Abonneer Log in

Gezocht: politieke architecten

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 19 tot 27

Bij de federale parlementsverkiezingen van 18 mei 2003 werd de ergste nachtmerrie van de Vlaamse groenen bewaarheid. Zij verloren in één klap al hun vertegenwoordigers in Kamer en Senaat. In deze bijdrage trachten we niet zozeer te verklaren waarom Agalev zulke electorale pandoering kreeg, maar eerder waarom niemand de omvang van deze electorale trendbreuk zag aankomen. We grijpen het groene debacle aan om te speculeren over een andere manier om electorale trends in ons land beter in te schatten. In tegenstelling tot de traditionele peilingen die zich richten op een representatief staal van alle kiezers stellen wij voor om in een pril stadium van de kiesstrijd vooral de politieke architecten op te zoeken. Politieke architecten zijn individuen die omwille van hun persoonlijkheid en politiek(e) inzicht(en) gerespecteerd en gevolgd worden door anderen in hun directe omgeving.

De groene schade opgemeten

Zelfs de meest optimistische Agalev-sympathisant wist dat 18 mei 2003 een lastige verkiezingsdag zou worden. De Vlaamse groenen werd immers, afhankelijk van de bron, een bescheiden tot serieuze nederlaag voorspeld. Het uiteindelijke verkiezingsresultaat van Agalev werd een regelrechte ramp en overtrof de meest pessimistische voorspellingen. Van de meer dan 430.000 kiezers uit 1999 bleven er een goede 160.000 over. Mede door de invoering van een kiesdrempel was dit electorale verdict ronduit vernietigend in termen van zetels. De groenen verloren in één klap al hun 15 vertegenwoordigers in Kamer en Senaat. Een dergelijk electoraal debacle kent zijn gelijke niet in de naoorlogse politieke geschiedenis van Vlaanderen. In 1981 verloor de toenmalige CVP weliswaar in één klap bijna 282.000 stemmen en 14 zetels. Maar hoe dan ook ging het hier ‘slechts’ over een verlies van 20% van haar kiezers en hielden ze nog altijd 43 zetels over.
Dat Agalev niet op zo’n dramatisch scenario was voorbereid, blijkt uit de beslissingen die de partij, al dan niet noodgedwongen, in de nadagen van 18 mei nam. Vooreerst werd de partij nagenoeg financieel drooggelegd. Twee dagen na de verkiezingen maakte de partij al bekend dat ze van de 84 personeelsleden die ze in loondienst had ongeveer drie kwart zou moeten afstoten. Kort daarop deed politiek secretaris Jos Gheysels een stap opzij en namen ook de Vlaamse ministers Vera Dua en Mieke Vogels ontslag. Vermits eerder Magda Aelvoet al van het voorplan was verdwenen, werd Agalev een partij zonder gezicht. Er stonden weinig nieuwe mensen klaar om de fakkel over te nemen, de opvolging was nog niet voorbereid. Illustratief in dit verband is het feit dat de nieuwe politieke secretaris Dirk Holemans reeds na enkele maanden opzij werd geschoven voor Vera Dua, een van de boetelingen van 18 mei.
In de nasleep van de desastreuze verkiezingsuitslag was er bij de Vlaamse groenen eerder sprake van paniekvoetbal dan van een daadkrachtig crisismanagement, zoveel is duidelijk. Een en ander kan ons inziens verklaard worden doordat niemand dit electorale doomsday-scenario (tijdig) had aangekondigd zodat niemand van de groenen het eigenlijk ook voor mogelijk hield.

Spreekbuis gezocht?

