Abonneer Log in

Doe de stemtest: potentieel het machtigste campagne-instrument

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 57 tot 60

De test die we gedaan hebben in het postelectorale verkiezingsonderzoek 20031 naar de invloed van Doe de stemtest op het kiesresultaat is, gegeven het doorsnee karakter van dit onderzoek, noodzakelijkerwijze een zwakke test. Daarenboven is omwille van aanslepende financieringsonderhandelingen het bevragingsmoment relatief laat (oktober-december 2003), zodat geheugenfouten niet uit te sluiten zijn. We vroegen de kiezers of ze deelgenomen hadden en of ze onder invloed van deze deelname hun stemgedrag hadden gewijzigd. Zo ja, konden we nagaan van welke partij naar welke partij ze getrokken waren.

Dit is een zwakke test, omdat (1) kiezers zich niet noodzakelijk bewust zijn van zulk een invloed en (2) het vermoedelijk - zeker voor hooggeschoolden - sociaal onwenselijk aangevoeld wordt om je te laten leiden in je stemkeuze door een ‘spelletje’ van de televisie. Daarenboven weten we dat op het moment van de Doe de stemtest nog minstens 45% van de kiezers niet definitief beslist hebben. Mogelijks zelfs om en bij de 50%. Men moet de hier gepresenteerde gegevens dan ook met de hoogst mogelijke argwaan gadeslaan.

Het aantal kiesgerechtigde gebruikers, de vermoedelijke winnaars en vermoedelijke verliezers

De VRT kent het aantal gebruikers van de Doe de stemtest op haar website. Dit hoeven echter geen stemgerechtigde kiezers te zijn. Een heel aantal leerkrachten heeft de Doe de stemtest laten invullen door nog niet stemgerechtigde middelbare scholieren in het kader van hun opleiding.
We schatten het aantal kiesgerechtigde deelnemers van de Doe de stemtest in 2003 op 13,3% van het Vlaamse electoraat. Uitgaande van 4.135.988 kiezers zijn dit afgerond 550.000 kiezers. Toch een zeer omvangrijke groep. Van deze deelnemende kiezers verklaart 92,9% zijn stemgedrag niet gewijzigd te hebben onder invloed van het invullen of kijken naar de Doe de stemtest. En 7,1% zegt dit wel te hebben gedaan. Als we de neuzen pogen te tellen, komt dit dus neer op een 39.000 kiezers die van partij gewijzigd zijn. Anders gezegd bevestigden zo’n afgeronde 511.000 kiezers via hun deelname aan de Doe de stemtest hun oorspronkelijke stemintentie. Indien correct zou in 2003 de Doe de stemtest voornamelijk de stemkeuze van de kiezer verder uitgekristalliseerd hebben.
Vanaf nu moeten we extreem voorzichtig worden. De berekeningen die volgen hebben betrekking op uiterst kleine aantallen respondenten en het kan niet uitgesloten worden dat er meetfouten in de gegevens zitten. Verrassend genoeg komt de tendens naar voor dat de VLD in 2003 de ‘winnaar’ van de Doe de stemtest zou zijn. sp.a-spirit zou op de tweede plaats afkloppen. De andere partijen zouden uit de Doe de stemtest geen winst gepuurd hebben.
Wie zouden dan de verliezers zijn? Weerom en nog meer moet extreme voorzichtigheid in acht worden genomen. De indruk bestaat dat het Vlaams Blok een zeer beperkt aantal kiezers zou verloren zijn aan de VLD, CD&V, sp.a-spirit en de kleine andere partijen zouden nog iets minder aan de VLD kwijtgeraakt zijn. Onze cijfers geven alvast niet de indruk dat er onder invloed van de Doe de stemtest een belangrijke stroming op gang zou gekomen zijn tussen Agalev en sp.a-spirit. Maar weerom, ook hier moet de nodige voorzichtigheid aan de dag worden gelegd.

Wie is de gebruiker?

We vroegen de kiezer of hij meegedaan heeft aan de stemtest in 2003. Merk op dat we niet gevraagd hebben of dat hij/zij dit zou gedaan hebben via het internet. Actieve deelname aan het tv-programma volstond. We deden een logistische regressie op het al dan niet deelnemen aan de Doe de stemtest van 2003. Tabel 1 vat deze gegevens samen.

Tabel 1: Logische regressie op al dan niet aangeven meegedaan te hebben aan de Doe de stemtest in 2003.

