Log in

Hervorming kinderbijslagen vergt visie en inzicht

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 10 (december), pagina 41 tot 45

Met de overheveling van het kinderbijslagstelsel naar de deelstaten woedt de discussie over waar het nu naartoe moet met die miljarden euro’s in alle hevigheid. De roep om een tabula rasa is populair. Stellingen worden uit de kast gehaald, de ene al wat gegronder dan de andere. Het is voor ons duidelijk dat er dringend nood is aan meer visie en inzicht om het debat te voeren. We pleiten voor sereniteit in de debatten en tegen haast- en vliegwerk. Het huidige stelsel werkt immers naar behoren en is voor veel gezinnen (en niet alleen de allerarmsten) het verschil tussen net wel en net niet de nodige kosten kunnen maken om hun kinderen de nodige kansen te bieden. We zetten enkele argumenten op een rij, als bijdrage aan de opbouw van visie en inzicht voor een broodnodig maatschappelijke debat, wars van gemakkelijke slogans. Tussendoor zijn we zo vrij om ook enkele tips mee te geven aan hervormers in spe.

DE TWIJFEL OVER HET UNIVERSELE KARAKTER VAN DE BELGISCHE KINDERBIJSLAGEN

Critici focussen graag op een aantal uitwendige kenmerken van het stelsel om een tabula rasa te eisen. Met stip op één staat het feit dat zelfstandigen niet dezelfde bedragen ontvangen om aan te voeren dat het Belgisch systeem niet universeel zou zijn. Dat veel kinderen van zelfstandigen toch in het werknemersstelsel recht geven op kinderbijslagen (bijvoorbeeld omdat de moeder deeltijds werkt), wordt zedig verzwegen. De bedragen liggen trouwens niet meer zo heel ver meer van elkaar, en zijn soms zelfs voordeliger in het zelfstandigenstelsel. Met de zesde staatshervorming worden de laatste verschillen in uitkeringsbedragen sowieso weggewerkt. Doordat bovendien ook inactieven en andere groepen ingezeten kinderen in ons land toegang hebben tot de kinderbijslagen, met gelijkaardige bedragen en mechanismen, is ons systeem zeker universeel te noemen.

Tip nummer één:
Kijk verder dan de slogans. Als elk gezin in een gelijkaardige situatie recht heeft op een gelijkaardig bedrag, dat bovendien automatisch wordt toegekend, getuigt het van kwade wil te ontkennen dat het huidige systeem universeel is.

DE KOPPELING AAN DE WERKSITUATIE IS ZO KWAAD NOG NIET

Ons systeem van kinderbijslag is sterk gekoppeld aan arbeid, zowel wat betreft de inkomsten (bijdragen op de lonen, sociale bijdragen zelfstandigen) als wat betreft de uitbetaling (via de uitbetalingskas gekozen door de werkgever). Maar de toegang tot de kinderbijslag is universeel. Op dat vlak zijn we uniek in Europa.
De koppeling aan arbeid op het vlak van de inkomsten zorgt voor stabiliteit in het systeem: stabiliteit op het vlak van de inkomsten en op het vlak van het beheer, via autonome instellingen. Het systeem kan niet zomaar worden hervormd naargelang de richting van de politieke wind. Voor de gezinnen is stabiliteit belangrijk: zij kunnen erop rekenen dat zij elke maand op een vaste dag het bedrag ontvangen waar ze recht op hebben.
Zelfs na de overheveling naar de Gemeenschappen zal de link met de inkomsten behouden blijven: er wordt immers niet geraakt aan de sociale zekerheidsbijdragen. Deze blijvende inkomstenstroom is meteen ook de beste garantie dat de kinderbijslagen, zelfs in economisch onzekere tijden, een stabiele basis hebben.

Tip nummer twee:
Ook al wordt de kinderbijslag overgeheveld naar de Gemeenschappen, de band met de sociale zekerheidsbijdragen blijft onrechtstreeks bestaan via de federale dotatie. Betrek in ieder geval de (indirecte) financiers van het systeem, namelijk de sociale partners. En laat het beheer gebeuren door autonome instellingen, voldoende onafhankelijk van directe politieke inmenging.

KINDERBIJSLAGEN EN DE STRIJD TEGEN KINDERARMOEDE

Het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) hield het kinderbijslagstelsel tegen het licht van de doelstelling van armoedereductie.1 De voornaamste conclusie: waar België vroeger bij de beste leerlingen van de klas was op het vlak van armoedebestrijding, zijn we nu een middenmoter. Dit zorgde voor heel wat oprispingen bij politici, met pleidooien voor een tabula rasa wanneer Vlaanderen bevoegd is. Nochtans leert een grondige lezing van het rapport vooral dat niet alles kommer en kwel is, als het op de financiële ondersteuning van gezinnen en kinderen aankomt.

Tip nummer drie:
Alles kan beter, ook de kinderbijslag, die - zoals het CSB-rapport ook aantoont - te weinig het armoederisico vermindert, maar het stelsel functioneert voor veel gezinnen naar behoren en een tabula rasa is niet aan de orde.

