Log in

Een commentaar vanuit het internationaal recht van de mensenrechten

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 19 tot 22

Sluiertrees

Om te beginnen dit: ik heb diezelfde e-mail ook ontvangen op 3 november. Tussen de reclames voor Rolex, wonderdiëten en megaloterijen door, vond ik het veruit het interessantste spambericht van die dag. Ik heb het zelfs volledig gelezen voordat ik het net als de rest van de spam naar de elektronische prullenmand verwees. Ook Blommaert vond het klaarblijkelijk een interessant bericht. Zo interessant zelfs, dat hij het verder verspreidt, eerst in zijn colum in Knack van 24 november, nu ook in Samenleving en politiek. Onbedoeld wordt Blommaerts pleidooi voor restricties op dit soort meningsuiting op die manier een pleidooi voor het omgekeerde. En dat is, zoals de Amerikanen zeggen: speech met counterspeech bestrijden op de free marketplace of ideas. Naar aanleiding van een grof - misschien zelfs shockerend - bericht, klimt degene die het er niet mee eens is in zijn pen om het tegendeel te beweren of in dit geval het grof karakter en het simplisme ervan aan de kaak te stellen. Meer moet dat niet zijn, aldus de voorstanders van een maximale vrije meningsuiting. De democratie is meer gediend met een mooi debat waarin de good guys uiteindelijk zegevieren, dan met een doofpot voor foute meningen.

Vrije markt

Laat het duidelijk zijn: die vrijemarktgedachte is niet wat ik wil verdedigen. De nadelen van een ongecorrigeerde vrije markt zijn immers bekend. Om te beginnen zijn er de ongelijke uitgangsposities. ‘Vuile blanke’ is niet even kwetsend als ‘vuile zwarte’, en ‘vieze hetero’ raakt minder dan ‘vieze homo.’ Gewoonweg omdat blanken geen geschiedenis meedragen van slavernij, kolonialisme en racisme, en omdat hetero’s nooit in de kast hoefden. Bovendien beschikt niet iedereen over dezelfde middelen om met zijn mening de markt te veroveren. Toegang tot de media, en tot de diverse politieke en maatschappelijke geledingen waar de debatten gevoerd worden, is ongelijk verdeeld. Er is natuurlijk geen enkele garantie dat de good guys gehoor vinden, laat staan dat ze het debat zouden winnen. Nee, zo’n Amerikaanse ‘laissez-faire’-benadering levert in mijn ogen teveel collateral damage op…

Een juridisch perspectief

Het is soms fijn jurist te zijn. Voor moeilijke ethische en maatschappelijke problemen zoals dit biedt het internationaal recht van de mensenrechten weliswaar niet steeds pasklare oplossingen, maar in ieder geval een conceptueel kader. De vrijheid van meningsuiting is een klassiek mensenrecht, dat in alle internationale verdragen over burgerlijke en politieke rechten wordt beschermd. Het meest rechtstreeks relevant voor België is artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), dat bepaalt:
‘1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. (…)
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s lands veiligheid, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.’
Het tweede lid van deze bepaling is een beperkingsclausule. ‘Fundamentele rechten’ is namelijk geen synoniem van ‘absolute rechten.’ Net zomin als de meeste andere mensenrechten is de vrijheid van meningsuiting absoluut. Beperkingen ervan zijn legitiem indien ze voldoen aan de drie voorwaarden die worden gesteld in de beperkingsclausule. Ten eerste, ze moeten een wettelijke basis hebben. Bijvoorbeeld in de Antiracismewet van 1981 of de Wet Bestrijding Discriminatie van 2003. Maar de wetgever heeft geen carte blanche. De beperkingen van de meninguiting moeten ook een wettig doel hebben, uit het lijstje van de beperkingsclausule. Het gaat daarbij enerzijds om doelstellingen van algemeen belang, zoals de goede zeden - die bv. restricties op pornografie rechtvaardigen - en de nationale veiligheid - die bv. het onthullen van staatsgeheimen aan banden kan leggen. Anderzijds betreft het de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. De bescherming van de goede naam is de basis voor wetgeving tegen laster en eerroof. De ‘rechten van anderen’ waarmee de vrije meningsuiting in conflict kan komen, zijn soms ook fundamentele mensenrechten. Bijvoorbeeld het recht op bescherming van het privéleven. Om de privacy te beschermen mag de meningsuiting soms worden beknot. Zo verkreeg prinses Caroline van Monaco onlangs via het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een verbod voor de Duitse paparazzi om foto’s van haar privéleven te publiceren.1 Ook het recht op bescherming tegen discriminatie rechtvaardigt beperkingen van de vrije meningsuiting, zoals bijvoorbeeld het strafrechtelijk verbod om aan te zetten tot discriminatie of haat. De belangrijkste voorwaarde in de beperkingsclausule van artikel 10 (2) tenslotte is de vereiste dat de beperkende maatregel noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving om het geviseerde doel te bereiken. Dit is een evenredigheidscriterium. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) maakt in ieder dossier in concreto een afweging tussen het gewicht van de vrije meningsuiting en dat van het doel dat ter beperking daarvan wordt ingeroepen. Daarbij valt op dat het Hof heel veel gewicht toekent aan meningsuiting over kwesties van algemeen belang, en in het bijzonder aan de vrijheid van de pers om over dergelijke kwesties te berichten. Het Hof meent namelijk dat het vrije debat over maatschappelijke kwesties tot de essentie behoort van een democratische samenleving.

