA (van 23 naar 42 zetels), waarmee ze bijna terug is op haar zeteltal van vóór 15 mei (45 zetels). Het ironische van deze uitslag is dat de bij uitstek gevestigde partijen in de Nederlandse politiek, de christendemocraten en de sociaaldemocraten, een groot deel van hun machtspositie hebben heroverd.

Is daarmee de status quo ook echt hersteld? Daarvan lijkt me geen sprake te zijn. De beweeglijkheid van de Nederlandse kiezer is, zo heeft het verloop van de opiniepeilingen van de afgelopen maanden laten zien, nog steeds erg groot. Dat uiteindelijk niet de populaire outsider Jan Marijnissen van de SP, zoals de peilingen aanvankelijk aangaven, maar de nieuwe lijsttrekker van de PvdA Wouter Bos de grote overwinnaar werd, wil allerminst zeggen dat deze de volgende keer weer net zo succesvol zal zijn. De ‘omloopsnelheid’ van politici is sterk verhoogd - in een politieke cultuur waarin de kiezer graag en in ronde getallen ‘afrekent’, en waarin de hype-georiënteerde media de onvrede van die kiezer zullen blijven voeden.
Zeker de Partij van de Arbeid mag zich met haar 19 nieuwe zetels niet rijk rekenen. De verkiezingsoverwinning was in de eerste plaats een overwinning van Wouter Bos, niet van de PvdA. Zijn open en heldere wijze van optreden houdt de belofte in van een breuk met een krampachtige partijcultuur, maar bezorgt de PvdA nog niet de nieuwe maatschappelijke bindingen waaraan ze behoefte heeft - laat staan dat de programmatische onzekerheid en verdeeldheid (op terreinen als immigratie en integratie, veiligheid, de inrichting van de democratie, de vernieuwing van de publieke sector) al overwonnen zouden zijn. Met andere woorden: de sociaaldemocratie moet, vanuit een sterk verbeterende electorale positie, nog altijd het vernieuwingsproces doormaken waarop de commissie-De Boer in haar rapport De kaasstolp aan diggelen zo krachtig heeft aangedrongen.
Of een regeringscoalitie met het CDA, waartoe de verkiezingsuitslag uitnodigt, daarvoor de beste weg is, valt te betwijfelen. Op z’n minst zou de PvdA zich de spanning bewust moeten zijn tussen snel weer meeregeren (met een naar rechts overhellend CDA en in een ongunstige economisch en politiek klimaat) en de noodzaak om van de PvdA weer een herkenbaar centrumlinkse, inspirerende en maatschappelijk gewortelde partij te maken.

Noten

  1. De ISPO/IPSoM-lezingen worden georganiseerd door het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO, KULeuven) en het Instituut voor Politieke Sociologie en Methodologie (IPSoM, KUBrussel) in het kader van de leerstoel Cool, in samenwerking met de FWO-Wetenschappelijke onderzoeksgemeenschap ‘methodologie van longitudinaal en comparatief onderzoek naar sociale en culturele veranderingen’ en met steun van de krant De Morgen. De organisatie is in handen van dr. Dirk Jacobs en prof. dr. Marc Swyngedouw.
  2. H.J.A.Hofland, Man van zijn eeuw, Amsterdam, De Bezige Bij, 1993.
  3. P.Kalma, ‘De ontketende kaaskop’, in: Trouw, 4 maart 2000.
  4. J.E.Ellemers, ‘Pim Fortuyn: een zuiver geval van charismatisch gezag’, in: Facta, jaargang 10 nr.7, november 2002, p.2-5.
  5. H.Smeets, ‘Wraak na goede tijden. Het politieke bestaansrecht van Pim Fortuyn’, in: NRC Handelsblad, 16 februari 2002.
  6. Huyse, L. (1994), De politiek voorbij: een blik op de jaren negentig. Kritak, Leuven.
  7. M.Elchardus, De dramademocratie, Tielt, Lannoo, 2002. De hier aangehaalde citaten zijn ontleend aan een artikel van Elchardus in Socialisme & Democratie: ‘Moet het populisme omarmd worden als politieke vernieuwing?’, in: Socialisme & Democratie, jaargang 58 nr.6, juni 2001, p.258-264.
  8. M. de Boer e.a., De kaasstolp aan diggelen, Amsterdam, PvdA, 2002.
  9. Vlg. het gelijknamige, overigens zeer lezenswaardige artikel van Paul Scheffer in NRC Handelsblad, 29 januari 2000.
  10. C.Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig, Amsterdam/Meppel, Boom, 1995.
  11. B.Tromp, ’De taak der sociaal-democratie’, in: Socialisme & Democratie, jaargang 59, nr. 5/6, p.90-95.
  12. M.Elchardus, ‘Moet het populisme omarmd worden als politieke vernieuwing?’, in: Socialisme & Democratie, jaargang 58 nr.6, juni 2001, p.263.
  13. J.M. den Uyl, ‘Fundamentele democratisering’ (1957), in: dez., Inzicht en uitzicht. Opstellen over economie en politiek, Amsterdam, Bert Bakker, 1978, p.88.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 17