Log in

Een onzekere strijd tussen twee kwetsbare kandidaten

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 75 tot 83

Op 6 november 2012 vinden er weer presidents- en congresverkiezingen plaats in de Verenigde Staten. Op die dag zal de vraag beantwoord worden of Barack Obama een tweede ambtstermijn krijgt als Amerikaans president dan wel of Mitt Romney vanaf 20 januari 2013 deze functie zal bekleden. Met een economisch precaire situatie is het antwoord op die vraag momenteel immers niet zeker. Het kan eigenlijk nog altijd alle richtingen uit. Het doel van dit artikel is aan te geven waarom dit zo is. Waar liggen de kwetsbaarheden van Obama en waar liggen deze van zijn Republikeinse opponent?

In de zoektocht naar die kwetsbaarheden zal rekening gehouden worden met het feit dat een Amerikaans president niet rechtstreeks verkozen wordt. Op 6 november a.s. zullen de Amerikaanse kiezers eigenlijk de leden van het Kiescollege (de zogenaamde kiesmannen) kiezen die op hun beurt de president zullen aanstellen. Gezien op voorhand bekend is hoe deze leden zullen stemmen, lijkt dit een technisch detail. Maar het heeft wel een belangrijk gevolg: daardoor is het immers voor een Amerikaanse presidentskandidaat niet alleen belangrijk hoeveel stemmen hij of zij haalt maar ook waar dit gebeurt. Staat per staat moeten immers de minimum 270 kiesmannen bijeen worden gesprokkeld die nodig zijn om president te worden. We moeten daardoor ook het oog werpen op de kwetsbaarheden van de kandidaten in die staten die deze sprokkeltocht een beslissende wending kunnen geven, de zogenaamde battle­ground states.

OBAMA’S KWETSBAARHEDEN

Barack Obama start niet meteen vanuit een sterke positie in deze presidentiële verkiezingsstrijd. Dit is in eerste orde zichtbaar in zijn relatief hardnekkig lage waarderingscijfers. Sinds nu ruim twee jaar is hij er niet meer in geslaagd approval ratings te halen die boven de 50% uitkomen.1 Toch laten deze cijfers ook niet toe te concluderen dat een verkiezingsnederlaag onvermijdelijk is geworden. In vergelijking met alle presidenten die sinds WOII een herverkiezing ambieerden, brengen de approval ratings Obama onderaan het lijstje van presidenten die een herverkiezing wisten binnen te halen en bovenaan het lijstje van deze die daar niet in slaagden. En dit patroon tekent zich nu sinds het najaar van 2011 duidelijk af. Als zittend president gaat Obama dus als relatief zwakke kandidaat deze verkiezingen in zonder dat gesteld kan worden dat zijn situatie hopeloos is geworden.

Naar de oorzaak van dit alles is het niet lang zoeken. De economische situatie en dan vooral de hoge werkloosheid zijn hier de grote boosdoeners, dit in combinatie met de enorme hoge verwachtingen die velen in 2008 ten aanzien van zijn presidentschap koesterden. Die verkiezingen wist Obama hoofdzakelijk te winnen door de financiële crisis die in september van dat jaar escaleerde met het faillissement van Lehman Brothers. Peilingen over de evolutie van de scores in het Kiescollege gebaseerd op resultaten die de kandidaten staat-per-staat zouden behalen, geven aan dat dit faillissement en de angst voor de economische gevolgen ervan de doorslag gaven. Verschillende thema’s mogen voor verschillende subgroepen hebben meegespeeld, het was uiteindelijk de angst voor de crisis die de doorslag gaf ten gunste van Obama. Hierin zat natuurlijk meteen het grootste risico voor zijn presidentschap: wat hem in het Witte Huis had gebracht, zou zich ook tegen hem kunnen keren indien de crisis bleef aanslepen. Meer nog. Het stond bijna in de sterren geschreven en Obama besefte als geen ander wat het risico hiervan was. Maar de impact die een president op een economie kan hebben, is beperkt. Zeker in een politiek systeem als het Amerikaanse waar presidenten niet per definitie op de steun van het Congres moeten rekenen, zelfs al heeft hun eigen partij daar de meerderheid. Bovendien was de ernst van de economische crisis - de zogenaamde Great Recession - zodanig groot dat men in Washington DC ook wel besefte dat het lang zou duren vooraleer het herstel er zou komen, zeker indien men dit zou afmeten aan dalende werkloosheidscijfers. Het zou allemaal langzaam gaan en het kwam er voor Obama op aan dit aan zijn kiezers duidelijk te maken. Mirakels konden niet verwacht worden. Maatregelen daarentegen wel en deze kwamen er tot op zekere hoogte ook. Zo was er het stimuleringspakket van 787 miljard dollar en de overname van General Motors (wat in de Amerikaans politiek-culturele context een zeer gedurfde aanpak was). Toch ging het economische herstel voor vele Amerikanen te traag en dit werd duidelijk in Obama’s dalende approval ratings. Terwijl de economie veruit bovenaan het lijstje van belangrijkste thema’s bleef staan, ging de waardering voor Obama’s economische beleid er gestaag op achteruit, ook bij kiezers die zichzelf als Democraat omschrijven. In die evolutie speelden twee zaken mee die ook vandaag op Obama’s herverkiezingskansen wegen: de hervorming van de gezondheidsverzekering en de hardnekkig hoge werkloosheid.