Net zoals een bedrogen echtgeno(o)t(e) vaak de laatste is om de ontrouw van zijn/haar partner te vernemen, is het ook voor politici erg moeilijk om in hun directe omgeving betrouwbare signalen op te vangen over hun electorale vooruitzichten, zeker als die ongunstig zijn. De naasten van een politicus zullen positieve berichten vaak uitvergroten, terwijl negatieve tijdingen zoveel mogelijk worden verzwegen. De meeste mensen brengen immers niet graag slecht nieuws.
Omwille van die reden maakten heersers in de middeleeuwen en de vroege renaissance trouwens graag gebruik van de diensten van narren en zotskappen. Want hoewel de hofnar op de eerste plaats verantwoordelijk was voor het amusement en de verstrooiing van de heersers, werd hij gaandeweg een belangrijke informant (Zijderveld, 1985). ‘Other court functionaries cooked up the king’s facts for him before delivery; the jester delivered them raw’ (Nock op cit. In Otto, 2001: 244). De heerser die tussen de regels van de kolder en de zotternij van de hofnar kon lezen, vernam soms negatieve tijdingen die de leden van de hofhouding uit een misplaatst gevoel van schaamte of uit angst voor represailles geheimhielden.
De hofnarren zijn al lang uit de politiek verdwenen, maar de hedendaagse politici hebben nog steeds nood aan min of meer betrouwbare berichtgeving over hun steun bij de bevolking. In een representatieve democratie waarbij verkiezingen zich in een sneltreinvaart
opvolgen en de kiezers steeds kritischer en wispelturiger worden (Norris, 1999), is de nood aan objectieve informatie zelfs aanzienlijk toegenomen.
Het spreekt dan ook voor zich dat andere instituties deze functie van informant en boodschapper van slechte tijdingen tot op zekere hoogte hebben overgenomen. Hierbij denken we uiteraard op de eerste plaats aan de media, en de politieke journalisten in het bijzonder. Deze analogie is overigens zeer oud want reeds in 1789 maakte Karl F. Flögel in Geschichte der Hofnarren melding van deze functieverschuiving. We vrezen echter dat Flögel zijn op de ideeën van de achttiende-eeuwse verlichtingsdenkers gebaseerde wensen verkeerdelijk voor werkelijkheid hield. Want in wezen zal de pers in het gros van de westerse wereld pas in de negentiende eeuw ontsnappen aan de bevoogding en de censuur van de overheid. Het leidt weinig twijfel dat de politiek ontvoogde media heel wat kritischer staan tegenover de politiek en haar vertegenwoordigers. Het grote probleem is dan ook niet dat journalisten de problemen zouden verzwijgen, maar wel dat ze het moeilijk hebben om in te schatten wat er leeft bij het publiek. Dit geldt bij uitstek in de aanloop naar verkiezingen. In De Standaard verscheen nauwelijks tien dagen voor de verkiezingen van 18 mei 2003 een stuk over de electorale kansen van Agalev met als ondertitel ‘Verkiezingsnederlaag kost Agalev slechts een zetel in de Kamer en een zetel in de Senaat.’ Op dat moment leek het ook voor heel wat journalisten nog haalbaar dat het verlies kon beperkt blijven tot 2 à 3 procent. De journalisten hebben Agalev dus allesbehalve de hemel voorgehouden, maar dat de poorten van de hel open stonden wisten ze evenmin. Er zijn echter verzachtende omstandigheden.
Zo moet men ook rekening houden met het stemgedrag van een groep kiezers voor wie de stemkeuze wellicht minder om het lijf heeft dan de keuze van de kleding die ze ’s morgens zullen aantrekken. In die context is het niet verrassend dat de media voor uitspraken over de publieke opinie steeds vaker teruggrijpen naar de resultaten van opiniepeilingen. Het harde cijfermateriaal dat een peiling oplevert, zet subjectieve ‘kiesintenties’ immers geruisloos om in ogenschijnlijk objectieve feiten (Salmon & Glasser, 1995). Het is dan ook geen toeval dat bijna al de publieke peilingen die in de aanloop van de verkiezingen van 18 mei 2003 plaatsvonden, werden gepatroneerd door één van de Belgische dagbladen.
De politieke opiniepeilers zijn dan ook de echte hofnarren van deze tijd. Niet enkel omdat ze al dan niet gewild bijdragen aan het spel- en entertainmentgehalte van verkiezingen, maar vooral omdat ze het (soms) slechte nieuws omzetten in harde cijfers. En cijfers zijn moeilijk te negeren. Nochtans gaan heel wat politici er prat op dat ze geen geloof hechten aan peilingen. We weten ondertussen wel beter.
Het is overigens in zekere zin functioneel dat politici de resultaten van politieke peilingen met een zekere scepsis bejegenen. Als de peilingen ook feiten aan het licht brengen die men liever niet wil horen, is het een voordeel dat ze niet helemaal au sérieux worden genomen. Ook de hofnar kon zijn pijnlijke waarheden immers enkel blijven uiten omwille van zijn aura van kinderlijke naïviteit en onschuld waardoor hij ontsnapte aan de verantwoordelijkheid van wat hij zei (Otto, 2001). Een zegswijze als ‘Van een zot verweten, is gauw vergeten’ is hiervan een mooie illustratie. We kunnen dus stellen dat politieke opiniepeilers net zoals de hofnarren enerzijds bijdragen tot het vermaak van het publiek maar anderzijds tevens een bijzonder cruciale rol kunnen spelen in de overdracht van minder gunstige berichten.

