Log in

Alsof de Verlichting er nooit is geweest

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 23 tot 29

Het is een uitspraak die nu al twee eeuwen lang ten onrechte aan Voltaire wordt toegeschreven, maar die blijkbaar nog af en toe moet herhaald worden: ‘Ik verafschuw uw mening, maar ik zou willen sterven voor uw recht om ze te uiten.’ De uitspraak is zo belangrijk omdat ze een glashelder onderscheid introduceert tussen het onwrikbare respect voor democratische procedures en het uiteindelijke resultaat van de toepassing van die procedures. In dit geval: het feit dat we het fundamenteel oneens zijn met iemand, belet niet dat ook die persoon recht heeft op alle mogelijke rechten en vrijheden. Democratie valt of staat met de mate waarin we de procedures volgen en respecteren, ongeacht of we daar nu zin in hebben of niet. Of we het nu eens zijn met Theo van Gogh of niet, de man had recht op vrije meningsuiting. Op dezelfde manier doet het er niet toe wat we vinden van Marc Dutroux: ook hij had recht op een eerlijk proces met daarin inbegrepen alle mogelijke waarborgen voor de verdediging, en hij heeft dat ook gekregen.

Het is belangrijk dit citaat nog eens te herhalen, omdat het cruciale onderscheid tussen inhoud en procedure volledig ontbreekt in het artikel dat Jan Blommaert in dit blad wijdde aan de moord op Theo van Gogh. Blommaert lijkt er vanuit te gaan dat iedereen die de moord op Van Gogh krachtig veroordeelt het dan ook volledig eens is met de Nederlandse cineast. Blommaert situeert de reactie op de moord in elk geval enkel en alleen in het rechtse en anti-islamitische kamp: de tegenstanders van de multiculturele samenleving zouden Van Gogh hebben uitgeroepen tot een ‘Heilige van het Vrije Woord.’ Dit is een kapitale denkfout: men hoeft het niet met Van Gogh eens te zijn om in te zien dat deze moord een bijzonder schokkende en gevaarlijke daad was. Natuurlijk was Theo van Gogh iemand die de zaken bijzonder grof verwoordde en op een eerder gratuite manier mensen en groepen beledigde. Zijn visie op het samenleven van diverse culturen was zelfs tamelijk primitief. Indien de man in België had geleefd, was hij hier hoogstwaarschijnlijk veroordeeld wegens een overtreding van de wet op het racisme. Dit alles belet echter niet dat een moord omwille van een politieke mening een van de meest verwerpelijke daden is die men kan stellen: het is een brutale machtsgreep van de terreur van de straat. Voor de moord op Theo van Gogh geldt des te meer: ook al verafschuwen we zijn mening en zijn taalgebruik, dan nog had hij het volste recht om zijn mening te uiten.

