Log in

Sociale zekerheid: stille (r)evoluties, grote uitdagingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 7 (september), pagina 24 tot 29

De sociale zekerheid is de kathedraal van de arbeidersbeweging

Onze voorgangers lieten ons een van de beste socialezekerheidssystemen van de wereld na. In vele landen benijdt men ons. Wie ooit in de Verenigde Staten geweest is, en ’s avonds ronddwaalde in een stad, moet het gemerkt hebben. Duizenden daklozen, in portieken of boven warme-luchtroosters. Mensen die pech hadden, die hun werk verloren of ziek werden… Een rijk land, maar een land dat geen zorg draagt voor zijn eigen mensen. Een land zonder degelijke sociale zekerheid, een onbeschaafd land… Een land dat evenveel betaalt als wij, maar dan in de vorm van privé-verzekeringen voor wie geluk heeft, en in gevangenissen voor wie pech heeft…
We mogen van geluk spreken dat we onze sociale zekerheid hebben. Dat we sterke socialistische partijen en sterke vakbonden hadden, die ons samen een goede sociale zekerheid bezorgden. Waardoor we niet meteen gedoemd zijn tot armoede bij ziekte of werkloosheid.
Onze sociale zekerheid kwam echter niet uit de lucht gevallen. Meer dan 150 jaar geleden werden de eerste stenen gelegd door de ‘broederlijke wevers’ van Gent. Ze beslisten in 1857 om een deel van hun loon in een kas te storten om zichzelf te verzekeren tegen ziekte. Tientallen ‘mutualiteiten’ en ‘werkloosheidskassen’ werden aldus opgericht in het hele land.
Al spoedig bleken deze lokale kassen echter onvoldoende om serieuze crisissen op te vangen. Wat doe je met zo’n kleine kas als een hele sector of regio getroffen wordt door werkloosheid? Onze voorgangers begrepen al vlug dat je een brede basis van vele leden moet hebben om schokken op te vangen. Regionale kassen werden opgericht, over de sectoren heen, waarin sommige steden gingen bijdragen. Daarna kreeg je nationale vrijwillige verzekeringen, waarin ook de staat haar steentje bijdroeg.
De crisis van de jaren 1930 leerde dat ook dit onvoldoende was, dat het opvangen van serieuze risico’s alleen kon via schaalvergroting. Na de Tweede Wereldoorlog groeide hieruit onze verplichte federale sociale zekerheid, zoals we ze vandaag kennen. Onze kathedraal was af, na honderd jaar bouwen, met vele slachtoffers gevallen in de strijd.
De sociale zekerheid is dus moeizaam en langzaam opgebouwd. Ze is niet het product van een goede inval, van een ‘verlicht moment’ van enkele politici of syndicalisten. Ze werd stukje bij beetje opgebouwd door arbeiders die zich verenigden in vakverenigingen en mutualiteiten. Ze is ons kind, met veel geduld en overleg gemaakt en grootgebracht door onze voorgangers. Sommigen noemden de sociale zekerheid ‘de kathedraal van de arbeidersbeweging’.
Een kathedraal behandel je met zorg. Met respect voor het historisch erfgoed. Je onderhoudt ze met voorzichtigheid. Je raakt niet aan de pijlers of de fundamenten, want dan riskeer je dat het hele boeltje instort. Dus geen ‘big bangs’, ‘splitsingen’ of ‘radicale hervormingen’.
Hoed je voor hen die onze sociale zekerheid ‘radicaal willen hervormen’. Hun bedoelingen zijn meestal dubieus. Hoeden we ons echter ook voor laksheid, voor ‘rusten op onze lauweren.’ Een kathedraal met de omvang van onze sociale zekerheid moet permanent gerestaureerd en gerenoveerd worden. Daarvoor moeten de nodige middelen worden gevonden. Anders raakt ze langzaam maar zeker in verval.