Waren de politieke opiniepeilers goede hofnarren voor koning(in) Agalev?

In tabel 1 geven we een overzicht van de resultaten van de peilingen die in de aanloop van de verkiezingen van 18 mei 2003 meermaals werden georganiseerd.1 Onze interesse gaat in deze context uit naar de peilingresultaten voor Agalev. Om de evolutie van de resultaten accuraat in te schatten, voegden we bovendien een kolom toe die de percentageverschillen bevat ten opzichte van de Agalev-uitslag bij de kamerverkiezingen van 13 juni 1999.

Tabel: Peilingen in de aanloop van de kamerverkiezingen van mei 2003

Enkel de laatste peiling van De Standaard/VRT, die vier weken voor de verkiezingen werd georganiseerd, gaf aan dat de Vlaamse groenen wel eens serieus zouden kunnen verliezen. Volgens deze peiling zou Agalev 5,7% van de stemmen verwerven indien de verkiezingen plaatsvonden op het moment van de bevraging. In vergelijking met de uitslag van de verkiezingen van 1999 ging het hier dus om een verlies van 4,9 procentpunten. Hoewel dit peilingresultaat nog altijd significant beter was dan de uiteindelijke verkiezingsuitslag voor Agalev, was het toch heel wat realistischer dan de andere peilingen die ongeveer op hetzelfde tijdstip werden georganiseerd.
Reden genoeg voor De Standaard om daags na de verkiezingen uit te pakken met een artikel getiteld ‘Waarom de peiling van De Standaard/VRT erop zat?’ (DS, 19 mei 2003). In het stuk neemt de opiniepeiler Jan Drijvers van TNS Media zijn collega’s op de korrel met de stelling dat deze er vaak de voorkeur aan geven om opvallend grote verschuivingen uit te vlakken. Dat deze aantijging niet volledig uit de lucht gegrepen is, blijkt uit het feit dat Jean-Pol Thiébaut, die verantwoordelijk is voor de trimestriële peiling van La Libre Belgique, in diezelfde krant openlijk toegeeft dat ze al te bruuske opinieschommelingen uitvlakken omdat deze vaak het gevolg zijn van een atypische steekproefsamenstelling (LLB, 1 juni 2003). Hij lijkt dus te suggereren dat Agalev ook in hun peilingen een lager stemmenpercentage kreeg dan dat waarmee ze uiteindelijk naar buiten traden. Het spreekt voor zich dat het gebruik van uitvlakkingstechnieken methodologisch erg betwistbaar is. Temeer omdat (verkiezings)peilingen op deze manier bijdragen tot een bestendiging van het status-quo (Bourdieu, 1979).
Hoe dan ook, ten aanzien van Agalev zijn de opiniepeilers allesbehalve goede hofnarren geweest. Een goede hofnar had immers zijn vorst(in) op de hoogte gebracht van het naderende onheil. De peilingen die uitgevoerd werden in opdracht van Le Soir en La Libre Belgique hebben deze functie van onheilsprofeet zeker niet waargemaakt. Met respectievelijk prognoses van 9,5% en 8,4% in de laatste peilingen moest Agalev zich niet behoeden voor naderend electoraal onheil. Indien deze prognoses effectief uitkwamen, moesten ze immers enkel de dioxinebonus inleveren die ze bij de vorige verkiezingen hadden geïncasseerd. Ogenschijnlijk fungeerde TNS Media, die voor rekening van De Standaard/VRT naar de kiesintenties peilde, in het geval van Agalev als een geschiktere hofnar. Wanneer we de opeenvolgende peilingen bekijken die TNS uitvoerde in de aanloop van de verkiezingen van 18 mei 2003, is enkel het resultaat van de laatste peiling (april 2003) echt verontrustend. Bij de vorige peiling (maart 2003) rapporteerde ook De Standaard/VRT nog een proportie van 8,8%. Omdat de resultaten van de laatste De Standaard/VRT-peiling slechts een week voor de effectieve verkiezingen werden gepubliceerd, had Agalev absoluut geen tijd meer om de campagne bij te sturen. In de mate dat de electorale steun voor Agalev effectief pas tijdens de laatste weken voor de verkiezingen drastisch gedaald is, kan men dit echter moeilijk de opiniepeiler aanwrijven. We beschikken nochtans over indicaties dat ook al maanden voor de verkiezingen een rampscenario dreigde. Vooraleer deze indicaties te expliciteren, gaan we kort in op de selectie van respondenten in de klassieke peilingen. Hoewel deze bijdrage niet de ambitie heeft om de peilingen grondig door te lichten, is deze omweg noodzakelijk om de meerwaarde van onze politieke architecten aan te tonen.

