Log in

Een billijke fiscale bijdrage van de vermogens in België

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 50 tot 57

WIE BEZIT WELK VERMOGEN IN BELGIË? EEN GOED BEWAARD GEHEIM

Wanneer naar de mogelijkheden van een meer billijke fiscaliteit op vermogenswinsten gekeken wordt, zetten de tegenstanders hiervan zich schrap. Zo wordt vaak beweerd dat vermogens al hoog belast worden in België. In een andere bijdrage hebben wij al aangetoond dat vermogens, gemeten naar omvang en niet naar percentage van het BBP, in België helemaal niet zwaar belast worden.1 Een belangrijke factor daarbij is de grote omvang van de Belgische vermogens. Het roept de vraag op hoe die grote vermogens zijn kunnen ontstaan in het door bepaalde kringen als een fiscale hel afgeschilderde België. Ook uit andere bronnen, zoals het jaarlijkse rapport van Allianz2, blijkt dat het gemiddelde Belgische vermogen omvangrijk is (volgens dat rapport het hoogste van de EU).
Eind vorig jaar publiceerde de OESO een studie3 die ons heel wat leerde over hoe vermogenswinsten relatief ontzien worden in België, vergeleken met andere OESO-landen. Maar wanneer op dit vlak maatregelen worden voorgesteld, wordt vaak geschermd met de kleine spaarder. Die fameuze hardwerkende spaarder die, na al zwaar te zijn belast, toch een centje opzij gezet heeft, zou voor de zoveelste maal geviseerd worden. Het probleem is dat we over de verdeling van gezinsvermogens heel weinig weten. En dus niet eens weten of die grote groep van kleine spaarders met een korfje van deposito’s, kasbons, obligaties, beleggingsfondsen en aandelen, wel bestaat.

In een artikel in het tijdschrift van de Nationale Bank van België4 wordt een poging gedaan om in kaart te brengen hoe de gezinsvermogens in België zijn samengesteld en hoe die over de gezinnen verdeeld zijn. Men baseert zich daarbij op de gegevens van de Household Finance and Consumption Survey5 (HFCS), in 2010 voor het eerst uitgevoerd in opdracht van de Europese Centrale Bank. Binnen de eurozone werd een representatieve steekproef van ruim 60.000 gezinnen, waaronder 2364 uit België, via een enquête bevraagd. Deze data geven ons niet alleen informatie over de samenstelling en de verdeling van de gezinsvermogens in ons land, maar zetten die ook in perspectief ten aanzien van de andere eurolanden. Het doel van deze enquête is nochtans niet het in kaart brengen van de gezinsvermogens in de verschillende lidstaten, maar wel om gegevens aan te reiken om het monetaire beleid te optimaliseren en de financiële stabiliteit beter te garanderen.

Grafiek 1: Mediaanwaarde netto vermogen Eurolanden in euro (2010).

HOEVEEL VERMOGEN BEZITTEN DE BELGEN?

Uit de resultaten van de HFCS6 leren we dat de mediaanwaarde voor het netto vermogen van Belgische gezinnen, die uitdrukt wat een gemiddeld gezin bezit, 206.200 euro bedraagt. Dat is binnen de eurozone een hoog cijfer. België moet enkel de kleine staten Luxemburg, Cyprus en Malta laten voorgaan.

Dat het netto vermogen van de gezinnen hoog ligt is een goede zaak, al blijkt uit de ranglijst dat de landen die hoog scoren niet altijd garant staan voor sterke economische prestaties. Veel heeft te maken met de samenstelling van dat vermogen, en daarom is het nodig dit ook nader te bekijken.

Reële activa

Van de Belgische gezinnen beschikt 89,8% over reële activa zoals (eigen en andere) woningen, auto’s, waardevolle voorwerpen (juwelen e.d.) of een zelfstandige zaak. Dit is een gemiddeld cijfer binnen de eurozone (alleen Duitsland, Finland en Oostenrijk scoren duidelijk lager). Voor het bezit van een eigen woning haalt België een cijfer boven het gemiddelde van de eurozone (69,6%) en hoger dan buurlanden Duitsland, Frankrijk, Nederland en zelfs Luxemburg. Met een mediaanwaarde van 250.000 euro blijkt die woning alleen in Luxemburg meer waard. Slechts 16,4% heeft ander vastgoed (al is dat enkel in Luxemburg en Cyprus meer waard) en opvallend: slechts 6,6% heeft een vermogen uit een zelfstandige zaak, waarbij enkel Luxemburg en Nederland lager scoren.