Vergoelijken

Het vreemde aan het artikel van Jan Blommaert is dat hij eerst één regel besteedt aan de opmerking dat deze laffe moord ‘onder geen enkele omstandigheid goed te praten valt.’ Maar vervolgens komen er twaalf pagina’s tekst waarin voortdurend wordt geklaagd over het ‘functioneel beledigen’ waarin Van Gogh zich specialiseerde om dan uiteindelijk uit te monden in de stelling dat dit soort uitspraken zou moeten verboden worden. De spitante stukjes van Van Gogh beledigen, stigmatiseren en wekken agressie op, zo stelt Blommaert. De hele teneur van het stuk is met andere woorden dat Van Gogh zijn uitspraken beter niet had gedaan, dan had hij ook geen agressie opgewekt en dan leefde de man nog en zou hij ongetwijfeld nog heel wat films maken in de loop van zijn verdere carrière. De verhouding tussen die ene regel en de twaalf pagina’s maakt duidelijk dat volgens Blommaert het echte probleem ligt in de provocerende uitspraken van de filmmaker, niet in de kogel die een eind maakte aan zijn leven. Daardoor ontstaat echter het risico dat deze moord vergoelijkt wordt en dat we onvoldoende inzien hoe dramatisch deze aanslag op de democratie wel is geweest.
De laatste keer dat er in de Lage Landen iemand vermoord werd enkel en alleen omwille van het feit dat hij een politieke mening had geformuleerd was in 1950. De communistische voorman Julien Lahaut werd toen doodgeschoten omdat hij in de Kamer ‘Vive la République!’ had geroepen bij de eedaflegging van de koninklijke prins Boudewijn. Leopoldisten maakten kort daarna een eind aan zijn leven: Lahaut zou nooit meer slogans roepen. Daarna zouden de Lage Landen gespaard blijven van dergelijke politieke moorden, althans tot op 2 november 2004. Het lijkt me weinig piëteitsvol om onmiddellijk na het overlijden van Van Gogh vooral uitvoerig in te gaan op de vraag wat de man beter niet gezegd zou hebben, en wat wel. Op die manier maakt men onvermijdelijk het proces van het slachtoffer en niet van de dader. Stel dat de voorloper van dit tijdschrift in 1950 naar aanleiding van de moord op Julien Lahaut uitvoerige stukken zou hebben gepubliceerd over hoe erg het is een staatshoofd te beledigen en dat een beetje beleefdheid toch veronderstelt dat men nooit onbehouwen slogans mag roepen, zeker niet in het parlementair halfrond. Dergelijke artikels zouden onvermijdelijk beschouwd worden als een morele steunbetuiging aan de moordenaars van Lahaut, ook al opent men het artikel met een als obligaat overkomende veroordeling van de moord. Het aangrijpen van de moord op Van Gogh om uitvoerig het proces te maken van wat de man allemaal gezegd en geschreven heeft, kan alleen maar hetzelfde effect hebben. Net zoals ten tijde van Julien Lahaut past hier alleen maar een krachtige veroordeling van de politieke moord, niet een uitgebreide analyse van wat het slachtoffer allemaal heeft gezegd om zijn dood uit te lokken.

Fundamentele rechten en vrijheden

Jan Blommaert gaat er in zijn artikel van uit dat we te maken hebben met een ‘crisis van de vrije meningsuiting.’ Het belangrijkste probleem met zijn analyse is echter dat hij een juridische term verkeerdelijk gebruikt om een heel ander soort probleem aan te kaarten. Blommaert maakt zich terecht zorgen over een mogelijke verruwing van het taalgebruik, maar vervolgens vermengt hij dat thema met de veroordeling van het Vlaams Blok, de wet op het negationisme en de moord op Van Gogh, alsof dat allemaal onder die noemer ‘vrije meningsuiting’ zou vallen. Het lijkt me echter bijzonder gevaarlijk om van al die verschillende fenomenen één brij te maken. Blommaert citeert Filip Dewinter die na de veroordeling van zijn partij stelde dat ‘in Nederland de vrije meningsuiting vermoord wordt door een kogel, bij ons door een vonnis.’ Blommaert zegt dan wel dat hij het oneens is met deze uitspraak, maar door vervolgens beide fenomenen samen te bespreken en steeds opnieuw parallellen te trekken, treedt hij eigenlijk volledig in de logica van Dewinter.
Wat ik mis in het artikel van Jan Blommaert is het besef hoe belangrijk en onaantastbaar de democratische grondrechten zijn. Over die grondrechten hoeft eigenlijk niet eens gediscussieerd te worden: hier gaat nog altijd de stelling van John Rawls op dat de basisvrijheden een absoluut karakter hebben en binnen een democratie enkel en alleen kunnen worden ingeperkt indien dat volstrekt noodzakelijk is om die basisvrijheden zelf te kunnen garanderen. Alle overige inperkingen van de basisvrijheden zijn voor Rawls onaanvaardbaar en tot nader order lijkt dit nog altijd de beste manier om onze democratie inderdaad veilig te stellen. Als Blommaert dan ook voorstelt om het recht op vrije meningsuiting aan banden te leggen, louter en alleen omwille van een overweging als ‘beleefdheid’, dan staat dit haaks op de principes van de democratische rechtsordening zoals die door Rawls worden beschreven. Beleefdheid is inderdaad wel belangrijk, maar het is niet iets wat je kunt afdwingen door een wijziging van de Grondwet.

Het lijkt misschien overbodig, maar omdat dit element volledig ontbreekt in de analyse van Blommaert is het goed nog eens te herinneren aan de manier waarop onze vrijheid van meningsuiting wordt beschermd. Artikel 25 van de Belgische Grondwet stelt:
De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers.

