Abonneer Log in

Van kiesstrijd tot rechtsgeding: het VB en de media

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 50 tot 56

Het was en is een constante in de communicatiestrategie van het Vlaams Blok en het Vlaams Belang (VB) om zich erover te beklagen dat deze partij en haar politici door de media genegeerd worden, of in het beste geval slechts heel selectief aan bod komen en ondervertegenwoordigd zijn in de interviews, debatten en duidingsprogramma’s tijdens de pre-electorale periodes. Stelselmatig wijst het VB erop dat op die manier haar politieke expressievrijheid wordt ingeperkt, dat de partij ‘gecensureerd’ wordt. Toen in 2004 drie vzw’s, die de as vormden van het VB, door een rechtscollege dan ook nog eens veroordeeld werden omdat zij deel uitmaakten van een organisatie die stelselmatig aanzette tot vreemdelingenhaat, trok het VB met de slogan ‘Vrijheid van meningsuiting’ naar de kiezer. Een boodschap die, althans bij een deel van de kiezers, indruk heeft gemaakt.

In aanloop naar de verkiezingen van 10 juni 2007 heeft het VB regelmatig een beroep gedaan op de wet en de rechter om zich te beklagen over allerlei vormen van censuur tegen haar publicaties en over discriminatie en uitsluiting van VB-politici in de media. Sommige politici van het VB daagden ook al eens een journalist voor de rechter, op beschuldiging van laster, eerroof of onrechtmatig gebruik van hun foto. In andere gevallen werd klacht neergelegd bij de Raad voor de Journalistiek. Het VB diende ook klacht in omdat in bepaalde scholen affiches waren verspreid met een boodschap tegen extreemrechts. De meeste van deze klachten en vorderingen van het VB liepen op een sisser uit voor de partij in kwestie.1 Meestal doorprikte de rechter het rancuneuze en drammerige discours van deze partij, weze het de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie (na talloze klachten van het VB tegen de VRT), de Commissie Zorgvuldig Bestuur (in verband met het verbod van politieke propaganda binnen de schoolmuren), de voorzitter van de rechtbank of het hof van beroep (in tal van rechtszaken) en het Hof van Cassatie (naar aanleiding van de veroordeling van de Vlaams Blok-vzw’s wegens aanzet tot racisme en vreemdelingenhaat). In 2006 wees ook het Europees Hof voor de Mensenrechten een verzoek van het VB af: het Hof was van oordeel dat de veroordeling van de drie vzw’s kennelijk nodig was in een democratische samenleving en daarom niet strijdig was met art. 10 EVRM dat de (politieke) expressievrijheid in verregaande mate waarborgt. Onlangs besliste het Hof van Cassatie dat het proces dat leidde tot de veroordeling van twee journalisten, wegens een kritisch boek over VB-politicus Johan de Mol, moet worden overgedaan.2 De veroordeling van de twee journalisten door het hof van beroep te Antwerpen was volgens het Hof van Cassatie in strijd met art. 10 EVRM. Het arrest is ontluisterend voor de politieke partij die met de verkiezingslogan ‘Vrijheid van meningsuiting’ naar de kiezer trok. Een partij die dus wel de vrijheid van meningsuiting opeist om op een systematische manier gedurende jaren vreemdelingenhaat, racisme en onverdraagzaamheid onder de bevolking te prediken, maar geen vrije meningsuiting - als het van deze partij afhangt - voor kritische journalistiek.

Mogen kranten advertenties van VB weigeren?

Eerder al in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2006 voerde het VB verschillende processen tegen tijdschriften die weigerden politieke advertenties van het VB te publiceren. Volgens het VB was daarbij sprake van discriminatie en van oneerlijke handelspraktijken. Bijna elk van deze klachten werd door de (voorzitter van de) rechtbank afgewezen en uiteindelijk vond het hof van beroep te Brussel in een arrest van 2 februari 2000 dat het VB zich niet kon beroepen op de Handelspraktijkenwet.3