Financiële activa

Bijna alle Belgen beschikken over deposito’s (97,7%). De mediaanwaarde bedraagt 10.000 euro. Zowel qua aantal als qua bedrag zit België boven het gemiddelde, en dat geldt ook voor beleggingsfondsen (17,6%, 20.400 euro), obligaties en kasbons (7,5%, 30.800 euro) en aanvullende pensioenen- en levensverzekeringen (43,3%, 19.900 euro). Alleen voor aandelen liggen de bedragen in België in vergelijking met de eurozone laag (5.100 euro als mediaanwaarde tegen 7.000 euro in de eurozone), al scoort ons land ook hier bovengemiddeld qua participatie (14,7% tegenover gemiddeld 10,1% in de eurozone).

De lage participatie in financiële activa buiten deposito’s blijkt een fenomeen dat zich in de gehele eurozone voordoet. Financieel vermogen in de vorm van beleggingsfondsen, aandelen, obligaties en kasbons concentreert zich blijkbaar bij een beperkte groep. Alleen de aanvullende pensioenen- en levensverzekeringen zijn wat ruimer verspreid (33 % in de eurozone, 49,8% bij koploper Nederland).

HOE IS DAT VERMOGEN VERDEELD?

Verdeling van onroerend vermogen

Uit het voorgaande blijkt dat het onroerend vermogen, en meer bepaald het bezit van een eigen huis, in belangrijke mate het gezinsvermogen bepaalt. Hoewel het bezit van een eigen woning in België met 69,6 % wijd verspreid is, blijkt dit niet voor alle inkomenscategorieën te gelden. In het laagste inkomenskwintiel (de 20% huishoudens met het laagste inkomen) bezit in ons land slechts 45% een eigen woning, wat lager ligt dan het gemiddelde in de eurozone. Voor de andere inkomenskwintielen ligt het Belgische cijfer duidelijke hoger dan het Europese gemiddelde. Voor een belangrijk deel van de laagste inkomens is het bezit van een eigen woning duidelijk niet weggelegd.

Dit is vooral een belangrijk signaal naar het woonbeleid, inclusief het fiscale luik daarvan (de woonbonus). Het roept nog eens de vraag op in welke mate we met dat huidig beleid de doelstelling om het bezit van een eigen woning te promoten halen, en of we niet huishoudens die sowieso al een woning zouden bezitten subsidiëren en onderwijl de prijzen opdrijven.7 Slechts 16,4% van de Belgische huishoudens bezit vastgoed buiten de eigen woning, en dat is binnen de eurozone een laag cijfer. Fiscaal treffen bijdragen op onroerend vermogen buiten de eigen woning dus maar een beperkt deel van de Belgen, en dat is geen verrassing.

Verdeling van roerend vermogen

Bij de financiële activa is het bezit van deposito’s quasi algemeen verspreid met 97,7%. Ook aanvullende pensioenen- en levensverzekeringen hebben vrij breed ingang gevonden (43,3%), maar andere financiële activa blijken bij de meesten te ontbreken. Gemeten per inkomenskwintiel blijken de verschillen groot bij de aanvullende pensioenen- en levensverzekeringen (van minder dan 20% in het laagste, tot ruim 60% in het hoogste kwintiel). Obligaties en kasbons scoren in geen enkel kwintiel boven de 10%, aandelen en beleggingsfondsen zijn in het hoogste inkomenskwintiel bij ongeveer een kwart van de huishoudens aanwezig. De vrijstelling van roerende voorheffing tot een bepaald niveau op rente-inkomsten uit spaarboekjes verklaart ongetwijfeld grotendeels de geobserveerde verdeling van het financiële vermogen. Men kan zich de vraag stellen of dit soort fiscale stimulus nog verantwoord is omdat het mensen fiscaal ontraadt om hun spaargeld op langere termijnen te beleggen, bijvoorbeeld als vorm van aanvullende pensioenvorming.