Een aantal problemen moeten worden aangepakt

De uitgaven van de sociale zekerheid moeten zich beperken tot haar kerntaken. De verschillende overheden in dit land hebben de neiging steeds meer uitgaven te willen afschuiven naar de sociale zekerheid, zonder dat de bijkomende kosten (voldoende) gecompenseerd worden. Denken we maar aan de tewerkstellingspolitiek. Vroeger betaald door de overheid, vandaag - via meer dan 5 miljard euro aan bijdrageverminderingen, activering, dienstencheques, enz. - door de sociale zekerheid. Deze uitgaven zijn wel gecompenseerd door ‘alternatieve financiering’ vanwege de overheid.
Dat is niet het geval met een aantal gadgets. Zo moeten we - tegen onze wil - de toplonen van de voetballers in België subsidiëren: zij krijgen volledige rechten, maar moeten maar bijdragen betalen op het minimumloon. Ondanks unaniem negatief advies van de sociale partners moeten we ook een deel van de kost van de politiehervorming dragen. En men kondigt alweer aan dat we naast maaltijdcheques nu ook cultuur- en sportcheques gaan moeten vrijstellen van sociale bijdragen, en dat we - godbetert! - uit de sociale bijdragen van de werknemers zelfs subsidies moeten gaan betalen aan de artsensyndicaten.
Gewesten en Gemeenschappen gaan ook prat op hun bevoegdheden, maar schuiven toch maar al te graag facturen naar de federale sociale zekerheid. Denken we aan de vaccins (preventie). Aan het sociaal statuut van de onthaalmoeders en de kunstenaars. Aan de kinderopvang. Aan de voorkeursbehandeling van de universiteiten inzake het betalen van hun sociale bijdragen. En aan het feit dat de regionale overheden een aantal socialezekerheidsbijdragen waar nochtans rechten tegenover staan niet doorstorten, terwijl gewone bedrijven dat wel moeten doen.
De federale overheid moet de schulden afbouwen, en de sociale zekerheid moet binnenkort de meeruitgaven voor de vergrijzing dragen. Belasten we dus onze sociale zekerheid niet met allerlei taken die niet tot de hare behoren?
Ik wil op dit vlak dan ook een praktisch voorstel doen om onze sociale zekerheid te beschermen tegen de blijkbaar toch onweerstaanbare politieke ‘verleiding’. Deze regel zou erin kunnen bestaan om wettelijk te voorzien dat de sociale partners nieuwe uitgaven kunnen blokkeren indien zij oordelen dat ze niet tot de kerntaken van de sociale zekerheid behoren.
Verder moet de financiering van de Belgische gezondheidsuitgaven niet meer uitsluitend gebeuren met de sociale bijdragen op arbeid. De gezondheidsuitgaven stijgen elk jaar met 6 à 7% en worden zo goed als volledig - voor 94% - betaald door het werknemersstelsel. Via hun sociale bijdragen, die jaarlijks maar stijgen met 1 à 2%... Zo voorziet de meerjarenraming van de RSZ dat we - indien de reële groeinorm van 4,5% per jaar gehandhaafd blijft - tegen 2008 2,3 miljard euro meer gezondheidsuitgaven zouden moeten betalen, terwijl onze sociale bijdragen, dus onze inkomsten, maar met 2,1 miljard euro zouden stijgen.
De gezondheidsuitgaven slorpen dus alle financiële marges van het werknemersstelsel van de sociale zekerheid op. In 1980 bedroegen de gezondheidsuitgaven 24% van de socialezekerheidsuitgaven, vandaag 35%! Daardoor is er geen geld meer over voor verbetering van de sociale uitkeringen.... De stijging van de gezondheidsuitgaven moet worden beheerst, en het deel van de uitgaven dat hoger ligt dan de ontvangsten uit sociale bijdragen moet worden gefinancierd door de hele bevolking en niet alleen door de werknemers.
De sociale uitkeringen moeten worden hersteld. De welvaart neemt nog altijd toe in ons land. De reële lonen ook, zij het veel minder dan vroeger. De sociale uitkeringen blijven echter al meer dan 20 jaar ter plaatse trappelen. Ze worden enkel geïndexeerd, waardoor ze steeds verder achterop geraken ten opzichte van de gemiddelde welvaart. In sommige sectoren (werkloosheid, ziekteuitkeringen) is in de jaren 1980 bovendien zwaar bespaard.
Door gebrek aan welvaartsaanpassingen staan een aantal sociale verzekeringen aan de rand van de bijstand. Een aantal voorbeelden: werd je in 1980 langdurig ziek, dan kreeg je gemiddeld 45% van je loon, vandaag nog 31%; werd je toen werkloos, dan kreeg je gemiddeld 46%; vandaag nog 27%; en de werknemerspensioenen vielen terug van 34 naar 32% van het gemiddeld brutoloon, waardoor ze inzake vervangingsratio (gemiddeld pensioen/gemiddeld loon) aan het staartje hangen in Europa. De cijfers van het Planbureau bewijzen de achteruitgang van de uitkeringen. Zwart op wit. Niemand kan ze tegenspreken.