De analyse gebeurt stapsgewijs (padmodel) waarbij eerst de sociaal-demografische variabelen worden ingebracht (model 1), vervolgens in telkens een afzonderlijk model worden interesse in de politiek (model 2) en politieke vervreemding (model 3) toegevoegd. Aan dit model hechten we vervolgens politieke voorkeur (model 4). Variabelen die voorafgaan in het padmodel worden verondersteld voorafgaand in de tijd te zijn.
Van de sociaal-demografische variabelen blijkt sociaaleconomische status volgens de EGP-schaal niet wezenlijk bij te dragen tot het al dan niet deelnemen aan de Doe de stemtest. Dit na controle voor leeftijd, geslacht en onderwijsniveau. Samen verklaren deze variabelen zowat 12% van de variatie in de antwoorden (Pseudo-R2). Onderwijsniveau is veruit de sterkste variabele voor het verklaren van de deelname aan de Doe de stemtest. Kiezers met uitsluitend lager onderwijs participeren in vergelijking met de hooggeschoolden amper aan de stemtest. Met de leeftijd neemt ook de participatiegraad af en vrouwen participeren merkelijk minder dan mannen.
Gecontroleerd voor de sociaal-demografische variabelen is er een duidelijk effect van politieke interesse op de deelname aan de Doe de stemtest (model 2). Hoe meer politieke interesse, hoe hoger de participatiegraad. De verklaarde pseudo-R2 stijgt tot 16,7%. Merk op dat geslacht in dit model niet-significant wordt, wat wil zeggen dat vrouwen minder participeren aan de Doe de stemtest omdat ze minder interesse hebben in politiek.
Vervolgens hebben we dit model uitgebreid met de variabele politieke aliënatie (model 3). Een zwakker maar significant effect gaat ook uit van politieke vervreemding. Hoe meer men van de politiek en politici vervreemd is hoe minder men deelneemt aan de test. Het model kent een pseudo-R2 van 17%. In dit model hebben we tevens de invloed van al dan niet gaan stemmen indien de stemplicht afgeschaft zou zijn, en het al dan niet lid zijn van een politieke partij getest. Twee hypothesen lagen hier aan de grondslag. Vooreerst dat in het geval men niet meer zou gaan stemmen, men minder zou hebben deelgenomen aan de test. En vervolgens dat partijleden effectief meer zouden deelnemen. Beide variabelen blijken overbodig na opname van politieke interesse en aliënatie.
Tot slot gingen we na of na opname van de sociaal-demografische variabelen en de politieke-attitudevariabelen interesse en vervreemding, er nog een meer dan toevallig effect uitgaat van partijvoorkeur (model 4). Dit zou uitermate politiek relevant zijn. Onze gegevens geven aan dat dit niet het geval is. Partijvoorkeur blijkt geen significante invloed te hebben op de deelname aan de Doe de stemtest.
Samengevat is het profiel van de Doe de stemtest-gebruiker er een van een goed opgeleide man van middelbare leeftijd, die relatief sterk geïnteresseerd is in de politiek en weinig vervreemd is van de politici. In deze zin bevestigt de Doe de stemtest de status quo in de samenleving. Politiek gemarginaliseerde kiezers, die een lager opleiding kennen en weinig interesse hebben in het politiek gebeuren komen slechts mondjesmaat toe aan Doe de stemtest. De Doe de stemtest slaagt dus weinig tot niet in zijn missie om de politiek dichter bij de weinig in politiek geïnteresseerde burger te brengen.

Besluit

We schatten dat zowat iets meer dan een half miljoen stemgerechtigde kiezers deelgenomen hebben aan de Doe de stemtest in 2003. Dit is enorm. Slecht een beperkte groep geeft zelf toe dat zij hierdoor haar stemgedrag gewijzigd heeft. We hebben de indruk dat dit in het voordeel van één partij liep. De cijfers zijn echter te klein om hier iets echt betrouwbaars over te kunnen zeggen. Desondanks is de omvang van deze deelname - en we weten dat deze nog gegroeid is in 2004 - van die aard dat er potentieel ongelofelijk belangrijke politieke effecten kunnen uitgaan vanuit deze infotainmentformule. Zelfs als het meetbare effect in 2003 klein zou zijn, hoeft dit zo niet te zijn op andere momenten. Zo zou een uitschuiver van één of andere partij tijdens zo een programma en binnen een dergelijke test, electoraal desastreuze gevolgen kunnen hebben. Het hangt maar af van de context. De invloed van het programma kan ongezien zijn omdat naar schatting nog de helft van het electoraat niet definitief beslist heeft voor wie het zal stemmen op het moment van de uitzending. De VRT overdreef echt niet toen ze stelde dat in 2004 de verkiezingscampagne startte toen zij op antenne ging met de Doe de stemtest.
De Doe de stemtest bereikt nog steeds de politiek geïnteresseerde kiezer, mannelijk van geslacht, met een goede opleiding en een gezonde dosis interesse in de politiek. In dat opzicht is hij niet dadelijk populair of volks te noemen en bracht hij vermoedelijk de kiezer minder dichtbij de politiek dan kijkcijfers en hits dat doen vermoeden. De goed opgeleide middenklasse blijkt de gebruiker te zijn.
Een werkelijk onderzoek dat het gehele gewicht van de Doe de stemtest blootlegt is slechts mogelijk door een uitermate grote en naar partijvoorkeur representatieve steekproef van stemgerechtigde Vlamingen te nemen als startpunt. De steekproef moet voldoende groot en representatief zijn om binnen elke partijaanhang voldoende deelnemende kiezers te hebben. Deze representatieve steekproef moet dan in een panelontwerp geplaatst worden, die bevragingsmomenten kent vóór de Doe de stemtest, dadelijk nadien en vervolgens nogmaals na de stembusgang. Op een andere wijze kan nooit een afdoend antwoord op een eenvoudig lijkende vraag gegeven worden. Of hoe de klassieke onderzoeksontwerpen van Paul Lazarsfeld uit People’s Choice (1948) en Voters (1954) naar de invloed van de radio op het stemgedrag, nog steeds niet aan actualiteit hebben ingeboet (Swyngedouw & Billiet, 2004).

Marc Swyngedouw en Bart Goeminne
Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO-K.U.Leuven)

Noot
1/ Het onderzoek waarvan sprake in dit artikel werd gefinancierd door de Federale Overheidsdienst (FOD) Wetenschapsbeleid.

Bibliografie
- Swyngedouw M., Billiet J. (2004) Advances in Electoral Research, International Symposium in Honour of Paul Lazarsfeld, Session 5: Electoral Research, Brussels - Leuven, ISPO-K.U.Leuven, FWO-WOG Scientific Research Community on Comparative and Longitudinal Research, June 4 & 5, 2004, Universitaire Stichting.

stemtesten - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 57 tot 60