Log in

De truc met het volk

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 23 tot 30

Er wordt nu al een paar decennia lang heel intensief gedebatteerd over democratie. Daarbij overheerst een toon van grote bekommernis, van zorg om het teloorgaan of toch minstens erg ziek zijn van iets dat zo goed en zo belangrijk is dat het niet mag verdwijnen. Het regent dan ook voortdurend remedies om het zieke kind er weer bovenop te helpen.

Ik wil hier vandaag een poging ondernemen om het kind zijn juiste naam te geven. Ik wil proberen u duidelijk te maken wat precies de vorm en inhoud is van het politiek bestel dat in de loop van de voorbije eeuwen democratie is gaan heten. Ik wil dat doen omdat ik vaststel dat in het recente debat een visie op democratie de kop opsteekt die populisme heet, een visie die met verve uitgedragen wordt door één welbepaalde politieke familie, maar die ook - en dat is mijn centrale punt - steeds vaker impliciet en expliciet gebezigd wordt door vele om niet te zeggen door de meeste andere deelnemers - politici en anderen - aan het debat over de ziekte en de mogelijke genezing van de democratie.

Verkiezing en vertegenwoordiging

De moderne democratie in een paar minuten beschrijven met de ambitie zowel duidelijk als volledig te zijn, zou getuigen van grote roekeloosheid. Als ik echter zoek naar de essentie ervan, kom ik vanzelf terecht bij twee begrippen die heel erg nauw met elkaar verbonden zijn: vertegenwoordiging en verkiezing. Verkiezing is in de allereerste plaats een methode om te selecteren wie een bepaalde rol zal spelen, in dit geval een rol die te maken heeft met politiek, met het besturen van een samenleving. Toen de eerste prille en experimentele vormen van de moderne democratie het licht zagen, was de keuze voor de verkiezing van de politieke elites een - in het licht van de geschiedenis - eerder verrassende ontwikkeling. Het breder openen van de mogelijkheden om deel te nemen aan de selectie van het politiek personeel leidde voorheen in vele gevallen tot de keuze voor de procedure van lottrekking, naar het voorbeeld van de selectieprocedure die ook in het oude Athene overheerste. Lottrekking - dat is niet onbelangrijk - geeft al wie het recht geniet om uitverkoren te worden een zelfde kans op selectie. Toch kozen de founding fathers van de hedendaagse democratie niet voor lottrekking. De reden daarvoor is precies dat zij niet in eerste instantie bekommerd waren om die gelijke kansen op selectie, maar wel om een systeem waarin de verkozenen legitieme afgevaardigden zouden zijn van diegenen in wier naam zij zouden spreken en handelen. Verkiezing is een procedure waarin een dialoog vervat zit, en waarin dus een daad van toestemming schuilt. Wie een politieke functie vervult, neemt deel aan de productie van wetten die op dwingende wijze zullen worden opgelegd. Door de verkiezing van diegenen die de wetten zullen maken en opleggen, geven de leden van de te besturen samenleving de toestemming om in hun naam die regels te maken en aan henzelf op te leggen. Dat is de redenering die kernachtig samengevat zit in het principe no taxation without representation.
Oorspronkelijk was dit principe gebouwd op het idee dat individuen de samenleving zouden vertegenwoordigen. Zij zouden daarbij een ruime vrijheid genieten, niet een dwingend mandaat meekrijgen. De vertegenwoordiger moet de mogelijkheid hebben om van gedachten te wisselen, te debatteren, en na afloop daarvan een beslissing te nemen. En die beslissing - dat is absoluut cruciaal - moet nadien ook aan de bevolking meegedeeld en geduid worden. Door de beperking van verkozen mandaten in de tijd - regelmatige verkiezingen dus - én door de mogelijkheid om herverkozen te worden, wordt achteraf, na afloop van een termijn de dialoog tussen verkozenen en bevolking gevoerd, met het terugtrekken van het vertrouwen als mogelijke sanctie.
Deze manier van werken, en de hele filosofische onderbouw ervan, is een eerste en nog onvolkomen invulling van de moderne democratie. Ze hanteert immers een zeer restrictieve invulling van het begrip ‘bevolking’, die dan hoogstens bestaat uit een klein kransje rijke belastingbetalers en grootgrondbezitters. De finale stap, die zwaar zal wegen op de werkwijze van de vertegenwoordigende democratie, komt met de uitbreiding van het stemrecht tot zeer grote en ten slotte tot alle of bijna alle leden van de bevolking. De zeer grote schaal waarop de dialoog tussen samenleving en vertegenwoordiging moet worden gevoerd is niet de origine of de reden om de democratie vertegenwoordigend te maken. Die keuze was eerder al genomen. De grote schaal leidt wel tot het verschijnen van organisaties - politieke partijen - die de verkiezingen van het politieke personeel een heel specifieke vorm zullen geven. Partijen groeperen verkozenen en kandidaat-politici enerzijds en kiezers anderzijds op grond van een visie op hoe de wereld er zou moeten uitzien. Op die manier ontstaat ook een dialoog voorafgaand aan het opnemen van een verkozen mandaat, omdat de kiezers voor een stuk weten waar de vertegenwoordiger voor zal strijden. Verkiezing is dan niet meer een toestemming om naar best vermogen de juiste beslissingen te nemen, maar ook een toestemming om naar best vermogen de vooraf gemaakte beloften inzake het te voeren beleid te realiseren. Niet de individuele verkozenen zijn vrij om na debat tot een beslissing te komen, maar de partijen zijn vrij om na een onderling debat beslissingen te nemen.