Ofschoon de hervorming van de gezondheidsverzekering als een historische realisatie kan worden omschreven, heeft Obama er een zware politieke prijs voor betaald. Het debat over die hervorming bleef zo lang aanslepen dat het de indruk wekte dat de president alleen daar nog mee bezig was en dus niet met datgene waarvoor hij eigenlijk verkozen was: het economische herstel. Ofschoon dit beeld onjuist is (neem de maatregelen ten aanzien van de automobielsector die in dezelfde periode werden genomen) bleef het wel bij heel wat Amerikanen hangen. De hervorming eiste immers bijna alle media-aandacht op. Voor veel onafhankelijke kiezers betekende dit dat Obama bezig was met een thema dat vooral zijn militante achterban moest tevreden stellen terwijl deze hervorming voor de meeste van hen absoluut geen prioriteit was. Bij deze groep liep de Amerikaanse president dan ook heel wat averij op als gevolg van de manier waarop de hervorming was verlopen. Hij heeft zich daar eigenlijk nooit echt van kunnen herstellen, ook al is een kleine meerderheid van deze onafhankelijken niet tegen de hervorming als dusdanig.2 Voor hen gaat het eerder om een kwestie van prioriteiten die verkeerd werden gelegd.3

Naast de hervorming van de gezondheidsverzekering is er ook de werkloosheid die als negatieve factor op Obama’s herverkiezingskansen weegt. Niet dat het plaatje hier ondubbelzinnig slecht is. Bij de aanvang van Obama’s presidentschap steeg de werkloosheid weliswaar wel van 7,8 naar 10,1% van de beroepsbevolking, daarna was er sprake van een gestage daling (naar 8,2%). Toch verliep het allemaal trager dan verwacht werd. In het Witte Huis had men immers gehoopt dat de werkloosheid tegen de zomer van 2010 op 8% zou uitkomen om daarna verder te dalen. Dat cijfer werd niet gehaald en aan verschillende kanten van het politieke spectrum zorgde en zorgt dit voor debatten over de precieze oorzaken daarvan. Aan de ene kant was er het argument dat de omvang van de stimuleringsmaatregelen die tijdens de Obamaperiode tot stand waren gekomen al bij al te bescheiden was. Aan de andere kant was er de stelling dat Obama gewoonweg het verkeerde economische beleid had gevoerd met regulering in plaats van deregulering, met twijfel in plaats van zekerheid (bijvoorbeeld inzake klimaatverandering) en met schuldopbouw in plaats van schuldafbouw.

