Abonneer Log in

Alternatieve financiering sociale zekerheid: stappen in de goede richting

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 9

Campagne voor een andere, hogere alternatieve financiering

In het kader van 1 mei 2005 voerde het ABVV campagne voor een andere en hogere alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Daartoe lanceerde het een concreet uitgewerkt voorstel met twee luiken: de invoering van een algemene sociale bijdrage1 en de overdracht naar de sociale zekerheid van de hogere fiscale inkomsten op spaargeld na de inwerkingtreding van de Europese spaarrichtlijn. Een deel van de opbrengst van dit voorstel moest onder meer dienen om een bijzonder onrechtvaardige heffing af te schaffen, nl. de speciale bijdrage voor de sociale zekerheid.
Het uitgangspunt was dat een hogere alternatieve financiering van de sociale zekerheid onontbeerlijk is. We hebben een uitstekende sociale zekerheid, maar de manier van financiering bedreigt de houdbaarheid van het stelsel en bemoeilijkt welvaartsvaste uitkeringen. Onze sociale zekerheid wordt meer door sociale bijdragen op de lonen gefinancierd dan in andere Europese landen. Het beleid van massale bijdrageverlagingen ging weliswaar gepaard met een nagenoeg volledige compensatie door alternatieve financiering, maar die werd overwegend door de werknemers betaald (door specifieke bijdragen, onrechtstreekse belastingen), wat onrechtvaardig en slecht is voor de werkgelegenheid. Bovendien werd er nooit een evaluatie gemaakt die bewijst dat de effecten van de bijdrageverlaging op werkgelegenheid en groei voor voldoende extra inkomsten zorgen, zodat de globale financiering van de sociale zekerheid structureel niet verbetert.
Het werknemersstelsel betaalt bovendien de solidariteit in alle sectoren van de sociale zekerheid. Meer dan 50% van de uitgaven gaan naar de solidariteit, soms een echte solidariteit die het gevolg is van een bewuste keuze, maar vaak een ‘opgedrongen’ solidariteit die tot in het midden van de jaren 1990 (dus vóór de invoering van het globale beheer) integraal gefinancierd werd door de overheidstegemoetkoming in alle sectoren. Vandaag is die compensatie volledig weggevallen. Denken we maar aan de gewaarborgde kinderbijslag, de wachtuitkeringen, de minima voor invaliden die onvoldoende bijdragen betaald hebben aan de werknemersregeling, de voorkeurregeling bij gemengde loopbaan in de pensioenen, de kunstenaars, de voetballers, een deel van de kostprijs van de politiehervorming.
Hier springt vooral de factuur van de sector gezondheidszorg in het oog. Die sector is ondertussen geëvolueerd naar een situatie waarbij de gezondheidszorg in de loop der jaren de facto universeel geworden is (er zijn al 9,3 miljoen Belgen verzekerd in het werknemersstelsel), maar de bijkomende kosten daarvan, inbegrepen de ‘solidariteit’ met alle niet verzekerden, worden uitsluitend ten laste gelegd van de socialezekerheidsbijdragen betaald aan het globaal beheer van het werknemersstelsel van de privésector.
Dit verklaart ook grotendeels het tekort in de sociale zekerheid van de laatste jaren en de voorspellingen van een groeiend tekort in de komende jaren, ondanks het feit dat de sociale uitkeringen nog niet welvaartsvast waren en de economie het in ons land zeker niet zo slecht deed zoals sommigen wilden laten geloven.
Tegelijkertijd heeft de overheid zich in toenemende mate uit de financiering teruggetrokken.

België geeft minder uit aan het sociale dan onze buurlanden:

Maar België is een buitenbeentje, in die zin dat het zijn sociale uitgaven in ruime mate via sociale bijdragen op lonen betaalt. Terwijl in de andere Europese landen het aandeel van de overheidsfinanciering stijgt, heeft de Belgische overheid zich in toenemende mate aan haar verantwoordelijkheid onttrokken.
In het licht van die analyse had het ABVV dus campagne gevoerd voor de invoering van een ASB (van 1% op alle inkomens) en van de overheveling naar de sociale zekerheid van de extra belastinginkomsten uit spaargeld (als gevolg van de inwerkingtreding van de Europese spaarrichtlijn). Wij vroegen concreet dat, naar het voorbeeld van het huidige mechanisme van alternatieve financiering waarbij een deel van de inkomsten uit de BTW naar de sociale zekerheid vloeit, in de toekomst een percentage van de opbrengst van de roerende voorheffing naar de sociale zekerheid zou gaan. Het jaarlijks te indexeren bedrag moest minstens overeenkomen met de verwachte opbrengst van de spaarrichtlijn op kruissnelheid. Volgens onze berekeningen kon dat 1,14 miljard euro opleveren.
Dit voorstel hield onder meer voor de gezondheidszorg een ruimere financieringsbasis in die alle inkomens omvat. Dit leek ons trouwens logisch omdat de kleine risico’s van de zelfstandigen vanaf 1 juli 2006 in hun wettelijke verzekering opgenomen worden, waardoor dezelfde wettelijke verzekering zal gelden voor de hele Belgische bevolking (kleine risico’s inbegrepen).