Ook deze keer, in aanloop naar de federale verkiezingen van 10 juni, was het VB van oordeel dat zij op onrechtmatige wijze uitgesloten werd van aanwezigheid in de Vlaamse media. Door VB-voorzitter Frank Vanhecke en de financierings-vzw van het VB (VZW Vrijheidsfonds) werd een rechtsvordering ingeleid tegen alle Vlaamse kranten omdat die weigerden politieke advertenties van het VB te publiceren. De verantwoordelijke uitgevers en krantengroepen werden gedagvaard wegens ‘oneerlijke handelspraktijk’. Alle Vlaamse kranten werden geviseerd, behalve De Morgen. Ofwel wilde het VB niet eens een advertentie in deze krant, wegens haar overwegend links-progressief lezerspubliek. Ofwel oordeelde het VB dat van een krant als De Morgen kan worden verwacht dat deze geen advertenties plaatst voor een partij die de krant zelf regelmatig als een ‘racistische’ partij aanwijst. De actie was overigens enkel gericht tegen de kranten. Het weekblad Knack bijvoorbeeld publiceerde wel een advertentie van het VB.4

De weigering van de kranten heeft in essentie te maken met het racistisch karakter van het VB en zijn hatelijk discours in verband met vreemdelingen, migranten en de multiculturele samenleving. Hoewel de veroordeling in 2004 door het hof van beroep te Gent strikt gezien enkel de drie VB-vzw’s sanctioneerde wegens hun strafbare medewerking aan het VB, is de kern van het arrest de vaststelling dat het VB een groep of vereniging is die minstens gedurende een aantal jaren in diverse publicaties, brochures, boeken en partijprogramma’s ‘kennelijk en herhaaldelijk discriminatie heeft verkondigd’. Wie manifest en bewust aanzet tot racisme kan geen aanspraak maken op de vrijheid van meningsuiting.5 Ondertussen is bekend dat het Vlaams Blok ‘verveld’ is tot Vlaams Belang. Maar de partij is dezelfde gebleven, met dezelfde partijstructuur, dezelfde politici die grotendeels nog steeds hetzelfde discours voeren. Het VB wil overigens zelf, in hun eigen bewoordingen, voldoende ‘vuil’ blijven.6

VB = VB

Met zijn vordering voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel wilde VB-voorzitter Frank Vanhecke dat de kranten Het Laatste Nieuws, De Tijd, De Standaard, Gazet van Antwerpen en de (Nederlandstalige versie van de) gratis krant Metro tegen uiterlijk 9 juni 2007, de dag voor de federale verkiezingen dus, een advertentie van hem zouden publiceren. Omdat de kranten hadden laten weten dit niet van plan te zijn, vroeg hij de rechter om bevel op te leggen de advertentie te publiceren, onder dreiging van een dwangsom van elk 500.000 euro. In hun verweer voor de rechtbank voerden de meeste kranten aan dat zij een goede reden hadden om advertenties van het VB te weigeren en toch advertenties van de andere politieke partijen te publiceren: het VB is namelijk geen partij als een andere, zoals het arrest van 21 april 2004 verpletterend duidelijk heeft gemaakt. Omdat alles erop wijst dat na de naamswijziging van Vlaams Blok naar Vlaams Belang zowel de partijstructuur, het programma als de politici nauwelijks gewijzigd zijn en de partij een discours blijft voeren dat bol staat van racisme en vreemdelingenhaat, blijft die veroordeling zijn betekenis behouden.

Het Laatste Nieuws verwees naar haar Oxford-manifest dat de klemtoon legt op de basisprincipes van de democratie, de mensenrechten en de eerbied voor minderheden. Het Charter van de krant De Tijd laat ook al deze gehechtheid blijken aan de fundamentele spelregels van de democratische rechtstaat met ‘verdraagzaamheid als uitgangspunt’. En ook aan de kant van De Standaard heet het dat de krantengroep bewust geen publiciteit wil maken voor het VB. Overigens liet deze krant ook opmerken dat de publicatie van een advertentie van het VB kort na de naamsverandering tot Vlaams Belang aanleiding gaf tot heel wat negatieve reacties van de lezers. Met name het vreemdelingenstandpunt van het VB is ‘onverzoenbaar’ met de waarden die deze kranten en uitgevers zeggen te willen veruiterlijken. Een bewuste keuze dus van elk van deze kranten om geen contracten met het VB af te sluiten. Van een arbitraire of willekeurige verkoopsweigering kan daarom geen sprake zijn. Het VB wordt ook niet ‘gediscrimineerd’, omdat discriminatie veronderstelt dat een ongelijke behandeling geen steun kan vinden in een redelijke en objectieve motivering. Het Laatste Nieuws, De Tijd en De Standaard hebben juist wél een pertinente en objectieve reden om de advertentie van het VB te weigeren.