Aan de kant van de Obama-regering zelf werd gesteld dat de maatregelen wel degelijk een gunstig effect hadden gehad. Zonder hen zou de werkloosheid hoger hebben gelegen. Een minder sterke stijging van de werkloosheid was er het gevolg van. Simulaties van Fitch Ratings en Oxford Economics geven inderdaad aan dat zonder deze maatregelen het Amerikaanse BBP ruim 4 procentpunt lager zou hebben gelegen dan momenteel het geval is.4 De economie zou amper boven het dieptepunt van 2010 uitkomen met wellicht vergelijkbare werkloosheidscijfers van ruim 10%. Tevens wordt er aan deze kant opgemerkt dat ondanks alle pogingen om bijkomende stimuleringsmaatregelen goedgekeurd te krijgen, het Congres voortdurend ging dwarsliggen, zeker vanaf januari 2011 toen de Republikeinen opnieuw over een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden beschikten. De bezuinigingen die als gevolg van de besnoeiingen in de overheidsuitgaven werden doorgevoerd, zouden de Amerikaanse werkloosheid met ruim één procentpunt hebben doen stijgen ten opzichte van een situatie waarin dit niet zou zijn gebeurd. Toch is dit cijfer niet onbetwist omdat er geen rekening wordt gehouden met het effect van de mogelijks hogere inflatie op het gedrag van de Federal Reserve, meer bepaald de beslissing van de Amerikaanse centrale bank om tussen november 2010 en juni 2011 geleidelijk aan 600 miljard dollar de Amerikaans economie binnen te loodsen. Bij hogere inflatie als gevolg overheidsstimulering zou dit wellicht niet of in mindere mate zijn gebeurd. Wellicht zou dit geleid hebben tot meer jobs als gevolg van die overheidsstimulering maar minder jobs als gevolg van een hogere rente.

Kortom, over de oorzaken van de blijvend hoge werkloosheid in de VS bestaan er meningsverschillen en al zeker over de verantwoordelijkheid van de Obama-regering op dit vlak. En die meningsverschillen maken Obama kwetsbaar voor het verwijt dat hij te weinig aan die werkloosheid of aan de economische crisis in het algemeen heeft gedaan. Een lichtpunt voor Obama wordt daardoor gevormd door de dalend trend in die werkloosheid. De stelling is daarbij dat een dalende trend voor optimisme zorgt en de kiezer met de vraag confronteert of een verandering van president wel aangewezen is nu het beleid van de zittende president vruchten lijkt af te werpen. Om die analyse te staven wordt de vergelijking gemaakt tussen Reagan en Carter. Beide presidenten werden met hoge werkloosheid geconfronteerd maar bij Reagan daalde deze in de twaalf maanden voor zijn herverkiezing met gunstige effecten op zijn approval ratings tot gevolg. Bij Carter gebeurde het tegenovergestelde. Bij hem steeg de werkloosheid en daalden zijn ratings. Reagan geraakte herkozen, Carter niet. De vraag is nu welk scenario zich bij Obama zal voordoen. Bij een blijvend dalende trend wordt zijn kans op herverkiezing groot. Bij een ommekeer of zelfs stagnering groeit de kans op een nederlaag. Dit verklaart Obama’s zenuwachtigheid over de crisis in de eurozone omdat deze een nieuwe financiële en economische crisis kan teweegbrengen, met alle gevolgen van dien voor de Amerikaanse werkgelegenheid. Er leeft overigens binnen de Obama-regering een overtuiging dat dit reeds eerder gebeurde, met name in het voorjaar van 2010. Het herstel van de Amerikaanse economie zou toen tot stilstand zijn gebracht door de onzekerheid die de eurozonecrisis op de financiële markten had veroorzaakt.

Dat werkloosheid het bepalende criterium lijkt te worden blijkt alleszins uit de campagnes, zowel van Obama als van Romney. Terwijl bij Obama nadruk wordt gelegd op het jobvernietigende effect dat Romney’s carrière bij Bain Capital zou hebben gehad, wijst deze laatste op zijn ervaring als zakenman als recept om een economie om te buigen die mismeesterd werd door een president die niet veel van economie zou begrijpen. Aan Obama’s zijde komt men ook het argument tegen dat een Romney-presidentschap de terugkeer zou betekenen naar de economische recepten van de Bush-periode terwijl deze juist de VS en de wereldeconomie in de problemen hadden gebracht. Die boodschap lijkt tot op zekere hoogte aan te slaan omdat een belangrijk deel van de kiezers ontvankelijk blijft voor de stelling dat niet Obama maar wel Bush de oorzaak van de huidige economische crisis is. Een kijkje in Rasmussen peilingen maakt dit duidelijk. Gedurende het hele Obama-presidentschap bleven meer Amerikanen van oordeel dat de oorzaak van de economische crisis bij Bush lag dan bij Obama, ofschoon het verschil tussen beide zeer klein geworden is. In maart 2009 ging het volgens Rasmussen peilingen nog om 62% die de schuld bij Bush legde. In april 2012 ging het om 48%, terwijl 46% de schuld bij Obama legde. Toch blijft het na meer dan drie jaar presidentschap merkwaardig dat een meerderheid de oorzaak van een economische crisis bij de vorige president blijft leggen. Bij de onafhankelijke kiezers - een groep die in presidentsverkiezingen veelal beslissend is - is het verschil zelfs meer uitgesproken: 58% legt de schuld nog steeds bij Bush, 31% bij Obama.