Van een koel onthaal naar instemming met de principes van het plan…

Hoeft het nog gezegd dat dit voorstel door de hoogste instanties van de diverse politieke partijen, vooral in het noorden van het land, bijzonder koel onthaald werd?2 Om het tij te keren begon het ABVV aan een pelgrimstocht bij de socialistische partijen om ze te overtuigen van de gegrondheid en het belang van dit plan. Dit overtuigingswerk heeft in elk geval vruchten afgeworpen. Bij de opmaak van de begroting 2006 en het generatiepact werden op het vlak van de alternatieve financiering van de sociale zekerheid een aantal stappen in de goede richting gezet: van de inkomsten uit kapitaal wordt een grotere bijdrage gevraagd en de belasting van de diverse productiefactoren wordt evenwichtiger gespreid.

… op weg naar een betere belasting van het kapitaal

In het kader van die discussie werd met name beslist een jaarlijkse belasting van 1,1% te heffen op de levensverzekeringspremies. Bovendien besliste de regering een belasting van 15% op beveks te heffen. Alle beveks? Neen! Een deel van dit soort beleggingen blijft aan elke vorm van belasting ontsnappen. Die belasting van 15% zal enkel geheven worden op de inkomsten (meerwaarde + intrest) uit het deel obligaties van kapitalisatiebeveks die 40% of meer in obligaties beleggen. Vanaf 2008 zal een roerende voorheffing van 15% niet alleen op de intresten van het obligatiegedeelte van de belastbare beveks geheven worden, maar ook op de meerwaarde uit dit obligatiegedeelte. Zowel in de media als in financiële kringen werd deze maatregel zwaar onder vuur genomen. Daarbij werd gesteld dat een dergelijke maatregel discriminerend was - want alleen bedoeld voor kapitalisatiebeveks die voor 40% of meer in obligaties beleggen - en bovendien onrechtvaardig omdat weer eens de particuliere spaarder getroffen wordt. In de eerste opmerking en in de uitbreiding van de belasting tot alle beveks kunnen we inkomen, maar de tweede opmerking is volkomen irrationeel. Op het ogenblik dat iedereen het erover eens is dat arbeid te zwaar belast wordt en dat er nieuwe begrotingsinkomsten gezocht moeten worden, biedt een betere belasting van het spaargeld een uitweg. Uit cijfers blijkt dat vooral gepensioneerden kapitalisatiebeveks bezitten. Een betere belasting van deze beleggingsvorm zal dan ook een kapitaalbelasting ten voordele van de arbeid én tegelijkertijd een transfer tussen generaties meebrengen.
De toewijzing van 15% van de opbrengst van de roerende voorheffing aan het globaal beheer van de sociale zekerheid volgt dezelfde (goede) logica, waarbij het aandeel van de werknemers (belasting op inkomsten uit arbeid) en de gezinnen (belasting op consumptie) in de totale inkomsten van de alternatieve financiering verminderd wordt en het aandeel van de inkomsten uit kapitaal en vermogen verhoogd wordt. Die maatregelen zullen ontegensprekelijk leiden tot een betere belasting van de roerende inkomens en tot een grotere bijdrage van die inkomens aan de financiering van een sociale bescherming die steeds universeler wordt, onder meer op het vlak van de gezondheidszorg.
Die maatregelen zijn, net zoals de geleidelijke afschaffing van de effecten aan toonder, uiteraard een stap in de goede richting, maar ze gaan niet ver genoeg en bovendien is er nog steeds geen echte politieke wil om een vermogenskadaster op te stellen en daarmee samenhangend een gelijkwaardige belasting van alle productiefactoren tot stand te brengen.