Het belangrijkste element is dus dat preventieve maatregelen niet kunnen in onze rechtsordening: schrijvers hebben geen toelating nodig om iets neer te pennen. De Nederlandse Grondwet formuleert het in artikel 7, lid 1 zo mogelijk nog kernachtiger:
Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Theo van Gogh had dus van niemand ‘voorafgaand verlof’ nodig om zijn ideeën neer te schrijven in zijn columns en iedereen die ook maar een beetje historisch besef heeft, zou moeten weten hoe belangrijk en hoe uitzonderlijk een dergelijke vrijheid is. Het is nog maar een goede tweehonderd jaar geleden dat in Frankrijk teksten pas mochten gedrukt worden na een goedkeuring door de autoriteiten, waardoor veel Franse filosofen in Zwitserland of Nederland moesten worden gedrukt en uitgegeven. Als Blommaert nu stelt: ‘niet elke mening verdient het van publiek vrij geuit te worden (…) we moeten alle meningen aan strenge kwaliteitsoordelen onderwerpen,’ dan voert hij daarmee het ‘voorafgaand verlof’ weer in, en dan keren we terug naar de situatie van voor de Franse Revolutie. Een cruciaal element van elke democratische rechtsordening wordt hiermee onderuit gehaald. Puur praktisch gezien zijn er trouwens flink wat problemen met het voorstel-Blommaert: wie zal er de kwaliteitsoordelen uitspreken in zijn systeem van voorafgaand verlof? Ik kan me moeilijk een jury van universiteitsprofessoren voorstellen die ’s nachts de kranten aan een voorafgaande censuur onderwerpt om dan te bepalen welke meningen voldoende kwaliteit hebben om inderdaad gedrukt te worden.
De notie van de voorafgaande toestemming is cruciaal in onze rechtsordening omdat ze een heel delicate evenwichtsoefening toelaat. Door het feit dat de preventieve censuur volledig wordt afgeschaft, garanderen de Belgische en de Nederlandse grondwet de meest volstrekte vrijheid en waarborgen ze het feit dat elke mening kan geuit worden. Dit betekent echter niet dat zomaar alles kan en dat er terzake geen enkele spelregel geldt. Mogelijke sancties komen echter pas achteraf, als men reeds zijn mening heeft geuit. De grondwetgever speculeert hier op het gezond verstand van de burger en op het feit dat mensen zich met de nodige zin voor verantwoordelijkheid zullen gedragen. De Nederlandse Grondwet bepaalt keurig dat we allemaal een verantwoordelijkheid hebben volgens de wet en die verantwoordelijkheid geldt altijd en overal. Om het klassieke voorbeeld te gebruiken: ik heb niet voorafgaand de toestemming van de koning, of van een college van universiteitsprofessoren nodig om in een overvolle bioscoop luidkeels ‘Brand!’ te roepen. Maar als ‘goede huisvader’, zoals de wet dat enigszins archaïsch uitdrukt, moet ik me er wel van bewust zijn dat hierdoor paniek kan ontstaan, dat mensen vertrappeld kunnen worden en dat ik dan verantwoordelijk zal worden gesteld voor de dood van die mensen. De sanctie komt met andere woorden altijd achteraf en op die manier verzoent de Grondwet het belang van een zo groot mogelijke vrijheid van meningsuiting met een respect voor ieders verantwoordelijkheid.