ROMNEY VERSUS OBAMA

Dat Romney een economisch recept voorstelt dat aansluit bij wat Bush in het verleden bepleitte, is correct. Romney’s aanpak van de economische crisis oogt zeer traditioneel Republikeins met een geloof in de centrale rol die de private sector speelt en moet spelen in jobcreatie, in de nood van een vrijemarkteconomie die niet te veel door regels allerhande in zijn werking wordt gehinderd en in het ‘trickle-down’ model. In een dergelijk model leiden lagere belastingen voor bedrijven en hogere inkomensgroepen tot meer investeringen, creëren deze jobs en genereren deze daardoor een inkomensgroei bij de lagere inkomensgroepen. Belastingverhogingen voor hogere inkomens zijn dus uit den boze omdat deze de investeringen zouden ontmoedigen en dus een rem op de economische groei, en als afgeleide daarvan de werkgelegenheid, zouden zetten.

Een vertaling van deze overtuiging in concrete voorstellen betekent dat Romney inzake de federale inkomstenbelastingen het marginale belastingtarief voor de hoogste inkomens wil verlagen van de huidige 35% naar 28%, terwijl Obama deze wil verhogen naar 39,6% (het percentage dat voor de belastingverminderingen van de Bush-periode van toepassing was). Romney wil daarnaast alle belastingtarieven met een vijfde verlagen. Obama wil deze juist voor de hogere inkomens (vanaf 200.000 dollar voor een jaarinkomen van individuen en 250.000 dollar voor een jaarinkomen van echtparen) verhogen en de andere tarieven onaangeroerd laten. Ook zou de Buffett-regel worden ingevoerd waardoor miljonairs een minimale belasting van 30% op hun inkomen zouden moeten betalen.

Wat belastingen op kapitaal betreft, wil Romney de huidige belasting van 15% elimineren voor personen met een jaarinkomen dat lager is dan 100.000 dollar (of 200.000 dollar voor echtparen). Obama wil de belastingen op kapitaal verhogen naar 20%. Voor de hoogste inkomensgroepen zouden inkomsten uit dividenden als gewoon inkomen (en dus hoger) belast worden.

Ook inzake regulering zijn er verschillen vast te stellen. Zo wil Romney de hele hervorming voor de regulering van de financiële sector (de Dodd-Frank wet van 2010)5 door een nieuwe wet vervangen, ook al is niet duidelijk wat die nieuwe regeling zou inhouden. Tevens zou het principe van de nulkost worden gehanteerd bij nieuwe regelgeving. Het vermogen van het Environmental Protection Agency (EPA) - zeg maar het federale milieuagentschap - om de CO2-uitstoot te reguleren zou aan banden worden gelegd. Obama daarentegen zou de Dodd-Frank wetgeving behouden en tegelijkertijd zijn huidige beleid van ‘retrospective reviews’ verderzetten waarin de zin van reeds bestaande regelgeving wordt herbekeken en zinloze of voorbijgestreefde regels zouden worden afgeschaft.6 De rol van het EPA zou onaangeroerd blijven, wat vooral de elektriciteitssector en de kolen- en gasindustrie tegen de haren instrijkt.

ROMNEY’S KWETSBAARHEDEN

Romney mag dan vrij traditionele Republikeinse recepten voorstellen, het maakt het verre van zeker dat hij zonder meer op de steun van alle Republikeinen zal kunnen rekenen. De meest conservatieve onder hen vertrouwen hem immers niet. Daar zijn verschillende oorzaken voor.