De jongste jaren ontstond er in ons land een tendens tot een betere belasting van de roerende inkomsten. Uit de laatst beschikbare cijfers van Eurostat3 blijkt namelijk dat de impliciete aanslagvoet op kapitaal tussen 1995 en 2003 in België met om en bij de 24% gestegen is, van 23,8 tot 29,5% en in 2005 het Europese gemiddelde overschrijdt (28,2% voor de eurozone en 25,4% voor de Europese Unie van de 25). Tegelijkertijd is in dezelfde periode de impliciete aanslagvoet op arbeid lichtjes gedaald, nl. van 44,1 tot 43,2%.

Uit deze tabel blijkt dat dezelfde vaststelling gedaan kan worden op het niveau van de Europese Unie. De gemiddelde impliciete aanslagvoet op kapitaal in de EU van de 25 is regelmatig gestegen, nl. van 23,2% in 1995 tot 27,8% in 1999, en daalde nadien tot 25,4% in 2003. Die toename moet worden gesitueerd in een context van dalende vennootschapsbelasting én breder wordende fiscale grondslag. Nochtans kan een belangrijk deel van de verhoging van de impliciete aanslagvoet op kapitaal toegeschreven worden aan cyclische factoren en aan de economische expansie tot in 2000. De daling erna in de jaren 2001, 2002 en 2003 houdt verband met de maatregelen die genomen werden om de aanslagvoeten te verminderen, maar ook met de vertraging van de economische groei.

Maar de weg is nog lang, moeilijk en bezaaid met hinderpalen!

In ons land gaat het met het fiscale beleid de laatste jaren niet altijd de goede richting uit. Als triest voorbeeld noemen we de aftrek van de notionele intresten van de vennootschapsbelasting, waardoor de reële aanslagvoet voor de Belgische vennootschappen nogmaals zal dalen. Nochtans kan, wat de vennootschapsbelasting betreft, niet weerlegd worden dat een actie voor een betere belasting en tegen fiscale concurrentie op het vlak van Europese Unie ondernomen moet worden.
Sinds de uitbreiding van de Europese Unie in mei 2004 kwam de fiscaliteit (eindelijk!) nog eens aan bod in de politieke discussies binnen de Unie. De toetreding van de nieuwe lidstaten wakkerde namelijk de discussie over oneerlijke fiscale concurrentie opnieuw aan.
In de nieuwe lidstaten is de vennootschapsbelasting beduidend lager. Zij schommelt tussen 15 à 20% tegenover gemiddeld 31% in de eurozone bijvoorbeeld. Hoewel de verschillen in effectieve aanslagvoet aanmerkelijk kleiner zijn - in België 18,5% terwijl de vennootschapsbelasting in theorie 34% bedraagt - moet toch aangedrongen worden op de noodzaak van een minimum grondslag en een minimum aanslagvoet.
Andere vaststelling in verband met de fiscale concurrentie in de Europese Unie: in de nieuwe lidstaten ligt het globale belastingpeil lager, maar de verschillen zijn toch beperkt (namelijk 5%). De verschillen zijn echter wel groter binnen groep van de 15 oude en binnen de groep van de 10 nieuwe lidstaten. Bij de oude lidstaten bedraagt het grootste verschil 20%, namelijk tussen Zweden (50%) en Ierland (30%), terwijl het slechts 12% bedraagt tussen Slovenië (40%) en Litouwen (28%). Ten slotte stellen we vast dat de nieuwe lidstaten meer sociale bijdragen innen. Terwijl in de 10 nieuwe lidstaten de sociale bijdragen 14,5% vertegenwoordigen van het bruto binnenlands product, is dit slechts 13% in de 15 oude lidstaten.
Uit dit korte overzicht blijkt dus dat de uitbreiding een duidelijke impact gehad heeft op de fiscale concurrentie maar dat die - althans op het ogenblik - minder groot lijkt te zijn dan gevreesd. Om dit (relatief) positief gegeven te laten voortduren, zal Europa nochtans snel de fiscale dimensie in het debat over de toekomst van het Europees sociaal model moeten opnemen.