De terreur van de straat

Binnen dit grondwettelijk kader bepaalt de wet de manier waarop vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend en het getuigt van een volslagen minachting voor de democratische rechtsorde om dergelijke wetten te vergelijken met een laffe terreurdaad. Als de wet beperkingen oplegt aan de vrijheid van meningsuiting, dan gebeurt dat met de grootst mogelijke omzichtigheid. Een dergelijke wet moet zich aanpassen aan het grondwettelijk kader: de sanctie kan dus altijd pas achteraf komen en er kan nooit een voorafgaandelijke censuur worden ingevoerd. De wet kan ook alleen maar legitiem zijn indien de beperkingen worden ingevoerd omwille van een bijzonder zwaar wegend maatschappelijk belang en na een uitvoerig debat in een democratisch verkozen volksvertegenwoordiging. De toepassing van de wet berust ten slotte niet bij de politici, maar bij onafhankelijke rechters. De veroordeling van de Vlaams Blok-vzw’s beantwoordt volledig aan deze vereisten en wie er alle arresten op naleest kan enkel onder de indruk zijn van de genuanceerde en erudiete wijze waarop de verschillende rechtbanken en hoven zich uiteindelijk van hun taak hebben gekweten. De Belgische rechtbanken zijn traditioneel zeer terughoudend om zich met politieke zaken in te laten, maar de opgebouwde juridische argumentatie mondde in dit geval logischerwijs uit in een veroordeling. Het arrest van het Hof van Cassatie kan dan ook niet beschouwd worden als een aanslag op de vrije meningsuiting: de democratische procedures werden volledig en correct gevolgd, de verdediging heeft alle mogelijke kansen gekregen en er zijn geen juridische fouten gemaakt. Gelet op eerdere arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, is de kans ook bijzonder klein dat Straatsburg het arrest van Cassatie nog zou verwerpen. Eerder al heeft het Europees Hof geoordeeld dat staten het recht hebben de vrije meningsuiting te reguleren, indien ze hierbij alle mogelijke procedures eerbiedigen en indien dit gebeurt met het oog op het vrijwaren van een hoger rechtsbelang. Er is met andere woorden een hemelsbreed verschil tussen het arrest van Cassatie en de kogel die een eind maakte aan het leven van Van Gogh: in het ene geval hebben we te maken met een normale en democratische rechtsprocedure, in het andere geval met een brutale terreur van de straat.
Dit onderscheid wordt door Blommaert onvoldoende gemaakt en daardoor begeeft hij zich op bijzonder glad ijs. Zo stoort Blommaert zich aan het feit dat een aantal Vlaams Blok-kopstukken kritiek hadden op de rechter die hen veroordeelde. Volgens Blommaert ‘begaan deze mandatarissen een vorm van geweld die gesanctioneerd moet worden.’ Gesanctioneerd op basis van welke wet? Bij mijn weten bestaat er geen enkele wet die stelt dat je bij het buitengaan van de rechtszaal waarin je net veroordeeld bent niet wat bittere uitspraken kunt maken. Zolang er geen wet is die dit verbiedt hebben mensen volstrekt het recht dit te doen, het getuigt van weinig beleefdheid of respect voor het Hof, maar in democratie is het nu eenmaal een basisrecht om desnoods onbeleefd te zijn.

Moraliteit en wet

Blijft nog de bezorgdheid van Jan Blommaert, dat er te veel mensen domme dingen zeggen. Ik vrees dat dit de prijs is die we moeten betalen voor onze democratische rechten en vrijheden: in Noord-Korea worden er zelden domme dingen gezegd. Met een boutade zou je zelfs kunnen zeggen dat de vrijheid van meningsuiting vooral bedoeld is om domme meningen mogelijk te maken. Er is immers zelden een probleem met de ‘verstandige’ mening van een professor of een politicus: dat soort mensen vindt meestal wel voldoende kanalen om ze ook te uiten. Het probleem ligt juist bij de ‘domme’ mening van gewone mensen die, zonder dat ze daar uitvoerige studies over gedaan hebben, ’s avonds op café gewoon willen zeggen dat de eerste minister van dit land er een potje van maakt. Vijftien jaar geleden hoorde je dat soort ‘domme’ uitspraken niet in Oost-Berlijn, nu hoor je ze er wel en dat maakt juist de kern uit van de democratie.
De vrees dat we evolueren naar een verruwing van de omgangsvormen is wel terecht, alleen kunnen we in een democratische rechtsordening niet de strafwet inschakelen om dit fenomeen te bestrijden. La parole est libre blijft immers de fundamentele stelregel en elke vogel zingt nu eenmaal als hij gebekt is. Blommaert is hierin weinig genuanceerd als hij een scherp gesteld krantenstuk zomaar gelijkstelt met eender welke andere vorm van agressie. Ook een verwijt kan volgens hem krenken, kwetsen en stigmatiseren. Dat klopt uiteraard wel, maar er is één fundamenteel verschil. Stel dat er iemand een bijzonder negatief stuk had geschreven over Van Gogh, dan zou hij dat misschien niet zo leuk hebben gevonden, maar in elk geval zou hij nu nog altijd films maken. Als die schrijver het bovendien handig aanpakt en enkel de ideeën van Van Gogh bekritiseert en niet de persoon zelf, dan kan Van Gogh niet eens een proces aanspannen wegens laster en eerroof. Het enige wat Van Gogh dan nog kan doen is een stuk terug schrijven en dat is natuurlijk precies zoals het hoort. Al met al valt het nog wel mee met het agressieve karakter van dergelijke polemieken: je hebt er weinig last van, in het slechtste geval verstoort het even je nachtrust.
Een echte daad van agressie daarentegen, zoals we die op 2 november 2004 hebben meegemaakt, heeft heel andere gevolgen: het betekent dat Van Gogh nooit meer een stuk zal schrijven en dat hij ook nooit meer films zal maken. Wat zo mogelijk nog erger is: het betekent tegelijk dat andere mensen zich zullen laten intimideren en niet meer zullen uitkomen voor hun mening uit angst dat ze net zozeer het slachtoffer zullen worden van straatterreur. Het ‘agressieve’ karakter van een krantenstukje moet dus toch wel genuanceerd worden. Een aantal recente uitspraken van de Raad voor de Journalistiek (zie www.rvdj.be) volgen trouwens precies dezelfde logica: wie een eerder polemische stijl hanteert, moet er ook maar tegen kunnen dat andere mensen op precies dezelfde manier reageren.