Er is vooruitgang

Sinds het aantreden van de paarse regering, en de grote manifestaties voor welvaartsvaste uitkeringen, werd niet meer bezuinigd op de sociale uitkeringen. Ook het budget 2006 voorziet geen echte inleveringen voor de sociale zekerheid. Dat is niet evident, gezien de internationale context en een oorspronkelijk deficit van 1,1 miljard euro. Kijken we maar naar wat in de buurlanden gebeurt. We verwezenlijkten ook heel wat verbeteringen. We slaagden erin de trend te keren. Laat ons enkele voorbeelden aanhalen: alleenstaande werklozen en invaliden krijgen nu vanaf het tweede jaar 50% van hun vroeger loon, i.p.v. vroeger 40 en 45%; de minima van gepensioneerden, invaliden en werklozen werden opgetrokken; gepensioneerden en zieken krijgen vanaf dit jaar 2% welvaartsaanpassing, 7 jaar na ingang van hun uitkering; de berekeningsplafonds werden opgetrokken, vooral die van de pensioenen, arbeidsongevallen en beroepsziekten. Voor de arbeidsongevallen en beroepsziekten was dit sinds 1971 geleden.
Maar er zit weinig lijn in deze verbeteringen. Het gaat met vallen en opstaan. Bovendien blijven we elk jaar kampen met structurele tekorten in onze sociale zekerheid. Bij elke begroting is het dus ‘hout vast houden’. Daarom lanceerde het ABVV vorig jaar een positief voorstel.

Het 1 meivoorstel van het ABVV

Het voorstel moest tegelijk antwoord geven op de problemen van onze sociale zekerheid: een gebrek aan structurele alternatieve financiering en het achterblijven van de sociale uitkeringen op de gemiddelde evolutie van de welvaart.
Inzake structurele alternatieve financiering legden we twee becijferde voorstellen op tafel, die niet alleen de huidige tekorten moeten opvangen, maar ook de financiering van onze sociale zekerheid veilig stellen voor de toekomst. Zo denken we aan een financiering uit vermogen: met de komst van de Europese Spaarrichtlijn moeten ook op vermogens belegd in het buitenland, bijvoorbeeld in Luxemburg, belastingen worden betaald. Het voorstel speelde daarop in door te eisen dat een vastgesteld deel van de voorziene opbrengst zou worden gereserveerd voor de financiering van onze sociale zekerheid. We stelden ook een hervorming van de ‘bijzondere bijdrage’ voor. Want is het eigenlijk rechtvaardig dat alleen de loontrekkenden vandaag ‘bijzondere bijdrage’ betalen? Dat is die speciale bijdrage die elke maand op het loonbriefje aangeduid staat. De crisisbijdrage werd afgeschaft, de belastingen verminderd. Alleen de ‘bijzondere bijdrage’ bleef bestaan. Deze bijdrage is niet alleen ‘bijzonder’ omdat ze alleen door de loontrekkenden betaald wordt. Ze is bovendien asociaal: de hoge lonen betalen procentueel minder dan de lage! Nu is het niet onze bedoeling om deze bijzondere bijdrage zo maar af te schaffen. Door de vergrijzing zullen we immers meer, en niet minder, middelen nodig hebben voor de overheid en de sociale zekerheid. De vergrijzing zou tegen 2030 3,8% extra van onze rijkdom, van ons bbp, kosten. Dit is niet onoverkomelijk, want onze rijkdom zou ondertussen met zo’n 50% gegroeid zijn. Maar het veronderstelt wel meer herverdeling. Niet minder. Het is soms verwonderlijk om dezelfde politici die gisteren waarschuwden voor de kosten van de vergrijzing, vandaag alleen maar te horen pleiten voor lasten- en belastingverlagingen… Nee, de vergrijzing zal niet gratis zijn.
Daarom moeten we de ‘bijzondere bijdrage’ rechtvaardig maken. Nu betalen twee gehuwde partners met het minimumloon ‘de volle pot’. Een manager met een superhoog loon weet echter het bovenste deel van zijn inkomen vrijgesteld. De bijzondere bijdrage zou dus progressief moeten worden i.p.v. degressief. Ze zou ook op het individueel inkomen moeten worden berekend, i.p.v. op het gezinsinkomen. Alle andere belastingen worden vandaag immers op het individueel inkomen berekend (decumul). En waarom moeten trouwens alleen de werknemers betalen? De overheid voert immers een politiek waarbij de sociale bescherming voor alle burgers steeds meer gelijk wordt. En elke Belg zal binnenkort op dezelfde manier kunnen genieten van alle rechten op gezondheidszorg. Het is dan ook logisch dat iedereen, dat alle inkomens, ook op dezelfde manier voor deze rechten op gezondheidszorg bijdragen. Wij willen de ‘bijzondere’ bijdrage dus minder bijzonder maken, meer sociaal.
De aanwending van deze ‘veralgemeende en sociaal gemaakte bijdrage’, die wij Algemene Sociale Bijdrage noemen, ligt voor de hand. Het is niet meer dan logisch dat de uitgavenstijging van de gezondheidssector niet meer alleen door de werknemers betaald wordt. Dat elke Belg hiervoor een correcte en sociale bijdrage betaalt, volgens draagkracht en vermogen.
We stellen trouwens vast dat er wel voorzorgen genomen zijn om de pensioenen later te kunnen betalen, door de oprichting van het Zilverfonds. Maar voor de financiering van de gezondheidssector, die andere grote socialezekerheidssector waarvan de uitgaven sterk zullen toenemen door de vergrijzing, zijn geen voorzorgen genomen. Daarom stelden we voor om de financiering van de gezondheidsuitgaven en de sociale zekerheid veilig te stellen door het deel van de stijging van de gezondheidsuitgaven dat hoger ligt dan de stijging van de ontvangsten uit sociale bijdragen te laten betalen door de hele bevolking, via de ‘veralgemeende’ en ‘sociale’ bijdrage, maar dan op alle inkomens.
De vakbonden hebben met hun campagnes voor de welvaartsvastheid resultaten geboekt. Maar om die te bereiken, moesten ze telkens betogen en eisen. Ze waren afhankelijk van de vrijgevigheid en de ‘goedertierenheid’ van de regering. En we weten niet welke regering morgen gevormd wordt… Het 1 meivoorstel had dus niet alleen als doel om de financiering van de sociale zekerheid te verzekeren maar ook om de nodige financiële marges te creëren waarmee een vast systeem van periodieke aanpassingen van de uitkeringen aan de welvaart kan worden betaald.