De aanwezigheid van bepaalde vormen van financiële activa in een bepaald inkomenskwintiel is een zaak, de waarde van die activa een andere. De mediaanwaarde van de financiële activa in België is 26.500 euro, ruim boven het gemiddelde van de eurozone waarbij we alleen Nederland (door de aanvullende pensioenen) en het rijke Luxemburg moeten laten voorgaan. En de verschillen zijn groot naargelang het inkomen van de gezinnen.

In het NBB-artikel wordt de opsplitsing gemaakt naargelang het inkomen van de gezinnen in België. De mediaanwaarde van de financiële activa bij het laagste inkomenskwintiel bedraagt slechts 4.000 euro, terwijl dat bij het hoogste 74.000 euro bedraagt. Deze verschillen zijn groot, maar de auteur merkt terecht op dat gespaarde inkomens de neiging hebben te accumuleren tot vermogens over de generaties heen. Als men de Belgische gezinnen opdeelt volgens vermogensprofiel i.p.v. inkomensprofiel is de ongelijkheid nog veel scherper. De mediaan bij het hoogste vermogenskwintiel blijkt ruim 200.000 euro te zijn.

Op Grafiek 2, afkomstig uit het artikel, kunnen we de verdeling van de financiële activa volgens vermogensprofiel (ingedeeld in decielen) vergelijken met een aantal buurlanden en het gemiddelde van de eurozone. De decielen met het laagste vermogen beschikken over even weinig vermogen als die van de andere eurolanden. De middelste decielen scoren ruim boven het gemiddelde van de eurozone en ook boven de buurlanden behalve Nederland. In het op een na hoogste deciel wordt Nederland bijgehaald, in het hoogste torent het hoogste vermogensdeciel in België uit boven de vergelijkbare categorieën in de buurlanden en de eurozone in het algemeen. Deze grafiek toont treffend aan hoe het financiële vermogen in ons land sterk geconcentreerd zit bij een beperkte groep.

Grafiek 2: Verdeling financiële activa in aantal eurolanden volgens vermogensdeciel in euro, 2010 (grafiek NBB8).

EEN MERKWAARDIG BONDGENOOTSCHAP

Gegevens over de vermogensverdeling in België zijn schaars. Wanneer voorstellen gedaan worden om het fiscaal stelsel te hervormen, kan er gemakkelijk geschermd worden met categorieën als hardwerkende Vlamingen, kleine spaarders, zuurverdiende appeltjes voor de dorst e.d. Meestal gebruikt men die categorieën om voorstellen waarbij meer bijdragen gevraagd worden aan andere inkomsten dan die uit arbeid onderuit te halen. De gegevens van deze enquête, die binnen de gehele eurozone is afgenomen, kunnen ons een en ander leren over de implicaties van fiscale maatregelen voor verschillende inkomens- en vermogensgroepen.
We zien in de cijfers wel een verschil in België tussen de globale verdeling van vermogens en die van financiële vermogens. Doordat het bezit van een eigen woning wijd verspreid is, en die woningen relatief hoog gewaardeerd worden, is de verhouding tussen het vermogen van het 50ste en het 90ste percentiel (dat van een ‘typisch’ gezin en dat van een ‘typisch vermogend’ gezin) in België gelijk aan dat van de eurozone (8,8). Maar kijken we naar het financiële vermogen, dan zien we dat het hoogste deciel in België veel meer bezit dan in andere landen van de eurozone.

Beide factoren samen maken dat er een soort politiek bondgenootschap kan ontstaan. Ons land kent een belangrijke groep zeer vermogende gezinnen die in vergelijking met andere gezinnen fiscaal relatief ontzien wordt. Wanneer maatregelen worden voorgesteld om de vermogens in België mee te laten bijdragen, vinden de tegenstanders hiervan gemakkelijk bondgenoten bij de middenklasse. Vele Belgen beschikken over een eigen woning, en bijna iedereen beschikt over deposito’s. Het is gemakkelijk om op dat moment mensen angst aan te jagen dat ze meer belastingen op hun ‘vermogen’ (hoe bescheiden ook) zullen moeten betalen.