In eerste orde gaan Romney’s voorstellen niet zover als sommige meer conservatieve kiezers wel zouden willen. Dit is vooral het geval op het gebied van de belastingen en de federale begroting, zoals uit de Republikeinse voorverkiezingen bleek. Terwijl Romney een algemene reductie van 20% van de belastingtarieven voorstelt, werd er door andere kandidaten gepleit voor de invoering van een zogenaamde flat tax. Een dergelijke belasting hanteert slechts één tarief ongeacht het inkomen maar schaft wel allerhande uitzonderingen en aftrekposten af. Rick Perry wilde dit tarief leggen op 20%, Newt Gingrich op 15% en Herman Cain op 9%. Rick Santorum hield het bij twee tarieven: één van 10% en één van 28%.7 Ron Paul wilde de federale persoonsbelasting helemaal afschaffen. Gezien Romney pleitte voor de vermindering van de bestaande tarieven, zouden bij hem de zes bestaande marginale tarieven blijven bestaan met een hoger tarief voor een hoger deel van het inkomen.

Wat belastingen op dividenden en kapitaalinkomsten betreft, stelde Gingrich voor deze af te schaffen. Cain, Paul en Perry deden hetzelfde. Santorum pleitte voor een vermindering van 15 naar 12%. Zoals gesteld wil Romney het tarief van 15% behouden behalve voor individuele inkomens die lager liggen dan 100.000 dollar (200.000 voor een echtpaar). In die gevallen zou de betrokken belasting worden afgeschaft.

Globaal genomen werd Romney dus langs rechts voorbij gestoken als het over belastingen gaat en ook inzake de federale begroting dreigde dit te gebeuren. Omwille van de verbeten strijd tijdens de Republikeinse voorverkiezingen probeerde Romney hieraan te verhelpen door zich achter de begrotingsplannen van Paul Ryan te scharen. Deze Republikeinse afgevaardigde, tevens voorzitter van de Begrotingscommissie in het Huis, stelde in maart 2012 een plan voor om de Amerikaanse begroting te herstellen dat uitsluitend in bezuinigingen voorziet. Het plan voorziet ook in de versterking van de rol van de privésector in verschillende sectoren (waaronder studieleningen en gezondheidszorg) of wil de staten de mogelijkheid geven in een dergelijke versterking te voorzien.8

Dat de meer conservatieve kiezers Romney niet vertrouwen, is ook een gevolg van diens verleden als gouverneur van Massachusetts. Tijdens dat gouverneurschap lag hij immers aan de basis van de hervorming van de gezondheidsverzekering in deze staat. Opvallend is dat de belangrijkste kenmerken van deze hervorming later door Obama in zijn hervorming werden overgenomen. Het individuele mandaat is daarbij het meest controversiële. Op basis van dit mandaat is elke Amerikaan (of permanente inwoner van de VS) verplicht een gezondheidsverzekering te nemen. Het feit dat Romney zelf aan de basis van een dergelijke verplichting ligt in Massachusetts wordt hem niet in dank afgenomen aan de conservatieve zijde van zijn partij. De belofte dat hij als president de hervorming meteen zou afschaffen, heeft het betrokken wantrouwen misschien wel ten dele, maar zeker niet helemaal doen verdwijnen. Het vormde onder meer een factor in de moeilijkheden die Romney tijdens de voorverkiezingen ondervond om zijn conservatieve tegenstanders van zich af te slaan.