De truc met het volk

De volksvertegenwoordigende vergadering en elk ander forum waar partijen elkaar ontmoeten is dan altijd deels een oord van strijd en conflict, van tegenstellingen, van verschillen en geschillen. Door de verkiezing en de vertegenwoordiging komt een vergadering tot leven waarin het volk niet een abstract gegeven is maar waar het concreet tot leven gebracht wordt, met al zijn interne tegenstellingen. Dat is de merkwaardige ‘truc met het volk’ van de vertegenwoordigende partijendemocratie: het volk wordt door vertegenwoordiging echt tot leven gebracht, het wordt een reëel bestaande speler precies omdat het vertegenwoordigd wordt en omdat in die vertegenwoordiging de verschillen - ik kom hier nog op terug - in de verf gezet worden.
Dit is - in een veel te kleine notendop - de kern van de moderne democratie: verkiezing en vertegenwoordiging om een dialoog van informatie en toestemming te organiseren tussen de gehele bevolking en diegenen die de samenleving sturen, en politieke partijen die aan deze uitwisseling een inhoudelijke invulling geven, die mobiliseren en besturen, die toestemming vragen en verantwoording afleggen op basis van een visie op hoe de samenleving er zou moeten uitzien en hoe ze er best niet zou uitzien.
De selectie van het politieke personeel - en in het bijzonder de preselectie door de politieke partijen - leidt tot een keuze voor politici die niet in de eerste plaats van huis uit rijk of invloedrijk zijn, zoals dat in de eerste fase het geval was, maar voor politici die bereid zijn en bewezen hebben dat ze de visies van hun partij door dik en dun wensen te verdedigen tegen de vertegenwoordigers van de andere partijen die ook hun visies verdedigen. De verkozenen zijn dus in geen geval ‘gewone mensen’. Verkiezing is selectie, en die selectie steunt op criteria die op een bepaald moment als de cruciale ervaren worden. Rijkdom en bezit in de eerste fase, trouw aan de partij en aan haar ideeën die moeten uitgedragen worden in de ‘volwassen’ fase van de massademocratie.
Die vertegenwoordigende democratie met daarin de hoofdrol voor de politieke partijen ontstaat ook in een heel specifieke historische context: eentje waarin het bestuur van de samenleving door een staat gebeurt, door een machtsstructuur die verbonden is aan een territorium en aan de bevolking die op dat territorium woont. De dialoog tussen bevolking en bestuur is een dialoog die binnen de grenzen van een staat gevoerd wordt. Politieke partijen en allerhande andere sociale en politieke bewegingen mobiliseren de bevolking van hun staat. Ook al mobiliseren partijen en bewegingen rond problemen en spanningen - botsende economische belangen bijvoorbeeld - die niet alleen in dat ene territorium voorkomen, ze zijn alle gericht op het aanpakken van die problemen, op het veroveren van de nodige macht om er iets aan te doen binnen de eigen staat.