Gazet van Antwerpen en Metro daarentegen voerden een heel ander verweer voor de rechter. Zij argumenteerden dat het VB veel te laat om advertentieruimte had gevraagd. Toen het VB zijn aanvraag bij de krant indiende, was het niet meer mogelijk om op dit verzoek in te gaan omdat alle advertentieruimte voor de komende dagen en weken reeds verkocht was. De beide kranten voerden aan dat andere advertenties zouden moeten worden geschrapt, wilde men alsnog de verkiezingspubliciteit van het VB afdrukken.

Het Laatste Nieuws, De Standaard en De Tijd mochten VB-advertentie weigeren

In het vonnis van 4 juni 2007 wordt de eis van Vanhecke en van het VZW Vrijheidsfonds grotendeels afgewezen.7 Het Laatste Nieuws, De Tijd en De Standaard kunnen zich volgens de rechter effectief beroepen op hun afwijzing van de ideologie of het partijprogramma van het VB. Voor wat Het Laatste Nieuws en De Tijd betreft verwijst het vonnis naar de respectievelijke charters die binnen deze persondernemingen gelding hebben. Daaruit blijkt dat de boodschap van het VB, ‘ook impliciet’, niet verenigbaar is met het Charter. Voor wat De Standaard betreft wijst het vonnis erop dat deze krant ooit wel betalende publiciteit voor het VB heeft gepubliceerd, maar daar toen nogal negatieve reacties heeft op gekregen. Bij De Standaard heeft men ondertussen ook ingezien dat het VB als politieke formatie dezelfde is gebleven als ten tijde van de veroordeling wegens aanzet tot discriminatie en vreemdelinghaat en dat het ‘in wezen gaat om één en dezelfde beweging’. Het vonnis wijst er ten slotte op dat het overigens common knowledge is dat de dagbladen van De Standaard-groep ‘tot de katholieke sfeer’ behoren en dat ‘de kerkelijke overheid op voorzichtige wijze ernstige bedenkingen heeft gemaakt bij fundamentele standpunten door het Vlaams Belang’. Een combinatie van redenen dus die volgens de rechter maken dat de weigering door De Standaard om VB-advertenties te publiceren in de aanloop naar verkiezingen van 10 juni 2007 niet ongegrond was. Al bij al ook een goede afloop voor De Standaard dus, al was de krant niet echt gelukkig met de passage in het vonnis die de krant in de katholieke invloedsfeer van de kerkelijke overheid situeerde.

Gazet van Antwerpen en Metro

weigerden ten onrechte de VB-advertentie

De rechter komt bij Gazet van Antwerpen en Metro uit op een heel andere conclusie. De rechter is van oordeel dat de weigering door deze kranten wel neerkomt op een oneerlijke handelspraktijk. De rechter hecht maar weinig geloof aan de argumentatie dat men om praktische of economische redenen niet meer kon ingaan op het verzoek van het VB, omdat de programmering en de reservaties van de advertenties reeds weken op voorhand vastlagen. Het vonnis merkt op dat toch ook overlijdensberichten ‘van vandaag op morgen’ in de advertentieruimte worden gepubliceerd en laat verstaan dat het dus ook wel mogelijk moet zijn die flexibiliteit of vooruitziendheid aan de dag te leggen bij de programmering van advertenties in de periode kort voor de verkiezingen, ‘omdat de verkiezingsstrijd ook maanden op voorhand aangekondigd wordt’. Het vonnis poneert dat ‘een voorzichtige manager last minute-publicaties kan verwachten en zich hierop zal voorzien’. Bovendien hebben Gazet van Antwerpen en Metro ook de eigen tak afgezaagd door het gebruik van het argument van de vrijheid van meningsuiting. Zij argumenteerden namelijk dat de vrijheid van meningsuiting impliceert dat men niet kan worden verplicht een bepaalde mening te uiten (in dit geval in de vorm van een advertentie van het VB). Maar tegelijk voerden zij aan dat de advertentie waar het VB om vroeg met enkel de vermelding ‘lijsttrekker Senaat’, het VB-logo en een foto van Vanhecke niet de uiting van een mening betrof. De rechter wees laconiek op deze tegenstrijdigheid, waarmee Gazet van Antwerpen en Metro zichzelf dus in de voet hebben geschoten. Aan beide kranten werd bevel opgelegd om uiterlijk op 9 juni 2007 de verkiezingsadvertentie van Frank Vanhecke te publiceren ‘aan voor dergelijke publicatie gangbare tarieven’, onder dreiging van een dwangsom van 2.500 euro (dus niet de 500.000 euro die de eisers vorderden). Op 8 juni 2007 publiceerden beide kranten de advertentie, met de mededeling dat zulks gebeurde op bevel van de rechter en met de melding dat ‘de vennootschappen N.V. De Vlijt, N.V. Concentra Media Regie en N.V. Mass Transit Media echter wel het standpunt behouden dat zij in handelsrelaties ten volle blijven beschikken over het recht om advertenties te weigeren in hun media’.8