Dat de meer conservatieve Republikeinen Romney wantrouwen is een duidelijk nadeel in zijn strijd tegen Obama. In die strijd moet hij immers de onafhankelijke kiezers aan zijn kant krijgen en daarvoor zijn meer gematigde standpunten nodig. Maar de meer conservatieve kiezers zijn nu juist zo argwanend ten aanzien van een dergelijk scenario omdat ze niet geloven dat er achter een eventueel gematigde retoriek een echte conservatieve Romney zit. De vraag is nu hoe ze daarop zullen reageren wanneer het 6 november is. Zullen ze voor Romney opteren om Obama kost wat kost uit het Witte Huis te krijgen of zullen ze afhaken door thuis te blijven? Het anti-Obama effect speelt immers ook bij deze groep mee. Dit is een gevolg van de manier waarop zij op het Obama-presidentschap terugblikken en van de rol die de Tea Party ondertussen onder de conservatieven speelt. Anti-Obama kan het hier dus halen van pro-Romney, ook al hadden vele conservatieven liever een andere (meer conservatieve) Republikeinse presidentskandidaat gezien. Voor Romney betekent het alleszins dat hij er niet op kan rekenen dat het anti-Obama effect hem onder alle omstandigheden zal helpen. Daardoor heeft hij er belang bij de campagne op de economie te richten en op de hardnekkige werkloosheid. Thema’s van levensbeschouwelijke aard kan hij beter vermijden omdat dit ofwel de onafhankelijke kiezers ofwel de meer conservatieve van hem vervreemdt. In een aantal gevallen is de betrokken schade overigens reeds aangericht. Zo creëerde een escalerend debat over de verplichte terugbetaling van contraceptiva door de gezondheidsverzekering de indruk dat de Republikeinse partij een regelrechte ‘War on Women’ aan het voeren was. Het ging dan concreet om gezondheidsverzekeringen die katholieke organisaties als werkgevers voor hun werknemers betalen. Eveneens joegen heel wat conservatieve Republikeinen en Romney de groeiende groep van Latijns-Amerikaanse kiezers in de gordijnen door hun standpunt rond illegale immigratie voortdurend te verharden.9 De combinatie van hardere controles en een pad naar Amerikaans burgerschap die nog door George W. Bush was bepleit, maakte plaats voor een opbod over grenscontroles en deportaties. In staten zoals New Mexico, Colorado, Nevada en zelfs Arizona zou het een beslissend voordeel aan Obama kunnen geven.

HET KIESCOLLEGE EN DE

BATTLEGROUND STATES

Inderdaad, zoals eerder werd aangegeven gaat het op 6 november om verkiezingen waarin de presidentskandidaten proberen een minimum van 270 zetels te behalen in het Kiescollege. Omdat nagenoeg alle staten al hun zetels toewijzen aan de kandidaat die het meeste stemmen in hun staat wist te behalen, is het niet alleen belangrijk hoeveel stemmen een kandidaat in de VS behaalt maar ook waar deze worden behaald. In welke staten wint men en in welke niet? Voor heel wat staten kan op basis van opiniepeilingen nu reeds worden aangegeven wie er zal winnen. Voor de zogenaamde battleground states kan dit vooralsnog niet omdat het verschil er tussen de beide kandidaten te klein is om een dergelijke uitspraak te doen. In sommige gevallen valt het verschil binnen de foutenmarge van de betrokken opiniepeiling. In andere gevallen is de voorsprong van één van de kandidaten te klein om als definitief verworven te kunnen worden beschouwd. Vandaag levert dit een situatie op van twintig battleground states waardoor noch Obama, noch Romney zeker kunnen zijn aan de vereiste 270 zetels in het Kiescollege te geraken. Obama heeft momenteel 164 zekere zetels en Romney 142. De verkiezingscampagnes focussen zich derhalve op battleground states en onder hen bevinden er zich grote en kleine zoals doorgaans het geval is. Bij de grote horen Florida, Pennsylvania en Ohio. Bij de kleintjes zien we New Hampshire, New Mexico, Iowa en Nevada. Merkwaardig is dat het ons een situatie oplevert die bijna identiek is aan deze die bestond voor het faillissement van Lehman Brothers op 15 september 2008, zij het dat Arizona er dit keer wel bij is net zoals Wisconsin.

De vraag is nu hoe de belangrijkste thema’s van deze verkiezingen - economie en werkloosheid - in deze staten spelen. Op het eerste zicht is het antwoord dat het Obama een licht voordeel oplevert. In elf van de twintig staten ligt de werkloosheid lager dan het nationale gemiddelde van 8,2%. Maar als we naar de statistisch significante verschillen kijken, valt dat aantal terug op zeven: Iowa, New Hampshire, New Mexico, Pennsylvania, Minnesota, Virginia en Wisconsin. In één staat ligt de werkloosheid significant hoger dan het nationale gemiddelde (Nevada).