Van aselect gekozen respondenten naar politieke architecten

Hoewel specialisten zoals Jaak Billiet terecht kritiek uiten op de wijze waarop de steekproeven van de verkiezingspeilingen in de praktijk worden verzameld en de problemen die er zijn om alle soorten van mensen te bereiken (non-contact), is het in principe mogelijk om een adequate steekproef te bekomen. Bovendien is men achteraf vrij goed in staat om eventuele demografische scheeftrekkingen in de samenstelling van de steekproef te verhelpen. Het is echter heel wat moeilijker en ook controversiëler om vertekeningen in de respons te corrigeren. Heel wat respondenten weten op het moment van de bevraging nog niet voor welke partij ze bij de volgende verkiezingen zullen stemmen. Het wetenschappelijke kiezersonderzoek van het ISPO toont alvast aan dat ongeveer een kwart van de Vlaamse kiezers ten vroegste een paar dagen voor de verkiezingen zijn stemkeuze maakt.
Onder andere omwille van deze reden raadt Febelmar, de federatie die de belangen van de Belgische marktonderzoeksbureaus behartigt, op haar website ‘ten stelligste af om kiesintentiepeilingen met een voorspellend karakter uit te voeren’.2 In de praktijk vermijden de meeste Belgische marktonderzoekers dan ook om te peilen naar het toekomstig stemgedrag aan de hand van de vraag: ‘Voor wie stemt u bij de volgende kamerverkiezingen?’ In plaats van deze lastige prospectieve vraag gebruiken ze daarentegen een hypothetische actualiteitsvraag: ‘Stel dat er vandaag verkiezingen worden gehouden, voor wie stemt u dan?’ Mensen zoals Jean-Luc Dehaene, die ‘problemen pas oplossen op het moment dat ze zich stellen’, zullen alvast veel moeite hebben om zich in deze hypothetische situatie in te leven. In die zin ligt het voor de hand dat heel wat respondenten ook op deze vraag het antwoord schuldig zullen blijven. In de mate dat deze zogenaamde non-respons vrij substantieel wordt, is het dan ook twijfelachtig of de steekproefgegevens representatief zijn voor de populatie (Thijssen, 2003). Nog problematischer is dat bepaalde respondenten, ook als ze het eigenlijk niet weten, liever een ‘weet niet’-antwoord vermijden omdat ze hierin een uiting zien van mental incapacity (Converse, 1970). In dit geval zal de gerapporteerde stemintentie zeer weinig informatieve waarde hebben. De traditionele peilingen die geruime tijd voor de verkiezingen plaatsvinden, leveren dus in het beste geval een representatief beeld op van een grotendeels onbesliste populatie. Het is twijfelachtig of een dergelijk beeld echt betekenisvol is. De ongefundeerde opinies van de meerderheid dreigen immers de uitgekristalliseerde opinies van de minderheid te verdringen. We stuiten hier dus als het ware op een hedendaagse variant van de wet van Gresham.3