De forse verhoging van de grens van het aftrekbare bedrag in het pensioensparen is een ander voorbeeld van het feit dat het fiscale beleid in ons land niet altijd de goede richting uitgaat.
Ter compensatie van de belasting van 1,1% op de verzekeringscontracten en van de belasting op beveks besloot de regering namelijk de grens van het aftrekbare bedrag voor pensioensparen op te trekken van 620 tot 780 euro. Daardoor versterkt de regering nog een zwak punt in ons belastingsysteem als het op rechtvaardigheid aankomt: de talloze belastingaftrekken en mogelijkheden tot belastingontwijking waarin ons Wetboek van de Inkomstenbelasting voorziet en waarvan hoofdzakelijk de hogere inkomenscategorieën profiteren. Moeten we eraan herinneren dat het aantal bijdragebetalers voor de 2de en 3de pijler stijgt met het inkomensniveau. Sinds het begin van de jaren 1990 is het voordeel niet langer volledig proportioneel met het inkomenspeil. Dit toont duidelijk aan dat we hier te maken hebben met een buitenkanseffect in het voordeel van de belastingplichtigen met hoog inkomen. Bovendien is aangetoond dat de effectieve aanslagvoet in de derde pijler steeds negatief is, wat betekent dat er dus onderbelasting is, ja zelfs een subsidiëring van die financiële instrumenten door de overheid. En ook de graad van subsidiëring van dit soort sparen stijgt met het inkomenspeil.

Volgens de laatste beschikbare gegevens4 bedroeg de budgettaire kostprijs van de aftrek voor langetermijnsparen5 20,5 miljard BEF, ongeveer 500 miljoen euro.
Daarbij komt nog de budgettaire kostprijs van de ‘light’ belasting van de derde pijler die in 2000 eveneens op 500 miljoen euro geraamd kan worden. En niets wijst erop dat het bedrag van die belastinguitgaven sindsdien gedaald is, wel integendeel.
Heeft de huidige minister van Financiën, D.Reynders, niet aangekondigd dat de optrekking van de grens van het aftrekbare bedrag voor het pensioensparen bij de spaarders voor een echte rush naar dit instrument gezorgd heeft? De balansen van de pensioenspaarfondsen bevestigen dit.

Denksporen om op de ingeslagen goede weg voort te gaan

De ideale situatie voor een rechtvaardige en herverdelende fiscaliteit is dat er een echt vermogenskadaster opgesteld wordt waardoor alle activa en inkomsten van de belastingplichtigen gekend zouden zijn. Op die manier kunnen een heffing op financiële en onroerende (verkoop en verhuur) meerwaarden, een echte ASB en een belasting op de hoge vermogens ingevoerd worden. Dankzij een vermogenskadaster zou ook echt de strijd tegen de belastingontduiking aangebonden kunnen worden.
Hoewel het in België nog (lang) niet zo is, toch werden er de afgelopen jaren enkele positieve stappen in die richting gezet. Men moet er zich echter ook van bewust zijn dat er qua belastbare grondslag en vooral qua belastinguitgaven speelruimte bestaat, denken we maar aan de (veel te talrijke) van belasting vrijgestelde spaarboekjes of aan de aftrekmogelijkheden voor de derde pijler. Is het normaal dat de Staat belastingplichtigen een belastingaftrek verleent voor een tweede, een derde, een vierde woning? En daarbij de reële huuropbrengsten van die tweede, derde, vierde woning niet effectief belast?
Budgettair gezien is die speelruimte niet te onderschatten en sociaal verre van neutraal. Nochtans kan die speelruimte snel worden gebruikt. Maar alles is een kwestie van politieke wil en moed!

Christophe Quintard
Adviseur Studiedienst van het Federaal ABVV

Noten
1/ Is een bijdrage die op een brede belastbare grondslag geïnd wordt, zodat niet alleen inkomsten uit arbeid maar ook inkomsten uit kapitaal, inkomsten van de 2de en 3de pensioenpijler en ondernemingswinsten zouden bijdragen.
2/ Voor meer details, lees het artikel ‘Financiering sociale zekerheid: oneliners of een echt debat’, van Luc Voets in Samenleving en politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 6 (juni).
3/ Structure of the taxation systems in the European Union - Data 1995-2003, European Commission, Eurostat, Directorate General ‘Taxation and Customs Union’, Edition 2005.
4/ Die dateren jammer genoeg van 2000, d.w.z. de laatste publicatie van de inventaris van de vrijstellingen, aftrekken en verminderingen die de Staatsinkomsten beïnvloeden. En die inventaris is dan weer gebaseerd op de gegevens m.b.t. het aanslagjaar 1999 - inkomsten 1998! Sinds dat jaar publiceert de minister van Financiën die cijfers niet meer, misschien omdat ze veel te leerzaam zijn?
5/ Langetermijnsparen = persoonlijke bijdragen voor de tweede pijler + zuivere levensverzekering + pensioensparen + hypothecaire leningen en levensverzekeringen gekoppeld aan de aankoop van gebouwen, woonhuizen uitgezonderd.

vakbond - sociale zekerheid - sociale bescherming

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 9