Als we kijken naar de evolutie in de werkloosheid - een criterium dat op het nationale niveau als beslissend wordt beschouwd voor de verkiezingsuitslag - blijkt dat er zich op jaarbasis in acht van de twintig staten een statistisch significante daling in de werkloosheid heeft voorgedaan: Florida, Iowa, Minnesota, Missouri, Nevada, North Carolina, Ohio en Wisconsin. Deze staten vertegenwoordigen 104 stemmen in het Kiescollege. In principe zou Obama in deze staten een sterke case moeten kunnen maken voor zijn economische beleid. Het zou hem vlakbij de magische 270 moeten brengen. Maar in één van die staten - Nevada - ondervond de werkloosheid een fikse stijging van 6% naar 14% tijdens het Obama-presidentschap alvorens weer te dalen tot het huidige niveau van 11,7%. Kortom, het beeld van het effect van de werkloosheid op Obama’s kansen blijft troebel, ook als we naar de battleground states kijken. Het geeft Romney alleszins de ruimte om in deze staten een case te maken voor de stelling dat hij een beter recept voor economisch herstel kan voorleggen dan Obama deed. Het is juist door te focussen op Romney’s verleden bij Bain Capital en als gouverneur van Massachusetts dat de Obama-campagne de geloofwaardigheid van die stelling tracht te ondermijnen. Dat de dreiging die van Romney uitgaat ernstig wordt genomen, blijkt alleszins uit het vroege tijdstip waarin Obama zich als zittend president expliciet tegen zijn opponent richt. Doorgaans wachten zittende presidenten daar veel langer mee om hun presidentiële aura te vrijwaren.

CONCLUSIE

De Amerikaanse presidentsverkiezingen zullen plaatsvinden tegen de achtergrond van de economische crisis en de hoge werkloosheid. In 2008 gaf die crisis een beslissende wending in het voordeel van Obama. Na bijna vier jaar presidentschap is dat dit jaar niet meer het geval. Obama krijgt nu een deel van de verantwoordelijkheid van de hardnekkig hoge werkloosheid toegeschoven, ook al blijven meer kiezers de oorzaak van de crisis bij zijn voorganger leggen. Voor Romney biedt dit een kans die weinig uitdagers van zittende presidenten krijgen. Maar om die ook in een verkiezing te kunnen omzetten, zal hij erin moeten slagen om het meest conservatieve deel van de Republikeinse kiezers naar de stembus te lokken vanuit een sterk anti-Obama gevoel. Tegelijkertijd zal hij de argumenten van de Obama-campagne moeten kunnen counteren dat zijn aanpak de VS opnieuw in het straatje zou brengen waar Bush het had gebracht. Op dit moment valt niet uit te maken wie het zal halen. Het mag in onze contreien - waar Obama nog steeds zeer populair is - misschien niet luidop gezegd worden maar een herverkiezing van deze eerste niet-blanke Amerikaanse president is verre van verzekerd.

Bart Kerremans
Hoogleraar internationale politieke economie en Amerikaanse politiek, K.U.Leuven

Noten
1/ Hier is één uitzondering op: in de eerste week van mei 2011 - de week na de dood van Osama bin Laden - steeg Obama’s approval rating één week tot 51% om daarna snel terug te vallen. Deze cijfers zijn gebaseerd op de weekgemiddelden van de Gallup Approval Ratings.
2/ Sinds de goedkeuring van de wet in maart 2010 fluctueert dit cijfer - volgens Rasmussen peilingen - bij deze groep rond de 50%.
3/ Volgens Rasmussen peilingen was ruim 20% van de onafhankelijken van oordeel dat de gezondheidshervorming prioritair moest zijn op het moment dat de besluitvorming daarover liep (het cijfer fluctueerde in deze periode tussen 14 en 22%) terwijl ruim 50% van oordeel was dat het de economie moest zijn (met een variatie tussen 43 en 56%).
4/ The Economist, May 5, 2012.
5/ Zie P.L. 111-203, in: 124 Stat. 1376-2224.
6/ Zie Executive Order 13610 (in: Federal Register, May 14, 2012, pp. 28469-28470) en Executive Order 13576 (in: Federal Register, June 16, 2011, pp. 35297-35299).
7/ Zowel Perry als Gingrich stelden een optionele flat tax voor waardoor belastingbetalers voor het oude systeem met uitzonderingen en aftrekposten zouden kunnen blijven opteren indien ze dat wensen.
8/ House Budget Committee (2012), The Path to Prosperity. A Blueprint for American Renewal, Fiscal Year 2013 Budget Resolution, Washington DC, prosperity.budget.house.gov.
9/ Opvallend is dat Romney zich hier tot een hardere positie liet drijven dan Gingrich of Santorum.

verkiezingen - Verenigde Staten - Barack Obama

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 75 tot 83