Doorbraak

De socialistische partijen en het ABVV hebben de betere financiering van de sociale zekerheid en de welvaartsvastheid van de uitkeringen in de weegschaal gelegd bij de onderhandelingen over het generatiepact. Onderhandelen over de eindeloopbaan, is immers ook onderhandelen over waarborgen voor adequate pensioenen. De regering kwam ons een flink stuk tegemoet. Er komt nl. een wettelijk mechanisme voor de berekening van een jaarlijkse enveloppe voor de welvaartsaanpassingen. Vanaf 2008 krijgen de werknemers een jaarlijkse enveloppe ter beschikking voor de welvaartsaanpassing van de vervangingsuitkeringen die minimum voldoende is om voor alle takken van de sociale zekerheid, de berekeningsplafonds te verhogen met 1,25%, de minima en de forfaits met 1% en de sociale uitkeringen met 0,5%. Dit zal ons toelaten om tweejaarlijks te onderhandelen over een enveloppe van sociale verbeteringen van ca 400 miljoen euro. Dat is onmiskenbaar een enorme stap vooruit. Indien de lonen jaarlijks met 1,75% reëel stijgen, dan evolueert de vervangingsratio (verhouding gemiddelde uitkering/gemiddeld loon) volgens de prognoses van het Planbureau met de door de wet voorziene verhogingen als volgt:

Zonder welvaartsaanpassing zouden de pensioenen volgens het Planbureau tegen 2030 terugvallen tot 30%, de invaliden tot 27% en de werklozen tot 21,5%. We boeken dus een enorme vooruitgang tegenover de huidige situatie, waar geen enkele garantie was voor welvaartsaanpassingen. In de wet is bovendien ook gestipuleerd dat het gaat om een minimum enveloppe. Zeker voor de werkloosheid is de toepassing van dit minimum nog niet voldoende om de huidige vervangingsratio te handhaven, laat staan om de verliezen van de vorige decennia te recupereren. Oorzaak hiervan is vooral het zeer laag berekeningsplafond (plafond vanaf hetwelk geen rekening meer gehouden wordt met je loon om je uitkering te berekenen), dat ondanks de voorziene welvaartsaanpassing blijft doorwegen in de toekomst.
Als de lonen sterker stijgen dan de door de wet voorziene welvaartsaanpassingen, of als er budgettaire marges zijn, zullen we dus meer moeten trachten te verwezenlijken.
Voor 2006-2007 geldt het mechanisme van de welvaartsvastheid nog niet. Bovenop de 75 miljoen euro voorzien door de Ministerraad van Oostende van 23-24 maart 2004, worden extra enveloppen voorzien van 15 miljoen euro in 2006 en 85 miljoen euro in 2007. Met de 15 miljoen wil Bruno Tobback - op vraag van het ABVV - de verbetering van de minimumrechten en het minimumpensioen voor deeltijds werkenden (vrouwen) verwezenlijken, wat zou moeten toelaten om deeltijds werkenden niet langer te discrimineren voor het minimumpensioen.
Tegen 15 september zouden de sociale partners een unaniem advies moeten gegeven hebben. De wet van 23 december 2005 voorziet uitdrukkelijk dat de sociale partners tegen 15 september een advies moeten geven over hoe zij de enveloppe van 360 miljoen voor de welvaartsaanpassingen in 2007 en 2008 willen aanwenden. Als de regering dit unaniem advies niet volgt, dan moet zij dit argumenteren, waarop de sociale partners recht krijgen op repliek, aldus de wet. Het is uiterst belangrijk dat deze procedure slaagt. Er zijn twee redenen waarom de sociale partners en de regering er alles moeten aan doen om deze procedure te respecteren en te doen slagen. De wet voorziet dat deze procedure voor de welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen om de twee jaar zal moeten worden toegepast. Nu is het de eerste keer. Indien het lukt, wordt het systeem gestabiliseerd, en vice versa. De onderhandelingen zijn bovendien ook de prelude op de interprofessionele onderhandelingen over loon- en arbeidsvoorwaarden voor de volgende twee jaar. Lukken of mislukken, zal de geest bepalen waarmee deze onderhandelingen zullen worden aangevat.
Ook inzake alternatieve financiering zijn belangrijke delen van het 1 meivoorstel van het ABVV door de regering gerealiseerd. Een deel van de opbrengst van de heffing op vermogen wordt vanaf 2006 structureel toegekend aan de sociale zekerheid (minimum 430 miljoen euro). Dit is vastgelegd in de wet, en kan een belangrijk precedent worden in de toekomst. Daarnaast besliste de regering om voortaan ook een vast deel van de opbrengst van accijnzen op tabak toe te kennen aan de sociale zekerheid (174 miljoen euro).
Vanaf 2008 wordt de financiering van de sector gezondheidszorg niet meer uitsluitend ten laste van de sociale bijdragen van het werknemersstelsel gelegd. Het stijgingspercentage van de gezondheidsuitgaven hoger dan het stijgingspercentage uit inkomsten uit sociale bijdragen wordt vanaf 2008 door de overheid betaald. Het belang van dit nieuwe financieringsmechanisme kan niet genoeg worden onderstreept. Tot hiertoe was het immers zo dat de (stijging van de) gezondheidsuitgaven alleen moesten worden gefinancierd uit sociale bijdragen van de loontrekkenden, en deze groeien onvoldoende om ons systeem van gezondheidszorg in de toekomst financieel veilig te stellen.
Vanaf 2008 wordt de factuur anders verdeeld: de overheid zal het gedeelte betalen dat niet kan worden opgevangen door de inkomsten uit sociale bijdragen. Bijvoorbeeld: de nieuwe toekomstige regering beslist dat de gezondheidsuitgaven in 2008 met 5,5 % mogen stijgen t.o.v. 2007. Maar de inkomsten uit sociale bijdragen stijgen echter slechts met 2%. In dit geval zal de regering 5,5% - 2% = 3,5% van de gezondheidsuitgaven of zo’n 600 miljoen euro financieren uit overheidsmiddelen.
Alleen is het nog de vraag waar de overheid dit geld zal halen. De wet voorziet inderdaad dat vanaf 2008 een belangrijk deel van de stijging van de gezondheidsuitgaven door de overheid zal worden betaald. Maar zegt niet waar de overheid dit geld vandaan zal halen. Na de verkiezingen van 2007, wanneer de overheid op zoek zal moeten naar de nodige financiële middelen om dit deel van de gezondheidsuitgaven te betalen, zal dit worden beslist. Daarover moeten de socialisten nu al creatief denken en cijferen!

Jef Maes
Studiedienst ABVV

sociale bescherming - sociale zekerheid - welvaartsaanpassing - sociale uitkeringen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 7 (september), pagina 24 tot 29