Tegen domme uitspraken

Is er dan niets dat we kunnen doen tegen de verruwing van het debat? Toch wel, alleen zou ik er van uitgaan dat de gewone mechanismen van de maatschappelijke discussie hiervoor voldoende zijn. Domme uitspraken moeten niet tegengehouden worden door het instellen van een voorafgaande censuur, in de praktijk verdwijnen ze wel vanzelf. We beschikken immers over twee heel doeltreffende instrumenten tegen domme uitspraken: we kunnen ze negeren en we kunnen er een beter argument voor in de plaats stellen. Dit is de manier waarop het in werkelijkheid werkt. Neem gewoon een krant van een maand geleden en herlees nog eens alle lezersbrieven en opiniestukken: met meer dan 90 % ervan gebeurt er nooit meer iets omdat we het bij nader inzien helemaal geen goed idee vinden. Het vrije debat heeft een grote zelfreinigende functie, daar hoeft geen enkele wetgever tussen te komen.
Professor Blommaert maakt zich ook zorgen over het feit dat tegenwoordig ook de ‘gewone’ man haar/zijn mening mag zeggen op televisie: ‘De media dragen ook bij tot het beeld van de gelijkheid van alle opinies. Het aantal programma’s waarin ‘de gewone man’ z’n zegje kan doen is al lang niet meer te tellen.’ Wat stelt hij dan voor - dat je alleen nog maar een mening mag hebben als je eerst een doctoraat hebt gemaakt over een thema? Opnieuw komen we hier op het fundamentele recht om desnoods domme dingen te zeggen. Als de ouder van een vermoord kind op televisie zegt dat hij de gearresteerde moordenaar fysiek zou willen aanvallen, dan is dat een ‘domme’ uitspraak, maar de man heeft het volstrekte recht om zoiets te zeggen. Alleen zal daarna een jurist hem moeten uitleggen dat we niet geloven in dergelijke lynchpartijen, en dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces, ook een kindermoordenaar. Er is inderdaad wel een zeker risico op een toenemend populisme in de massamedia, maar de oplossing is niet dat we aan ‘gewone mensen’ (zijn er andere?) zeggen dat ze hun mond moeten houden en dat ze braafjes moeten stilzwijgen en luisteren naar wat de hooggeachte professor allemaal zegt. De oplossing is een normaal evenwichtig debat, waarin zowel de getroffen ouder als de bezadigde jurist aan bod komen.
Populisme berust in essentie op de misvatting dat mensen zouden verwachten dat politici en intellectuelen hen naar de mond zouden praten. Ik geloof daar niet in: ook de ouder wiens eerste primaire reactie is om Dutroux te lijf te gaan, is uiteindelijk tevreden na afloop van het gevoerde proces en hij kan zich verzoenen met het feit dat dit de correcte manier om een moordenaar te bestraffen. Mensen zijn verstandig genoeg om in te zien dat een primaire kreet niet hetzelfde statuut heeft als een goede argumentatie - we hebben helemaal geen censuur nodig om die kreten tegen te houden. In het café hier om de hoek wordt elke avond geklaagd over te veel belastingen, door ‘domme’ mensen die nog nooit de staatsbegroting van voor naar achter bestudeerd hebben. Als Blommaert stelt dat ‘respect voor een mening samenhangt met de kwaliteit van die mening’ volgt hieruit dat we geen respect moeten opbrengen voor dit soort cafépraat. De vroegere DDR had hiervoor inderdaad een zeer goede oplossing: installeer in elk café een spion van de Stasi en dan hoor je nog weinig uitspraken die niet beantwoorden aan het ‘kwaliteitsoordeel’ van de autoriteiten. In werkelijkheid hebben mensen het recht om ’s avonds op een domme manier te klagen over de belastingen. Ze zijn immers verstandig genoeg om in te zien dat die belastingen noodzakelijk zijn. Politici die beloven om de belastingen volledig af te schaffen zouden geen enkele stem krijgen. Ook de klagende tooghanger beseft zeer goed dat geen belastingen ook betekent geen onderwijs, geen ziekenzorg, geen politie en geen brandweer.
Als je kijkt naar het politiek gedrag van de mensen in West-Europa, dan zie je dat de overgrote meerderheid van de bevolking perfect in staat is het onderscheid te maken tussen oprispingen ‘fris van de lever’ en meer genuanceerde oordelen over wat uiteindelijk noodzakelijk is om onze manier van leven in stand te houden. Er is dan ook geen enkele reden om dat soort oprispingen te gaan verbieden. Het fundamentele probleem van het populisme is dat de aanhangers ervan de mensen onderschatten en minachten, door te denken dat ze voortdurend naar de mond gepraat willen worden. Ook ‘gewone’ mensen zijn echter perfect in staat om op twee niveaus tegelijk te denken: ook al vloeken ze over de bekeuring die ze net gekregen hebben, tegelijk beseffen ze dat het noodzakelijk is dat de politie controleert voor dronkenschap achter het stuur. Populistische campagnes zoals die tegen de superboetes onderschatten de mate waarin burgers dat onderscheid kunnen maken.