De voornaamste vaststelling uit het CSB-rapport, die merkwaardig genoeg onderbelicht bleef, is de erosie van de uitkeringen doordat ze niet welvaartsvast zijn. Als de kinderbijslaguitkeringen in het verleden de stijging van de welvaart hadden gevolgd, dan zouden ze tussen de 14 en 31% hoger liggen dan vandaag. Een opwaardering van de kinderbijslagbedragen in lijn met de economische groei zou hebben geleid tot een significant lager niveau van kinderarmoede: een verlaging met 20% zowel van de kinderarmoede als van de armoede bij eenoudergezinnen! Daarmee had België de aansluiting kunnen behouden met de best presterende landen in Europa, concluderen de onderzoekers.
Pikant detail: in het kader van de zesde staatshervorming zal de kinderbijslag worden overgedragen naar de Gemeenschappen, maar de overgedragen middelen zullen niet evolueren met de stijging van het BBP (de welvaart), enkel volgens de consumptieprijzenindex en de groei van de bevolking van 0 tot en met 18 jaar.

Tip nummer vier:
Wil je de kinderbijslag performant houden in termen van zowel kostencompensatie als van armoedevermindering, dan is een koppeling van de kinderbijslaguitkeringen aan de welvaart een absolute must. De ontvangende Gemeenschappen houden daar best rekening mee, anders zal het stelsel verder eroderen.

Blijft natuurlijk de vraag of we het stelsel niet grondig moeten aanpassen door het selectiever te maken ten gunste van de lagere inkomens. Meteen wordt dan verwezen naar de gezinnen in armoede.
Een bijzonderheid van ons stelsel zijn de sociale toeslagen voor kinderen van langdurig werklozen, invaliden of gepensioneerden met een beperkt gezinsinkomen. Ook voor alleenstaande ouders is er een toeslag. Het CSB-rapport toont aan dat de sociale toeslagen geconcentreerd zijn bij de laagste inkomens en dus doelmatig worden besteed: 85% komt terecht bij de drie laagste inkomensdecielen. Toch is de impact beperkt in termen van armoedevermindering: 60% van de gezinnen met kinderen die recht hebben op sociale toeslagen leven nog steeds in bestaansonzekerheid.
De grote pleitbezorgers van meer selectiviteit ten voordele van de gezinnen in armoede, richten zich in de eerste plaats naar die gezinnen onder de armoedegrens. Veel kwetsbare gezinnen, die tegen die armoedegrens aanleunen, krijgen nu met de toeslagen een klein beetje zuurstof (maar niet genoeg). Wie deze toeslagen afschaft omdat gezinnen niet arm genoeg zijn, brengt ze in één slag dichter bij de armoede.

Tip nummer vijf:
Wil je iets doen aan armoedebestrijding, maak dan werk van steviger sociale toeslagen. Verruim desnoods de doelgroepen. In Vlaanderen kunnen hiervoor alvast de middelen voorzien voor de Kindpremie worden aangewend.

Het universele karakter wordt ook bedreigd door pleidooien om de uitkeringen af te schaffen voor gezinnen met een hoog inkomen (‘Waarom moet de minister-president evenveel ontvangen als zijn poetsvrouw?’). Afstappen van de universele benadering kan grote gevolgen hebben. Doordat iedereen nu bijdraagt op zijn of haar loon, is een zekere wederkerigheid aangewezen. Anders hol je het solidariteitsprincipe uit. Een kinderbijslagstelsel dat vooral in het teken staat van armoedebestrijding, zal ook een kleiner draagvlak hebben en kwetsbaarder blijken - in tijden van besparingen - dan een stelsel waar alle ouders met kinderen iets aan hebben. Dat zie je elders in Europa, waar besparingen gebeuren op de kap van de gezinnen.
Een betere benadering om de herverdeling rechtvaardig te organiseren is, gaat via de fiscaliteit: voeg de uitkering toe bij het belastbaar inkomen. Dit is natuurlijk delicaat in het licht van de bevoegdheidsverdelingen in ons land. Een dergelijke ingreep vergt ook een grondig debat over de verdeling van de belastingdruk in ons land, onder meer over de eerlijke fiscale bijdrage van álle inkomenselementen.

Tip nummer zes (een dooddoener, maar o zo waar):
Een stelsel uitsluitend voor de armen riskeert een arm stelsel te worden.