Soms spitst men zich daarom uitsluitend toe op stemintenties van de respondenten die een ‘uitgesproken voorkeur hebben’. Ondanks het feit dat de steekproefomvang hierdoor gevoelig wordt ingeperkt, gaat het hier wel degelijk om een nuttige aanvulling. Het is immers plausibel dat de intensiteit van overtuigingen vaak samengaat met de stabiliteit ervan. Niettemin moet men ook dit soort van gegevens met de nodige omzichtigheid hanteren. We weten dat sommige partijen, Vlaams Blok op kop, een trouwer electoraat hebben dan andere. Als men vooral oog heeft voor de stemintenties van respondenten met een uitgesproken voorkeur is het dus niet denkbeeldig dat je vrij opmerkelijke electorale verschuivingen mist. Daarom zou men zich wellicht beter op de groep richten die men in marketingtermen de early adapters noemt. Mensen die wat sneller dan anderen trends oppikken en verspreiden. Als er ergens voortekenen waargenomen konden worden voor het electorale debacle van Agalev is het in deze groep. Ook deze aanpak lijkt op het eerste zicht niet nieuw. Lode Vereeck van het Limburgs Universitair Centrum peilde in tegenstelling tot alle anderen niet naar de stemintenties van een aselecte steekproef van het electoraat maar wel naar de verkiezingsprognoses van een groep van experten (academici, oud-politici, journalisten, redacteurs).
Het is echter de vraag of de experten van Vereeck goede early adapters waren. Om dit duidelijk te maken, verwijzen we naar het concept ‘culturele architect’ dat de Noorse sportpsycholoog Willi Rialo introduceerde. Volgens Rialo heeft een trainer het bij een ploegsport vaak erg moeilijk om mentaliteitsproblemen bij te sturen. Om echt toegang te krijgen tot de gevoelens van zijn spelersgroep, moet hij samenwerking zoeken met de enkele spelers die in staat zijn om hun medespelers te beïnvloeden. Deze unieke spelers noemt Rialo ‘culturele architecten’. In tegenstelling tot de trainer, die altijd enigszins een buitenstaander blijft, fungeren deze ‘culturele architecten’ als experten onder gelijken. Daardoor zijn ze veel beter dan wie ook in staat om de mentaliteit van hun medespelers te beïnvloeden en dus verandering te bewerkstelligen. Analoog kunnen we stellen dat Vereecks verkiezingsexperten eigenlijk vergelijkbaar zijn met de trainer. Hoewel ze het politiek bedrijf van binnen en van buiten kennen, hebben ook zij het vaak moeilijk om in te schatten wat er leeft bij het publiek. In die zin is het nauwelijks een verrassing dat Vereecks expertenpanel de dag voor de verkiezingen van 18 mei 2003 nog voorspelde dat Agalev 8,6% van de Vlaamse stemmen zou krijgen. Een cijfer dat sterk gelijkt op de prognose van de peiling van La Libre Belgique.
Als men geruime tijd voor de verkiezingen een idee wil krijgen over de stand van zaken, doet men er dus beter aan om de ‘politieke architecten’ te bevragen. Naar analogie met Rialo’s ‘culturele architecten’ zijn deze politieke architecten individuen die een meer dan gewone aandacht hebben voor de politiek en die omwille van hun persoonlijkheid en hun politiek(e) inzicht(en) gerespecteerd en gevolgd worden door anderen. In die zin zijn onze politieke architecten trouwens ook vergelijkbaar met wat Lazarsfeld en Merton een halve eeuw geleden respectievelijk ‘opinieleiders’ en ‘influentials’ noemden. Het idee hierachter is dat mensen de informatie over politiek, die ze veelal via de media ontvangen, niet alleen, maar vaak in discussie met andere verwerken. In dat verwerkingsproces weegt de mening van opinieleiders of politieke architecten in hun directe omgeving sterker door.

Een lokaal verkiezingsdebat als pleisterplaats voor politieke architecten?