Veel moeilijker is het om uit te leggen dat inkomsten uit arbeid fiscaal relatief veel meer bijdragen, en dat inkomsten uit vermogen bovendien ongelijker verdeeld zijn. Een verlaging van de patronale bijdragen betekent minder inkomsten voor de sociale zekerheid (en meer voor de werkgevers). De ‘gewone Belg’ krijgt minder waar voor zijn geld, tenzij dit gecompenseerd wordt met andere inkomsten.

En dan zijn belastingen op vermogenswinsten, zeker mits een ingebouwde progressiviteit via bijvoorbeeld vrijstellingen tot een bepaald bedrag, een rechtvaardige vorm van belastingen, die er voor zorgen dat de sterkste schouders inderdaad de zwaarste lasten zouden dragen en dat inkomens billijker bijdragen, ongeacht de oorsprong van dat inkomen.

Daar hebben de vele Belgen met bescheiden onroerende en roerende activa alle belang bij. Met name financiële activa zijn veel ongelijker verspreid dan inkomens uit arbeid, waardoor een billijker bijdrage van inkomsten uit vermogen vooral de hoogste vermogensdecielen zal doen bijdragen. M.a.w., degenen die het meest bezitten. De zogenaamde kleine spaarder hoeft hier helemaal geen schrik van te hebben. Doordat de grote spaarder wordt aangesproken, kan de druk op andere inkomens, die bij de zogenaamde kleine spaarder veel zwaarder doorwegen, verlichten.

WAT BETEKENT DIT VOOR ONZE FISCALITEIT?

Naar een actualisering van het kadastraal inkomen en naar een gemoderniseerd woonbeleid

Een groot deel van de Belgische gezinnen bezit een eigen woning, maar de laagste inkomens vallen toch uit de boot. Het bezit van extra vastgoed is veel beperkter (16,4% volgens deze enquête). Deze vaststellingen ondersteunen twee voorstellen van Metis. Ten eerste, pas het kadastraal inkomen, dat nog gebaseerd is op de situatie op de huurmarkt anno 1975, eindelijk aan. Het onroerend inkomen van de eigen woning is vrijgesteld in de personenbelasting, en het aantal gezinnen dat naast de eigen woning extra vastgoed bezit is beperkt. Nog beter ware het om de reële huurinkomens te belasten, waarbij er in kan worden voorzien om bewezen onderhoudskosten in mindering te brengen van de belastbare basis. Ten tweede, herzie de woonfiscaliteit en voorzie in een graduele afbouw van de woonbonus, overeenkomstig het advies van de Vlaamse WoonRaad. Voor de laagste inkomensgroepen blijft het immers moeilijk een eigen woning te verwerven. Met de vrijgekomen middelen kan een gerichter woonbeleid worden gevoerd.

Naar een billijke bijdrage van financiële vermogens

De financiële activa blijken erg ongelijk verdeeld en zitten dus geconcentreerd bij een beperkte groep. Daarop bestaat een uitzondering. Zowat alle gezinnen beschikken over deposito’s. Deze vallen onder de fiscale vrijstelling van de interesten (in 2013 tot 1.880 euro) op de spaarboekjes. We mogen veronderstellen dat de deposito’s van de armste inkomensgroepen aan de roerende voorheffing ontsnappen.

De aanvullende pensioenen- en levensverzekeringen zijn in België populair, maar vinden we toch vooral terug bij de hogere inkomens (ruim 60% in het hoogste inkomenskwintiel, minder dan 20% in het laagste). Beide producten worden fiscaal ondersteund, en ook hier blijkt dat dit vooral de hogere inkomens ten goede komt.9

Het tarief voor de inkomsten van roerende goederen en kapitalen is opgetrokken tot 25%. Daarop bestaan een aantal uitzonderingen, zoals de interesten op spaarboekjes boven 1.880 euro, de zogenaamde Letermebons en de dividenden van residentiële vastgoedbevaks. Inkomsten uit beleggingsverzekeringen blijven onbelast. België kent ook geen belasting op de meerwaarde van aandelen of onroerend goed. Dit alles maakt dat wie van inkomsten uit vermogen geniet veel minder bijdraagt dan wie van eenzelfde bedrag moet leven maar dan verdiend via arbeid, waarvoor een progressieve tarifering geldt.

