Abonneer Log in

Huwelijksmigratie en volgmigratie: hoe gaan we ermee om?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 55 tot 56

Het huwelijk is een wederzijdse verbintenis tussen twee mensen die op vrijwillige basis wordt aangegaan, uit liefde en wederzijdse affectie. Beide partners zijn zich daarbij bewust van de rechten en plichten die deze verbintenis met zich brengt. Het huwelijk is immers een maatschappelijk instituut dat gebonden is aan wetten en regels die voor iedereen gelden. De keuze van een huwelijkspartner is en blijft, in onze moderne samenleving, een hoogst persoonlijke aangelegenheid. Maar de ‘familiale context’ en het zogenaamd ‘koppelen’ spelen ongetwijfeld, zelfs in de meest vrijgevochten milieus, nog steeds een vrij belangrijke rol. Het punt is en blijft evenwel dat aan het vrijwillig karakter van de verbintenis niet getornd mag worden. De problemen stellen zich dus pas als redelijkerwijs twijfel ontstaat over het vrijwillig karakter of het doel van de huwelijksverbintenis.

De laatste jaren verschenen tal van persartikels over schijnhuwelijken en het uithuwelijken en recent nog over de praktijk van ‘huwelijken op proef’ (cf. De Morgen van 05/06/03). De kritiek op deze huwelijkspraktijken komt uit zowel autochtone als allochtone hoek. De problemen mogen inderdaad geloochend noch genegeerd worden, maar moeten in de juiste context geplaatst worden. Als een krant kopt dat negentig procent van de Marokkaanse en de Turkse huwelijken ‘geregeld’ zijn (Gazet van Antwerpen van 05/04/01), wordt bij de oppervlakkige (en reeds bevooroordeelde) lezer de indruk gewekt dat de overgrote meerderheid van de Turkse en Marokkaanse jongeren onder dwang van hun ouders en familie trouwen. De Turkse psychologe Sultan Balli stelt dat uit de cijfers, die ook in het artikel geciteerd worden, echter blijkt dat slechts tien procent van de jongeren finaal gedwongen worden om te huwen met de huwelijkskandidaat van de familie. Maar het blijft moeilijk om zich op cijfers te baseren, want er zijn gewoon geen betrouwbare cijfergegevens voorhanden over deze aangelegenheid die zich vooral in de privésfeer afspeelt. De VLD haalt dus maar haar mosterd in Nederland, waarbij de cijfers eens te meer worden gemanipuleerd om de schijn te wekken dat huwelijksmigratie gelijk staat met schijn- of uithuwelijken. De Gentse VLD-schepen van bevolking, Chantal Claeys, maakte in 2002 aan het parket 140 dossiers over waarbij het vermoeden van een schijnhuwelijk bestond. Daarvan vonden 64 huwelijken alsnog plaats, terwijl er 26 geweigerd werden en er voor 50 nog een onderzoek lopende was. Op een totaal van 862 huwelijken, werd er m.a.w. 3% geweigerd en was er nog 5,80% in onderzoek. Maar ook hier was de krantenkop tendentieus: ‘Eén huwelijk op 6 is nep in Gent’ (Het Volk van 25/10/02).

Zonder het probleem van de gedwongen huwelijken te willen minimaliseren, stel ik toch vast dat de media de wereld op zijn kop zetten. Zij wekken, bewust of onbewust, de indruk dat het kleine aandeel gedwongen huwelijken dé gangbare praktijk zijn in de Marokkaanse en Turkse migrantengemeenschappen. Als daar bovenop uitspraken van politici uit democratische partijen komen die zeggen dat ‘de migrantencultuur met een scheefgetrokken verhouding tussen man en vrouw en het systeem van de gearrangeerde huwelijken (…) elke integratie in de weg (staan)’ (Robert Voorhamme in De Standaard van 28/09/02), is het hek helemaal van de dam.
Politici van democratische partijen moeten zich hoeden voor overreactie, door meteen op ongenuanceerde wijze het gehele integratiebeleid failliet te verklaren of het streven naar het harmonieus samenleven van diverse culturen als een hersenspinsel van zogenaamde multiculturalisten voor te stellen. De problematiek van onoorbare huwelijkspraktijken dient daarom in de juiste verhoudingen geplaatst te worden, te beginnen met een onderscheid te maken tussen de huwelijksmigratie enerzijds en de gedwongen huwelijken anderzijds.

Voor de problematiek van de gedwongen huwelijken - elk gedwongen huwelijk is er één te veel - moeten er passende maatregelen genomen worden, in overleg en samenwerking met de emancipatorische bewegingen binnen de Turkse en Marokkaanse migrantengemeenschappen. De huwelijksmigratie is een thema van een heel andere orde en kadert eerder in een goed onthaalbeleid van de overheid. ‘Volgmigranten’ die niet goed worden onthaald met onder meer verplichte taallessen, scheppen inderdaad op termijn een nieuw soort integratieprobleem dat moet voorkomen worden. Drastische maatregelen nemen om de huwelijksmigratie terug te dringen of aan banden te leggen, zijn evenwel ondemocratisch. Allochtonen, in het bijzonder Turken en Marokkanen, moeten de keuze blijven hebben te huwen met een partner van eigen keuze, ook als deze uit het land van herkomst komt. Zoals het evengoed moet blijven kunnen dat een autochtoon een Russische of Indonesische vrouw huwt.

De Stichting Gerrit Kreveld organiseert een studiedag op zaterdag 20 september 2003 om een zakelijke discussie over de huwelijksmigratie op gang te brengen. Het is vooral de bedoeling om pistes te openen en verklaringen te zoeken voor het feit dat migranten van de 2de generatie vaak met iemand van hun land van oorsprong trouwen. De sociale dynamiek van de huwelijksmigratie zal uitgebreid aan bod komen met experts uit België, Nederland en Duitsland. Daarnaast zal ook de regelgeving aan bod komen met een overzicht van de Belgische pogingen tot regulering van volgmigratie als vertrekpunt. Ten slotte hoop ik dat ook het gezond verstand zal mogen spreken, als het gaat over jonge mensen die elkaar vinden in de sfeer van een gemeenschappelijk sociaal-cultureel erfgoed.

Fatma Pehlivan
sp.a-senator

huwelijksmigratie - migratie - diversiteit - inburgering - integratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 55 tot 56