Het vonnis van 4 juni 2007, hoewel wat summier en kort door de bocht, maakt duidelijk dat aan een partij die in essentie onverdraagzaamheid en vreemdelingenhaat uitdraagt, advertentieruimte in kranten kan worden geweigerd. Ook al is de weigering in dit geval niet gericht tegen een advertentie met een op zichzelf laakbare inhoud. Het feit dat de advertentie de partij VB zou promoten kon volstaan als argumentatie.

Lijsttrekkersdebatten op VRT zonder Vlaams Belang-voorzitter strijdig met mediadecreet

Het VB voerde ook nog op een ander front strijd in aanloop naar de verkiezingen van 10 juni 2007. De partij was met name niet te spreken over een tweetal programma’s op de VRT-televisie, met daarin debatten met de toenmalige Vlaamse ‘kandidaat-premiers’ Yves Leterme, Guy Verhofstadt en Johan Vande Lanotte. Twee debatten kort voor de verkiezingen, zonder VB-politicus Frank Vanhecke dus. Vanhecke diende op 21 mei 2007 klacht in bij de VRM, de Vlaamse Regulator voor de Media.9 Volgens hem werd het VB door deze formule met de kandidaat-premiers gediscrimineerd en kwam de uitsluiting van het VB door de VRT neer op een schending van de plicht tot onpartijdigheid. Meteen kreeg de VRM een delicate zaak voorgelegd.

Even situeren. Sinds het voorjaar 2006 is de VRM het toezichtorgaan voor de naleving van de regels die zijn vastgelegd in het Vlaamse mediadecreet. De VRM is een publiekrechtelijk vormgegeven, extern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid in toepassing van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 2003. Daar waar de algemene kamer van de VRM een zeer ruime bevoegdheid heeft, gaande van het afleveren van de zendvergunningen en de erkenningen van de televisieomroepen tot het toezicht op de regels inzake reclame en sponsoring, is de bevoegdheid van de tweede kamer beperkt tot aspecten die te maken hebben met de verplichting tot onpartijdigheid en de bescherming van minderjarigen. De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen van de VRM is o.a. bevoegd om uitspraak te doen over geschillen die zijn gerezen naar aanleiding van de toepassing van art. 111bis van het mediadecreet. Dit artikel legt aan de Vlaamse omroepen de verplichting op om hun informatieprogramma’s te verzorgen in een geest van politieke en ideologische onpartijdigheid en voorts moet in de programma’s ook elke vorm van discriminatie worden geweerd. Meer bepaald mag de programmaopbouw geen aanleiding geven tot discriminatie tussen de verschillende ideologische of filosofische strekkingen. De VRM kan inbreukmakende omroepen een sanctie opleggen, gaande van een waarschuwing, over de verplichting om de uitspraak van de VRM uit te zenden of te laten publiceren, tot een administratieve geldboete van 12.500 euro (art. 176bis).

In het federale België worden geen premiers verkozen

In antwoord op de klacht van Frank Vanhecke wijst de VRM er in zijn beslissing van 26 juni 2007 op dat de VRT bij het organiseren van een publiek debat een ruime vrijheid heeft bij de selectie van de uitgenodigde gasten, maar dat deze vrijheid niet onbegrensd is. Met name wegens het verbod van discriminatie en de plicht tot onpartijdigheid. In lijn met de jurisprudentie van de vroegere Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie is de VRM van oordeel dat wanneer niet alle strekkingen uitgenodigd worden voor deelname aan een debat met politici, de selectie moet gebeuren op een manier die redelijk en objectief kan verantwoord worden vanuit inhoudelijk en journalistiek oogpunt, in functie van het gekozen onderwerp. Volgens de VRM is de uitsluiting van Vanhecke in de twee VRT-televisiedebatten met de kandidaat-premiers niet redelijk en objectief verantwoord.