Een nieuw institutioneel decor

Die institutionele basis is de voorbije decennia gewijzigd. Dat gebeurde op graduele wijze, maar leidde op den duur toch tot een institutioneel landschap waarvan de kenmerken steeds meer in tegenspraak komen met de vereisten voor de goede functionering van de vertegenwoordigende parlementaire democratie. De toenemende Europese integratie is daarbij vanzelfsprekend één van de meest cruciale en niet te verwaarlozen elementen. De Europese Unie is er, en die aanwezigheid leidt tot almaar complexere vormen van besluitvorming, waarbij de Unie en de lidstaten voor steeds meer beslissingen in steeds meer domeinen op elkaar aangewezen zijn.
Maar er is meer dan een toenemende interactie tussen staten en de Europese Unie. Binnen de staten zijn regio’s belangrijker geworden. In vele landen zijn zeer uiteenlopende processen van decentralisering aan de gang, waarbij kleinere territoriale eenheden substantiële eigen bevoegdheden krijgen. Regio’s doen ook zelf aan internationale en Europese politiek, waardoor de klassieke scheiding tussen nationale en internationale politiek sterk vervaagt. De relaties tussen de Unie, de staten en de regio’s zijn complexe en voortdurend wisselende driehoeksverhoudingen.
Dit leidt allemaal tot een zeer grote variatie in de manier waarop beleid gemaakt wordt. Afhankelijk van het thema, zijn er diverse wegen die moeten worden gevolgd. Er is geen eenvoudig antwoord meer te geven op de vraag wie het beleid initieert, wie de regels maakt en wie ze uitvoert. Verschillende soorten beleid komen op een verschillende manier tot stand, met variërende verhoudingen tussen de verschillende beleidsniveaus, en beleid is in toenemende mate niet voor iedereen bestemd, maar slechts voor een beperkt deel van de bevolking, in één of meerdere staten, in één of meerdere regio’s, in één of meerdere sectoren. Het spreekt vanzelf dat communicatie tussen burger en overheid, en tussen kiezers en mobiliserende en regerende partijen in een dergelijke institutionele architectuur niet eenvoudig is. Een overheid moet verantwoording afleggen en uitleggen wat ze doet, maar die verantwoording en uitleg varieert al naargelang van het thema en van de plaats waar de burger zich bevindt.
De hoofdrolspeler van de vertegenwoordigende democratie - de politieke partij - lijkt in dit nieuwe decor stilaan verloren te lopen. Of beter: de partijen zijn in de zeer complexe verhouding tussen bevolking en bestuur steeds meer aan de kant van het bestuur terug te vinden. Partijen zijn in toenemende mate louter politieke organisaties geworden, die slechts met grote moeite hun banden met de samenleving kunnen behouden. Ze verliezen op spectaculaire wijze hun leden. Ze knippen de banden met hun inhoudelijk verwante belangengroepen door (en zijn daar meestal ook nog fier op). Bij verkiezingen komen steeds minder kiezers opdagen, en dat geldt in het bijzonder voor die verkiezingen waar de intermediaire rol van de partijen zwak of onbestaand is, zoals bij verkiezingen voor het Europees Parlement. Kiezers hebben steeds meer moeite om de verschillende beleidsvoorstellen van de partijen van elkaar te onderscheiden, en zonder inhoudelijke variatie is kiezen inderdaad geen zinvolle bezigheid.