Kwetsende meningen

En ja, in een dergelijk debat mogen al eens kwetsende en shockerende uitspraken vallen. Al sinds de vroegste rechtspraak over de vrijheid van meningsuiting herhaalt het Straatsburgse Hof dat de vrijheid van meningsuiting niet enkel geldt voor ideeën die we graag horen, die onschadelijk zijn of die ons onverschillig laten, maar ook voor diegene die kwetsen, schokken of verstoren. Dat is nu eenmaal een vereiste van het pluralisme, de verdraagzaamheid en de openheid van geest zonder dewelke er geen sprake is van een democratische samenleving.2
Met andere woorden: de inhoud van de mening doet er niet toe. Het Hof zegt niet dat alle meningen evenwaardig zijn, maar wel dat ze allemaal beschermenswaard zijn. Indien een meningsuiting verboden wordt, is het dan ook niet op basis van de inhoud ervan, maar wel omdat ze tot gevolg heeft dat ernstige schade wordt berokkend aan een algemeen belang of aan de reputatie of de rechten van anderen. Het onderscheid tussen inhoud en gevolg van een meningsuiting is echter niet altijd duidelijk. Sommige meningsinhouden hebben per definitie schadelijke gevolgen wanneer ze in het openbaar worden geuit. Dit is het duidelijkst in het geval van racisme en negationisme. Volgens het EHRM is het zo evident dat dergelijke meningsuitingen mogen verboden worden, dat klachten hierover steevast onontvankelijk worden geoordeeld, met een beroep op artikel 17 EVRM, dat stelt dat men zich niet op zijn mensenrechten mag beroepen met de bedoeling mensenrechten te vernietigen.3 Het Racismeverdrag van de Verenigde Naties gaat nog een stapje verder, door het bestrijden van racistische meningsuitingen (en organisaties) zelfs verplicht te maken.

Terug naar Blommaert

In de e-mail die Blommaert citeert is volgens mij sprake van het aanzetten tot haat jegens een gemeenschap wegens het geloof of de levensbeschouwing. Indien de rechtbank daar ook zo over denkt, kan de auteur - indien deze zou kunnen worden geïdentificeerd - bestraft worden met toepassing van artikel 6 van de Wet Bestrijding Discriminatie. Dit zou een beperking zijn van diens vrije meningsuiting, maar geen schending. De beperking is immers evenredig met het doel van de bescherming van de rechten van de leden van de moslimgemeenschap. Niet alle beperkingen van de vrije meningsuiting die Blommaert voorstelt, doorstaan echter deze toets. Eerst een bemerking. Het betoog van Blommaert is geen juridisch betoog. Wanneer hij stelt dat bepaalde uitspraken ‘gesanctioneerd moeten worden’, en dat we ‘terug wat publieke goede manieren (moeten) afdwingen’, is het niet duidelijk of dit sanctioneren en afdwingen de inzet van juridische sancties omvat, dan wel of het eerder gaat om maatschappelijke sancties zoals sterke counterspeech op de vrije ideeënmarkt, of een bewust beleid bij de media. Ik krijg echter de indruk dat het soms wel degelijk om een juridisch verbod gaat, bv. waar hij stelt: ‘beide meningen zijn fout, ontoelaatbaar en antidemocratisch en horen dus niet in het publieke domein.’ Hij heeft het dan over respectievelijk de mening dat ‘de wil van het Vlaamse Volk de Belgische wetten overstijgt’, en de mening dat ‘de Belgische wetten niet opwegen tegen de wetten van Allah.’ Geen van beide uitspraken is mijns inziens strafbaar in België. Wat meer is, een bestraffing of een publicatieverbod voor een dergelijke uitspraak is volgens mij in strijd met de grondwettelijke en internationale normen inzake de vrijheid van meningsuiting, zelfs als er een wettelijke basis voor zou bestaan. De enige beperkingsgrond uit artikel 10 (2) die men hier zou kunnen inroepen, is die van het waarborgen van het gezag van de rechterlijke macht. Deze beperkingsgrond is echter vooral bedoeld om commentaar op hangende rechtszaken aan banden te kunnen leggen. Eenmaal er een eindbeslissing is, is kritiek op het proces of het vonnis heel wat minder bedreigend. Bovendien gaat het hier om een debat over een kwestie van algemeen belang, dat om die reden een zeer grote bescherming geniet onder artikel 10 EVRM. Wanneer de ‘daders’ mandatarissen van het Vlaams Blok/Belang zijn, versterkt deze bescherming nog omdat meningsuiting door politici van een oppositiepartij essentieel wordt geacht in een democratie.4

Besluit

Met andere woorden, het internationaal recht van de mensenrechten laat wel ruimte om meningsuitingen te beperken ter vrijwaring van het algemeen belang of van de rechten en reputatie van derden. In een debat over zaken van algemeen belang is deze ruimte echter beperkt, al vallen ‘opruiende en haatdragende publieke provocaties’ er in de meeste gevallen onder. Een verder reikende ‘kwaliteitscontrole’ van het publieke debat kan echter niet aan de hand van juridische restricties. Dat wil niet zeggen dat zoiets per definitie een slecht idee is. Eerder dan aan de overheid komt dit echter toe aan de burgers en hun organisaties (waaronder bv. de media).

Eva Brems
Docent Mensenrechten, Universiteit Gent

*Noten *
1/ EHRM, Von Hannover (2004).
2/ EHRM, Handyside (1976), § 49.
3/ Bv. EHRM, Garaudy (2003).
4/ EHRM, Castells (1992) § 42.

vrije meningsuiting - Theo Van Gogh - Islam - Vlaams Belang - VB

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 19 tot 22