De VRM benadrukt de plicht tot onpartijdigheid in hoofde van de openbare omroep, die immers ook (krachtens art. 6 §2 van het mediadecreet) moet bijdragen tot een onafhankelijke, objectieve en pluralistische opinievorming in Vlaanderen. In essentie is de VRM van oordeel dat VRT aan die plicht is tekort geschoten met het format van de debatten tussen kandidaat-premiers. De VRM benadrukt dat in België geen premiers, maar wel vertegenwoordigers van de burgers in Kamer en Senaat worden verkozen. De selectie door de VRT van de drie politici gebeurde op basis van de aanwijzing ‘door andere media’ van de ‘gedoodverfde kandidaat-premiers’. Volgens de VRM moet de VRT afstand nemen van wat in andere media wordt aangevoerd. En de VRT mag daardoor zeker niet zijn eigen geloofwaardigheid en roeping in functie van een onafhankelijke, objectieve en pluralistische opinievorming in het gedrang brengen. En dat heeft de VRT volgens de VRM nu juist wel gedaan. Door het aankondigen van de twee VRT-debatten als debatten tussen kandidaat-premiers is bij het publiek een verkeerde invulling gecreëerd van het begrip verkiezingen en daardoor is de aard zelf van de verkiezingen gedenatureerd, aldus nog de VRM. Bij het publiek kan de indruk gewekt zijn ‘dat verkiezingen volkomen gepersonaliseerd zijn’. Door het voor te stellen alsof het ging om een kanseliersverkiezing heeft de VRT een niet objectief en derhalve niet redelijk verantwoord onderscheid gecreëerd voor een gelijke categorie van personen, namelijk de lijsttrekkers voor de Senaat. Immers van deze categorie lijsttrekkers zijn er slechts drie in de kwestieuze debatten aan bod gekomen en werd de vertegenwoordiger van het Vlaams Belang uitgesloten. Dat Vanhecke en andere VB-politici overigens in tal van andere debatten op de VRT wél aan bod zijn gekomen, doet hieraan niets af. De VRM is daarom van oordeel dat de VRT de verplichting tot niet-discriminatie en politieke en ideologische onpartijdigheid niet is nagekomen. Ze sanctioneert de VRT met een waarschuwing.

De beslissing van de VRM lijkt te impliceren dat de VRT ook in de toekomst er maar beter kan van afzien om verkiezingsdebatten met uitsluitend kandidaat-premiers te organiseren, althans wanneer dit tot gevolg heeft dat niet alle politieke partijen in het debat vertegenwoordigd zijn.

De vraag blijft hangen of de VRT de VRM mogelijks met andere argumenten had kunnen overtuigen. Zoals het argument dat Vanhecke de voorzitter is van een politieke partij waarvan nog niet zo lang geleden een rechtscollege oordeelde dat deze partij, toen nog onder de naam Vlaams Blok, manifest en herhaaldelijk heeft aangezet tot racisme en vreemdelingenhaat. Een veroordeling die overigens is bevestigd door het Hof van Cassatie, en recent ook voor het Europees Mensenrechtenhof overeind bleef. De voorzitter van deze partij, met dit palmares van het aanzetten tot discriminatie en vreemdelingenhaat, kan daarom moeilijk als een ‘beleidsmaker’ worden beschouwd, wiens partij vertegenwoordigd zou kunnen zijn in een federale regering. Een aanleiding misschien voor de VRT om de nota ‘De VRT en de democratische samenleving’ nog eens tegen het licht te houden… Een nota overigens waarvan het VB tevergeefs de schorsing vorderde voor de Raad van State.10

Dirk Voorhoof
Professor in de Communicatiewetenschappen, Universiteit Gent en Kopenhagen