WE HEBBEN EEN TOEKOMSTGERICHT GEZINSBELEID NODIG

Dit dreigt de grootste dooddoener te worden voor het stelsel van de kinderbijslagen. Met de zesde staatshervorming komt er immers een pak geld over naar Vlaanderen. De vraag wordt luidop gesteld of de middelen niet beter (deels) worden gebruikt om de voorzieningen van het Vlaams gezins- en kindbeleid te betalen.
Een gezinsbeleid bestaat inderdaad uit veel meer dan enkel financiële voordelen voor gezinnen. Maar financiële tegemoetkomingen en de organisatie van de solidariteit, tussen de kindarme en de kindrijke gezinnen en tussen gezinnen met een grotere en kleinere financiële draagkracht, zijn wel essentieel. Daarbij komt dat in tijden van onzekerheid op de arbeidsmarkt, de zekerheid van de kinderbijslag voor veel gezinnen een rots in de branding betekent, niet enkel voor de meest kwetsbare gezinnen. Hiermee spelen is misdadig.
Waarmee we helemaal niet ontkennen dat het debat in elk geval in de breedte gevoerd moet worden: kinderbijslag is maar één van de middelen die in ons land worden ingezet om kosten eigen aan de opvoeding van kinderen te compenseren (€ 4,78 miljard in 2007). Fiscaliteit is een ander middel. Het rapport van het CSB toont echter aan dat de fiscale kortingen voor kinderen ten laste (€ 1,86 miljard) de beter verdienende gezinnen bevoordelen. Hieruit concluderen wij dat het doelmatiger is om de inkomensondersteunende maatregelen te organiseren via een systeem van universele kinderbijslagen met sociale correcties.
Ten slotte heeft een gezinsbeleid, dat gericht is op gelijke kansen voor elk kind, ook aandacht voor andere ondersteuningsdimensies: maximumfacturen en schooltoelagen in het onderwijs, betaalbare kinderopvang van goede kwaliteit waar ook de meest kwetsbare gezinnen terecht kunnen, een ruim toegankelijk aanbod aan buitenschoolse activiteiten, een stevig aanbod van eerstelijnszorg en gezinsondersteuning, een aangepast ondersteuningsaanbod voor de opvang of verzorging van personen met een handicap, … Het is weinig zinvol of efficiënt om al deze zaken te vervangen door een hoger bedrag van kinderbijslag. Het is wel zinvol en efficiënt om hier maatschappelijk verder op in te zetten.

Tip nummer zeven:
Laat de kinderbijslag blijven wat het is: een systeem om de financiële solidariteit met en tussen gezinnen te organiseren en die gezinnen ondersteunt om een aantal basiszaken te bieden aan hun kinderen: een thuis, eten, warmte, speelmogelijkheden, kleren, ...
Organiseer daarnaast een ruim aanbod aan ondersteuning voor gezinnen door een kwalitatief en toereikend aanbod aan voorzieningen, voor allen toegankelijk, onder meer door een beperking van de kostprijs. En waar nodig, een aanvullend en specifiek aanbod.

UITGELEIDE: BEZINT EER GE BEGINT

We riepen op om niet in slogans te spreken en te denken. Soms haalden wij er zelf uit de kast, zoals ook de titel boven deze paragraaf. Zeggen wij nu dat er helemaal niets aan het stelsel van de kinderbijslagen moet worden veranderd? Neen, wel integendeel!

Uiteraard is een debat nodig over de complexiteit van het stelsel. Maar die complexiteit mag ook niet gedramatiseerd worden en de gezinnen voelen daar doorgaans niet zoveel van, mede door het performant systeem van toekenning en uitbetaling.
Gezinnen worden complexer en het kinderbijslagstelsel heeft zich eraan aangepast, maar het is work in progress, dat in de toekomst moet worden verdergezet, uitgaande van nieuwe realiteiten.
Ook zal opnieuw het debat over de rang van de kinderen worden gevoerd, daar maken wij ons geen illusies over. Het rechtvaardigheids- en het doelmatigheidsvraagstuk zal hier zeker om de hoek komen kijken. We nemen graag deel aan deze discussie.
En ja, de selectiviteit kan beter, vooral naar de laagste inkomensgroepen. In dit debat willen we alvast aanvoeren dat de kinderen in het gezin in geen geval het kind van de rekening mogen worden. Zij treffen geen schuld aan de sociaaleconomische positie van hun ouders (bijvoorbeeld in werkarme gezinnen). We vragen dus een eerlijke discussie hierover.

Waar we voor pleiten, is het behoud van een voldoende onafhankelijk systeem, waar de betrokken stakeholders samen de middelen en de doelstellingen van het stelsel beheren, zonder rechtstreekse politieke inmenging. We pleiten, tussen de lijnen door, ook voor voldoende zekerheid en continuïteit. Want het is niet omdat het stelsel voor verbetering vatbaar is, vooral voor de meest kwetsbare gezinnen, dat het stelsel niet performant zou zijn. Ons pleidooi is er ook één voor een sterk universeel systeem, met stevige sociale toeslagen om kinderen in meer kwetsbare gezinnen de gepaste sociale bescherming te bieden. Tot slot: een maatschappelijk debat is nodig, gestoeld op voldoende inzicht en visie, wars van slogans en met oog voor het ruimere plaatje. De gezinnen zullen er wel bij varen!

Françoise Vermeersch en Jean-Marie De Baene
Vlaams ABVV

Noot
1/ Cantillon B., Van Lancker W., Goedemé T., Verbist G., Salanauskaite L. (2012). Kinderbijslagen en armoede: kan de zesde staatshervorming het immobilisme doorbreken?, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen, Antwerpen.

kinderbijslag - staatshervorming - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 10 (december), pagina 41 tot 45