Populisme: een andere visie op democratie

Dat in een dergelijk gewijzigd decor de vraag rijst of de democratie uit de 20ste eeuw niet grondig moet herdacht worden, hoeft echt geen verbazing te wekken. In die zoektocht komt één visie op de democratie opvallend sterk bovendrijven. Die visie op de democratie heet populisme. Het populisme is inderdaad een visie op democratie, maar dan wel een visie die het begrip en zijn gewenste praktijk resoluut vereenvoudigt. Het populisme is de ideologie van de democratie, de slogan van de democratie. Het populisme is een bedenkelijke retorische truc met het volk. Je vindt die bijvoorbeeld in de gevleugelde woorden van Abraham Lincoln: ‘Government of the people, by the people, for the people.’ Daarmee hebben we trouwens meteen de kern van het populisme te pakken, en de reden ook waarom we het zo noemen: die kern is het volk. Democratie is voor het populisme een bestuursvorm waarin het volk en alleen het volk centraal staat. Al wie en al wat op een of andere manier het volk uit het centrum van het bestuur verwijdert of wegdenkt, pleegt een aanslag op dat volk en op de ware versie van de democratie waarin het volk en alleen maar het volk soeverein is. Deze eenvoudige en daarom ook krachtige manier van denken houdt echter nogal wat veronderstellingen in die best luidop uitgespeld worden. En dan blijkt dat de populistische visie erg ver staat van de complexe, subtiele en genuanceerde invulling die de praktische democratie in de loop van de geschiedenis opgebouwd heeft. Populisme betekent in essentie het niet wensen van verschillen, van tegenstelling, van heterogeniteit, van strijd binnen het tot soevereine vorst uitgeroepen volk.
Ook al krijg je probleemloos alle hoofden aan het knikken wanneer je zegt dat democratie het volk centraal moet stellen, het idee dat het volk soeverein moet zijn of kunnen zijn is erg bedenkelijk. Het gaat er in eerste instantie van uit dat er echt zoiets bestaat als een volk met een duidelijke mening, als een volk naar wie de politici moeten luisteren. Alleen: dat volk is er niet. De truc met het volk die de vertegenwoordigende democratie is, maakt van het vertegenwoordigde volk een echte, een reële, een tastbare speler in het politieke spel. Het idee dat - na de vorsten van het Ancien Régime - het volk voortaan soeverein moet zijn, is een zeer absolutistische invulling van de democratie. Het is vooral een visie die niet of nauwelijks in staat is om te gaan met een verdeeld volk, met tegenstellingen en verschillen, met democratie die niet alleen een simpele wilsuiting is, maar die ook een moeizaam en vaak helemaal niet fraai worstelen is om met die verschillen te leven en om op basis van die verschillen permanent te zoeken naar een voorlopige onderhandelde modus vivendi. Wie dus snel even in een of ander editoriaal uit zijn mouw schudt dat politici eindelijk eens naar het volk moeten leren luisteren (of varianten daarop), gelooft en verspreidt het geloof dat er echt zoiets is als de ‘stem van het volk’, de ‘wil van het volk’, of ‘het signaal van de kiezer’. Dat enkelvoud - de kiezer en niet de kiezers in het meervoud - is overigens een heel mooie illustratie van een populistische vereenvoudiging die blijkbaar niet te stuiten is.
En als het volk en niets dan het volk de kern en de ultieme referentie van de democratie moet zijn, is een vertegenwoordiging van het volk die niet naadloos aansluit bij het volk uiteraard een groot probleem. Wanneer de volksvertegenwoordiging een besluit neemt dat niet keurig overeenkomt met wat uit de recentste opiniepeiling blijkt, wordt door velen - ook door verkozen politici - moord en brand geschreeuwd. Niet de democratie als moeizame besluitvorming na het debat door vertegenwoordigers is het ijkpunt van populisme, maar de democratie als doodsimpele wilsuiting - tel est mon bon plaisir - van een volk dat het altijd beter weet.
Als het volk en niets dan het volk de kern en de ultieme referentie van de democratie moet zijn, moeten politici - als ze dan toch echt nodig zijn - liefst zo kort mogelijk bij het volk staan. De plaats van politici is niet daarboven aan het roer, maar ‘tussen de mensen’ of - voor wie van slecht Nederlands houdt - ‘midden de mensen’. Selectieprocedures die ervoor zorgen dat politici helemaal geen gewone mensen zijn, maar mensen met eigenschappen die anderen niet hebben, moeten met veel wantrouwen bejegend worden. Ze leveren immers een selectie op van mensen met talent om te mobiliseren, talent om te besturen, een meer dan gemiddelde gedrevenheid om de handen aan de ploeg te slaan, een vel dat dik genoeg is om in een omgeving vol strijd en conflicten overeind te blijven, of erger nog: intellectuele capaciteiten. Voor je het weet ontstaat zoiets als een politieke ‘klasse’ die - in plaats van het heilige algemeen belang te dienen en de wil van het soevereine volk te volgen - zichzelf verliest in vreselijke gedragingen als ruzie, gekibbel, strijd en getouwtrek, kortom met het in de verf zetten van verschillen.
En verschil binnen het volk is precies datgene waar het populisme van gruwt. Verschillen tussen delen van de bevolking, aangewakkerd en warm gehouden door politici, zijn valse verschillen. Er zijn immers - zo heet het - geen grote tegenstellingen meer. Wie het tegendeel beweert en blijft beweren, dient alleen maar zijn eigen belangen en houdt het volk voor het lapje. De verschillen tussen links en rechts - zo gaat het - zijn van de verleden tijd. Ze warm houden is volksverlakkerij.