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ In een aantal gevallen was de klacht van het VB wel terecht, zoals bij de preventieve censuur door De Post van verkiezingsdrukwerk van het VB (R.v.St., 10 maart 2003, nr. 116.818, F. Vanhecke t. De Post en R.v.St. 15 juli 2004, nr. 133.514, F. Vanhecke t. De Post. Zie ook Voorhoof D., ‘Raad van State schorst voorafgaande censuur van verkiezingspropaganda’, De Juristenkrant 2000/13, 1 en 7). Ook één beslissing van de Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie achtte een klacht van het VB gegrond: Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie 23 oktober 2001, nr. 2001/6, www.vlaamseregulatormedia.be. Zie ook Voorhoof D., ‘De Vlaamse Geschillenraad voor radio en televisie: het moeilijke evenwicht tussen journalistieke vrijheid en dwingende bepalingen inzake niet-discriminatie, onpartijdigheid en de naleving van de journalistieke deontologie’, Auteurs & Media (A&M) 2000/4, pp. 481-483. Voor een grondiger situering, zie Voorhoof D. en Debackere J., ‘Nieuwsberichtgeving en de democratische rechtsstaat. De journalistieke opstelling in Vlaanderen tegenover racisme, discriminatie en extreemrechts’, In Biltereyst D. en Peeren Y. (eds.), Nieuws, Democratie & Burgerschap, Gent, Academia Press, 2003, pp. 27-54.
2/ Zie Antwerpen 11 oktober 2005, A&M 2006/2, 124 en Cass. 27 april 2007. Voor een kritische commentaar op het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, zie Lemmens K., ‘Wie is Demol? Bedenkingen bij een boek en een arrest’, A&M 2006/2, pp. 147-160 en Voorhoof D., ‘Boek krenkt eer en goede naam van VB-politicus. Johan Demol krijgt gelijk voor hof van beroep Antwerpen’, De Juristenkrant, 2005/116, p. 13.
3/ Brussel 2 februari 2000, A&M 2001/4, p. 482 en bevestigd Cass. 11 mei 2001, www.juridat.be. Zie ook Voorhoof D., ‘Media mogen Blokpropaganda weigeren’, De Juristenkrant, 2000/5, p. 1 en p. 12 en Voorhoof D., ‘Blok vangt nu ook bot bij Cassatie’, De Juristenkrant, 2001/32, 6-7. Zie ook Voorhoof D., ‘Politieke propaganda in de klas is verboden, maar wat is politiek propaganda?’, A&M 2004/1, pp. 25-28.
4/ Knack, 2007/23, 6-12 juni 2007, p. 50.
5/ Gent 21 april 2004, A&M 2004/2, 170 en Cass. 9 november 2004, A&M 2005/1, 74. Zie ook Voorhoof D., ‘Vlaams Blok-arrest: de antiracismewet is geen loutere symboolwet!’, Tijdschrift voor Mensenrechten (TvMR), 2004/2, pp. 9-11 en Sottiaux S. en Vrielink J., ‘De antiracismewet na het Vlaams-blokarrest’, NjW 2004/75, pp. 718-724.
6/ Zie ook Voorhoof D. en Braeckman A., De veroordeling van drie Vlaams Blok VZW’s in toepassing van de antiracismewet. Implicaties voor de VRT, rapport in opdracht van de VRT, december 2004, 82 p., gepubliceerd op www.Blokwatch.be en op http://www.psw.ugent.be/dv (nieuwsarchief, april 2005). Zie ook www.kifkif.be en Braeckman A., ‘Een moeizame zoektocht naar een evenwichtige berichtgeving’, Samenleving en politiek, 2005/10, pp. 22-32.
7/ Zie ook Cloots E. en Sottiaux S., ‘Kranten mogen politieke advertenties weigeren’, De Juristenkrant, 2007/152, p. 4. Vonnis beschikbaar op http://www.psw.ugent.be/dv (nieuwsarchief, juni 2007)
8/ Metro, 8 juni 2007, p. 22.
9/ VRM, 26 juni 2007, F. Vanhecke t. NV VRT, nr. 2007/32, www.vlaamseregulatormedia.be
10/ R.v.St. 8 november 2001, nr. 100.653, F. Vanhecke e.a. t. NV VRT, http://www.raadvst-consetat.be. Zie ook Voorhoof D., ‘VRT, Blok en democratische samenleving’, De Juristenkrant, 2001/39, pp. 12-13.

media en politiek - vrije meningsuiting - Vlaams Belang

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 50 tot 56