Het is dan ook hoog tijd dat vermogensinkomsten een rechtvaardige bijdrage leveren. Via een belastingvrije som en eventueel oplopende tarieven kan hier ook progressiviteit ingebouwd worden. Om die rechtvaardige bijdrage te kunnen innen is het absoluut noodzakelijk om zicht te hebben op alle vormen van kapitaalinkomens. Dit maakt een opheffing van het bankgeheim en een sluitend vermogensregister onontbeerlijk. De data uit de HFCS-enquête leren ons heel wat over de verdeling van de vermogens in België. Maar eigenlijk zou de overheid over deze gegevens moeten beschikken, zoals ze ook de inkomsten uit lonen kent.

CONCLUSIE

De verdeling van vermogens over de gezinnen is in België moeilijk te achterhalen. Sommigen verzetten zich met hand en tand tegen elke vorm van vermogensregister. Het zijn vaak diezelfden die dan in naam van de kleine spaarder ten strijde trekken tegen alle voorstellen om vermogensinkomsten een meer rechtvaardige bijdrage te laten leveren voor het functioneren van onze samenleving en het behoud en de versterking van onze sociale welvaartsstaat.

Die bijdrage is nochtans nodig om de fiscale en parafiscale druk op arbeid te verlichten. Metis stelt dan ook een dubbele verschuiving voor.10 De eerste dient om de fiscaliteit van arbeid te verlagen door ze te verschuiven naar andere types, met name vermogen. De tweede moet er voor zorgen dat binnen de uitgaven van de overheid meer nadruk wordt gelegd op bestedingen die het groeipotentieel van de economie moeten ondersteunen zoals onderzoek en ontwikkeling (R&D), onderwijs en publieke investeringen.

De cijfers waarover we beschikken leren dat de omvang van de vermogens in België internationaal gezien zeer groot is, dat de fiscale druk op die vermogens gering is en dat met name de financiële vermogens zeer ongelijk verdeeld zijn. In het licht van deze cijfers is alle kritiek op de fiscale verschuiving van arbeid naar kapitaal futiel. En wie ten strijde trekt tegen die billijker bijdrage van vermogens, trekt ten strijde voor een beperkte vermogende klasse van Belgen en tegen de belangen van de meerderheid van onze landgenoten.

Nico Pattyn
Verbonden aan Metis Instituut
www.metisinstitute.be

Noten
1/ Metis, Zijn er marges voor heffingen op kapitaal en op kapitaalinkomens?, 21 juni 2013.
2/ Allianz, Allianz Wealth Report 2013.
3/ OESO, Taxation Working Papers No. 19, Taxation of Dividend, Interest and Capital Gain Income, 7 november 2013, 56 p.
4/ Du Caju, Philip: Structuur en verdeling van het gezinsvermogen: een analyse op basis van de HFCS, in Economisch Tijdschrift NBB, september 2013, pp. 41-63.
5/ ECB, Statistics Papers Series No 2, The Eurosystem Household Finance and Consumption Survey. Results from the First Wave, april 2013, 114 p.
6/ ECB, Statistics Papers Series, The Eurosystem Household Finance and Consumption Survey. Statistical Tables, april 2013, 40 p.
7/ De Decker, P., Afbouw woonbonus: nu of nooit. Samenleving en politiek, jaargang 21, januari 2014, pp. 64-75.
8/ Du Caju, Philip: Structuur en verdeling van het gezinsvermogen: een analyse op basis van de HFCS, in Economisch Tijdschrift NBB, september 2013, p. 52.
9/ Zie ook Decoster, André: Vrijdenken over een belastinghervorming, De Gids op maatschappelijk gebied, jaargang 104, 4, april 2013, p. 15.
10/ Metis, Het Rijnlandmodel heractiveren, 2013, p. 14.

fiscaliteit - vermogensbelasting - belastingstelsel

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 50 tot 57