Het populisme: wij en zij

Het populisme is echter niet bang van strijd. Er zijn voor het populisme twee essentiële conflicten. Het eerste is dat tussen de legitieme leden van het volk en diegenen die ten onrechte menen dat zij er volwaardig deel kunnen van uitmaken. Populisme hanteert een exclusieve visie op burgerschap. Populisme ziet de bevolking idealiter als één homogeen geheel. Alleen als het homogeen is kan het volk immers ook echt soeverein zijn. Het volk waarop een democratie - versie populisme - gebouwd kan worden, is dan ook een volk dat herkenbaar moet zijn aan de concrete kenmerken die een scherp onderscheid maken tussen wij en zij, tussen ons volk en de anderen. Extreem-rechtse politieke leiders vertellen voortdurend dat verhaal, maar zij krijgen steeds meer het gezelschap van anderen die zeer gelijkaardige vragen stellen. Is het echt wel mogelijk om dragers en openlijke belijders van zeer verschillende religieuze origine tot één enkel volk en democratisch land te laten behoren? Is het echt wel mogelijk om verdedigers van zeer verschillende culturele tradities tot één enkel volk en democratisch land te laten behoren? Is het echt wel mogelijk om sprekers van verschillende talen tot één enkel volk en democratisch land te laten behoren? Is het echt wel mogelijk om regio’s met verschillende economische kenmerken tot één enkel land en volk te laten behoren? Het populistisch antwoord is sowieso negatief. En wie het schoentje past, die trekke het aan.
Het populisme - met zijn nadruk op het soevereine en homogene volk - koestert ook nog een andere vorm van conflict. Ook daar gaat het om een tegenstelling die moet weggewerkt worden: die tussen burgers enerzijds en de politici anderzijds, tussen de gewone mensen enerzijds en die vreemde mensen die menen in onze naam te moeten besturen, tussen het gezond verstand en het verstand van de zogenaamde intellectuelen.
Niet de partijen - zo gebiedt het populisme - maar wel de bevolking zelf moet daarom ook volkomen vrij van elke betutteling door die vreselijke politieke partijen kunnen bepalen wie de vertegenwoordigers kunnen zijn. Een preselectie die partijen zouden maken op basis van overtuigingen of bekwaamheden is er alleen maar op uit een vertegenwoordiging te bekokstoven die vreemd is aan de bevolking, die volksvreemd is, die ergens aan de overkant van een brede kloof de samenleving stuurt zonder voortdurend de vinger aan de pols van het soevereine volk te houden. En daarom wordt de preselectie steeds minder gemaakt op basis van verdiensten en engagement in de politieke strijd, en steeds meer op basis van een vermeende mogelijkheid om ook na de verkiezing een zogenaamde ‘gewone mens’ te blijven, die kan aantonen dat politici gewone mensen moeten zijn en dat gewone mensen best allemaal politicus kunnen worden. Er zijn weinig beroepen die zichzelf zo systematisch kleineren en onderwaarderen als de politici van deze populistische tijd.