De lastige vraag is hoe we dergelijke ‘politieke architecten’ kunnen terugvinden. Je zou ze kunnen proberen op te zoeken via de klassieke telefonische of schriftelijke bevragingen. In een vrij recente bijdrage van Schenk en Rössler (1997) wordt alvast een schaal voorgesteld die toelaat om opinieleiders te rekruteren. Een eerste nadeel is dat deze schaal enkel peilt naar vrij algemene persoonlijkheidskenmerken en geen rekening houdt met de specificiteit van een bepaalde maatschappelijke sfeer. Een opinieleider op het vlak van politiek is dat niet noodzakelijk op het vlak van bijvoorbeeld sport of muziek. Hoe dan ook zal men zeer veel individuen moeten bevragen vooraleer men een behoorlijk aantal politieke opinieleiders of trendsetters terugvindt.
Een alternatieve manier om deze politieke architecten op te sporen is ze te bevragen op plaatsen waar ze oververtegenwoordigd zijn. Als we aannemen dat ze een meer dan gewone interesse hebben voor de politiek en ook een extra inspanning willen leveren om zich te informeren, dan lijkt het publiek van een politiek debat een mogelijke interessante locatie. Dit gaat zeker op voor een debat dat geruime tijd voor de verkiezingen plaatsvindt. Met het oog op een analyse van debateffecten werd het publiek bevraagd van een relatief grootschalig verkiezingsdebat dat op 25 februari 2003 in Antwerpen werd georganiseerd door Radio 1.4 Het debat werd, mede dankzij de herhaalde radiospots, bijgewoond door een vierhonderdtal toehoorders waarvan er 356 deelnamen aan de bevraging. De deelnemers aan het debat waren de (toenmalige) partijvoorzitters van de zes grootste Vlaamse politieke partijen.
In deze context zijn we vooral geïnteresseerd in de vergelijking van de stemmenverdeling bij de kamerverkiezingen van 1999 met de stemintenties voor het debat. Meer specifiek gaat onze aandacht uit naar de Agalev-kiezers. Van de aanwezigen verklaarden er 58 dat ze bij de kamerverkiezingen van 13 juni 1999 voor Agalev hadden gestemd. Het gaat hier om een vierde van het debatpubliek dat in 1999 stemgerechtigd was en zijn stemkeuze wilde of kon rapporteren. We kunnen dus absoluut niet stellen dat de aanwezigen representatief waren voor het globale electoraat. Maar zoals reeds eerder gezegd is statistische representativiteit in een pril stadium van de verkiezingsstrijd een wellicht moeilijk haalbare en zelfs misleidende doelstelling. Minder dan de helft van deze voormalige Agalev-kiezers nam zich bij het begin van het debat voor om zijn of haar stemkeuze te hernieuwen bij de kamerverkiezingen van 18 mei 2003. Niet geheel verwonderlijk gaven quasi alle ontrouwe groene kiezers aan voor het kartel sp.a-spirit te stemmen. Tegenover deze massale uitstroom stond slechts een minimale instroom van nieuwe kiezers.
Kortom, op drie maanden voor de verkiezingen, bleek Agalev de helft van zijn aanhang verloren te hebben bij het publiek van een politiek debat. Het lijkt plausibel dat deze teleurgestelde Agalev-kiezers als politiek architect hebben gefungeerd en mensen in hun omgeving hebben aangezet om het groene bouwwerk te verlaten. We hebben echter te weinig informatie over deze respondenten om deze hypothese echt te onderbouwen. Wel staat vast dat een meer kritisch deel van de voormalige groene achterban lang voor 18 mei de partij de rug had toegekeerd of toch minstens sterk twijfelde over een nieuwe groene stem.
De bevindingen uit deze eenmalige bevraging werden overigens bevestigd op basis van een al even onrepresentatieve emailenquête bij 5.000 Vlamingen in de aanloop naar verkiezingen.5 Het aantal groene kiezers uit 1999 was in de enquête sterk oververtegenwoordigd. Ruim drie maanden voor de verkiezingen gaf de helft van hen aan niet opnieuw voor Agalev te stemmen. Een en ander geeft wel aan dat bij de interpretatie van de nederlaag van Agalev niet enkel mag worden gefocust op de laatste weken. De matte, half-gepersonaliseerde campagne, het Agalev-bashen door de andere partijen, het gestuntel van Durant, … het zal de Vlaamse groenen allemaal geen goed hebben gedaan. De echte oorzaak van het debacle moet nochtans veel vroeger worden gezocht. De regeringsdeelname, de al dan niet belabberde communicatie, de transformatie van de sp.a, …het is stof voor een ander verhaal.
We sluiten niet uit dat in de toekomst ook andere partijen schijnbaar vanuit het niets tegen de electorale lamp lopen. De wispelturige kiezer laat zich immers moeilijk peilen, zeker wanneer verkiezingen nog ver weg zijn. Het lijkt ons daarom beter om actief op zoek te gaan naar de politieke architecten die fungeren als trendsetters in hun persoonlijke omgeving. Zeker in het geval van Agalev had deze optie alvast enig soelaas kunnen bieden. Het is echter niet gezegd dat dit ook in het geval van andere partijen even duidelijke signalen zal opleveren.6 We weten evenmin of de opinieleiders van bijvoorbeeld het Vlaams Blok niet eerder terug te vinden zijn in de Antwerpse café’s in plaats van op een politiek debat. We hopen dan ook dat verder onderzoek hierin meer klaarheid kan brengen.