Mijn belangrijkste probleem met de tekst van Jan Blommaert is dat hij al evenzeer te weinig vertrouwen heeft in de ‘gewone’ mensen. Als je die aan het woord laat gaan ze immers domme dingen zeggen, dan zullen ze mensen en groepen beledigen en dat moeten we allemaal niet hebben. De beste manier om dat te voorkomen is de ‘gewone’ mensen onder curatele te plaatsen, en ervoor te zorgen dat ze eerst toestemming vragen vooraleer ze hun mond open- doen, zodanig dat er voorafgaand een kwaliteitsoordeel kan plaatsvinden. Wie dat oordeel moet uitspreken blijft voorlopig in het ongewisse, maar blijkbaar gaat professor Blommaert ervan uit dat er inderdaad een categorie deskundigen bestaat die kunnen zien of een mening al dan niet kwaliteit heeft. Dat daarbij de Grondwet wordt geschonden is blijkbaar al evenmin een probleem, want eigenlijk zijn veel mensen toch wat te dom om al die grondwettelijke vrijheden aan te kunnen. Wie daarentegen enig vertrouwen heeft in de mens beseft hoe cruciaal die vrijheden zijn en hoe uitzonderlijk en kwetsbaar ze zijn als je de loop van de wereldgeschiedenis bekijkt. Voor de rest moet de marketplace of ideas maar haar werk doen. Als Theo van Gogh domme dingen schrijft over moslims - en laat daarover geen twijfel bestaan: dat heeft hij gedaan - dan is de enige legitieme reactie daarop dat iemand anders uitvoerige stukken schrijft om aan te tonen dat Van Gogh ongelijk heeft. Maar de democratie wordt tot in haar kern bedreigd op het ogenblik dat we kogels gaan gebruiken in plaats van argumenten.

Marc Hooghe
Docent politieke wetenschappen KU Leuven

vrije meningsuiting - Islam - Theo Van Gogh - Vlaams Belang - VB

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 23 tot 29