Moeten wij ons als leden van het soevereine volk echt gecharmeerd voelen omdat we bij de volgende verkiezingen de nu volkomen vrije keuze hebben tussen de blondste jongen, het jongste meisje en de tomste wielrenner, als we weten dat deze uit het gewone volk gegrepen kandidaten meestal nog niet de moeite genomen hebben om gewoon even lid te worden van de partij op wier lijst zij prijken, en als we weten dat zij zonder blikken of blozen in de eerste de beste gezinsvriendelijke publicatie laten weten dat zij eigenlijk net zo goed ook voor een andere partij hadden kunnen opkomen? Hoe kunnen partijen op die manier een inhoudelijke dialoog tussen bevolking en besluitvorming aan de gang houden?
Populisme associëren we gewoonlijk met een welbepaalde politieke familie. De partijen en bewegingen van onder meer Jörg Haider, Jean-Marie Le Pen, Umberto Bossi, Christoph Blocher, Pim Fortuyn, Carl Hagen en Geert Wilders - en ik vergeet er nog een paar - zijn inderdaad ook de sterkste, de zuiverste dragers van dit gedachtegoed. Maar zij hebben - dat hebt u uit het voorgaande hopelijk begrepen - in geen geval het monopolie over het populistisch discours. Er wordt veel gesproken en getobd over de mate waarin traditionele en zelfverklaarde democratische partijen het inhoudelijke gedachtegoed van de rechts-populistische partijen overnemen (hun visie op migratie en veiligheid in het bijzonder) en ook over de mate waarin de bevolking gevoelig geworden is voor dat gedachtegoed. Maar zelden maken we ons zorgen over de mate waarin hun doodsimpele en populistische visie op democratie door steeds meer politieke actoren - politici en politieke journalisten - als vanzelfsprekend beschouwd wordt. Velen van hen staan er niet eens bij stil, beseffen niet in welke mate de verhalen van politiek die van en voor de mensen moet zijn, de verhalen van politici die gewone mensen moeten zijn en van gewone mensen die politicus kunnen en moeten zijn, de beweringen over de grote conflicten die ten einde zijn en daarom vals en bedrieglijk zijn, de tirannie van de zogenaamde opiniepeilingen die ‘echt’ de mening van het volk weerspiegelen, het als pathologisch beschouwen van conflicten en van strijd, het voortdurend als problematisch beschouwen van verschillen tussen delen van de bevolking, er alleen maar voor zorgen dat de populistische visie op de democratie gemeengoed wordt.
De vertegenwoordigende partijendemocratie was en is - nogmaals - een magistrale truc met het volk. Wat in de absolutistische en populistische visie op democratie een mythisch soeverein volk is, wordt in de vertegenwoordigende partijendemocratie immers een echte bevolking met variërende en ook botsende overtuigingen en belangen. Democratie is het erkennen van die verschillen, het toelaten van die verschillen, het leven en besturen met die verschillen. Wie beweert dat conflicten tussen delen en leden van de bevolking vals zijn, wie beweert dat voortaan alleen verschillen tussen het volk en de politiek relevant zijn, is een pur sang populist. Nadenken over de democratie van morgen, betekent nadenken over beleid en bestuur in een steeds meer verdeelde en gefragmenteerde samenleving. Nadenken over de democratie van morgen, betekent zoeken naar de wijze waarop politieke partijen veel meer dan vandaag op voorhand een inhoudelijk mandaat vragen en daarvoor de meest geschikte mensen aan de kiezer aanbieden, hun activiteiten niet alleen maar legitimeren in termen van goed bestuur of good governance maar in de termen van het mandaat dat ze gevraagd en gekregen hebben om belangen te verdedigen, om principes en ideeën te verdedigen tegen andere principes en ideeën, niet om vaagweg goed te zijn voor de mensen.