Peter Thijssen
Docent verbonden aan het Departement Politieke Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen
Peter Van Aelst
Assistent Communicatiewetenschappen en lid van de onderzoeksgroep ‘Media, Middenveld en Politiek’(M2P) van de Universiteit Antwerpen

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ In tegenstelling tot de peilingen van La Libre Belgique en Le Soir, die zich enkel op het Vlaamse electoraat richten (zonder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Halle-Vilvoorde), bestaat de onderzoekspopulatie bij de peiling van De Standaard uit Vlaanderen zonder het Brussels hoofdstedelijk Gewest maar inclusief Halle-Vilvoorde. Vandaar dat er kleine verschillen bestaan tussen de onderscheiden uitslagen die worden vermeld in Tabel 1.
2/ Sinds maart 2003 is een technisch rapport beschikbaar voor elke politieke opiniepeiling die uitgevoerd wordt door een marktonderzoeksbureau dat lid is van Febelmar (http://www.febelmar.be/nl/who/opinion.htm). Dit technisch rapport bevat informatie over het steekproefdesign, de steekproefomvang, de gebruikte weging, de non-respons…
3/ Bad money drives out good money.
4/ De bevraging werd georganiseerd door Peter Thijssen en Christ’l De Landtsheer (Universiteit Antwerpen).
5/ Het onderzoek werd uitgevoerd door Peter Van Aelst en Stefaan Walgrave (Universiteit Antwerpen) met als doel het stemgedrag van kiezers te volgen in de loop van de campagne.
6/ Uit het emailpanel bleek dat de voormalige Agalev-kiezers zich naar eigen zeggen iets meer dan de anderen hebben laten leiden door gesprekken met vrienden en familie.

Bibliografie
- Bourdieu, P. (1979) ‘Public opinion does not exist’, pp. 124-130 in Mattelart, A. & Siegelaub, S. (eds.), Communication and class struggle, New York: International General.
- Converse, P. E. (1970) ‘Attitudes and non-attitudes: Continuation of a dialogue’, in Tufte, E.R. (ed.), The quantitative analysis of social problems, Reading, Ma.: Addison-Wesley.
- Lazarsfeld, P.F., Berelson, B. & Gaudet, H. (1944) The people’s choice, New York: Duell, Sloan, and Pearce.
- Merton, R.K. (1957) ‘Patterns of influence: Local and cosmopolitan influentials’, in Merton, R.K., Social theory and social structure, New york: The Free Press.
- Norris, P. (ed.) (1999) Critical citizens. Global support for democratic governance, Oxford: Oxford University Press.
- Otto B.K. (2001) Fools are everywhere, Chicago/London: The University of Chicago Press.
- Salmon, C.T. & Glasser, T.L. (1995) ‘The politics of polling and the limits of consent’, pp. 437-458 in Glasser, T.L. & Salmon, C.T. (eds.), Public opinion and the communication of consent, New york: Guilford Press.
- Schenk, M. & Rössler, P. (1997) ‘The rediscovery of opinion leaders. An application of the personal strength scale’, The European journal of communication research, 22 (1): 5-30.
- Thijssen, P. (2003) ‘De ondraaglijke lichtheid van de peilingen. Een pleidooi voor een oordeelkundige numerieke communicatie’, in Streven, 70 (5): 440-449.
- Zijderveld A.C. (1985) Over narren en hun gespiegelde werkelijkheid, Deventer: Van Loghum Slaterus.

verkiezingen - opiniepeilingen - media

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 19 tot 27