Zwijgen is geen optie

Maar waarom vertel ik dit hier allemaal? Wat bezielt deze mens om naar aanleiding van de academische opening van een universitaire associatie een lans te breken voor een keurig spreken over democratie en politiek, een aanklacht te formuleren tegen de snelle verspreiding van de simpele maar giftige visie op democratie die populisme heet? Er zijn verschillende antwoorden op die vraag. De eerste is gewoon dat ik in deze materie gedreven word door een behoorlijke dosis boosheid, en dat ik gewoon heel graag gebruik maak van de geboden gelegenheid om die boosheid in iets meer dan de gebruikelijke 16 seconden aan de wereld mee te delen.
Vervolgens ben ik er ook heel erg van overtuigd dat dit bij uitstek de plaats is om een dergelijk verhaal te vertellen. Universiteiten en hogescholen - de instellingen waarin wij het onnoemelijke genoegen hebben om actief te mogen zijn - hebben een fundamentele maatschappelijke plicht. Zij zijn een vrijplaats voor het denken, een oord om luidop tegen de stroom in te roeien, een plaats waar de dingen moeten worden gezegd die niet noodzakelijk goed en elegant klinken, die eventueel pijn doen aan sommige weldenkende oren. Dit is niet de plaats om de makkelijke consensus te zoeken, maar de plaats waar het spreken de bewuste doelstelling moet hebben om tegenspraak uit te lokken. Niet grijze consensus, maar woord en wederwoord is wat de wereld en de wetenschap aan de gang houdt.
In het bijzonder deze universiteit en deze universitaire associatie die vrijheid en eigenzinnigheid in het vaandel voert, moet alert zijn en blijven voor de sluipende verspreiding van een discours waarin verschillen tussen mensen sowieso als problematisch beschouwd worden, voor een discours waarin politiek problematisch wordt zodra strijd en tegenstellingen op de voorgrond treden, en voor een discours waarin het volk vanzelfsprekend soeverein en dus één en ondeelbaar is. In het bijzonder de sociale wetenschappen, en wat mij betreft de politieke wetenschappen, hebben de verdomde plicht ook nuttig te zijn voor hun samenleving. Zwijgen is in deze context voor een politieke wetenschapper echt geen optie.
Maar is dit geen onbegonnen werk? Is dit tegenspreken van de evidente trend geen strijd die nutteloos en nodeloos is? Ik besef heel goed dat de opdracht om als wetenschapper, en als sociale wetenschapper in het bijzonder, een stem te laten horen in een maatschappelijk debat waarbij anderen de megafoon in handen hebben, een werk is dat heel sterk lijkt op de arbeid van Sisyfus: dwaas, eentonig, doelloos, vermoeiend en zonder enig zicht op het voleindigen van het werk. Elke dag opnieuw. Maar dat is dan weer wat wetenschap kenmerkt én zo boeiend maakt. Niet het vinden maar het zoeken is belangrijk. Niet de zekerheid, maar de twijfel houdt ons aan de gang. Niet de antwoorden, maar het stellen van de vragen. Ik denk dan ook dat de slotzinnen van Le mythe de Sisyphe van Albert Camus, bijzonder gepast zijn om ons werk, onze opdracht en onze missie te omschrijven. Ik geef ze u graag tot besluit en ter overweging mee: ‘La lutte elle-même vers les sommets suffit à remplir un cœur d’homme. Il faut imaginer Sisyphe heureux.’

Kris Deschouwer 1
Hoogleraar aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel

cartoon: © Arnout Fierens

Noot
1/ Gastrede uitgesproken tijdens de opening van de Universitaire Associatie Brussel op 27 september 2005

democratie - populisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 23 tot 30