Log in

Wat kunnen sociaaldemocraten van Piketty leren?

boekessay

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 74 tot 82

Thomas Piketty schreef een mooi, ‘groot’ verhaal. De praktische les voor sociaaldemocraten is te streven naar een evenwichtiger vermogensverdeling zonder de groei te remmen: meer huizenbezit zonder schulden, minder pensioenaftrek aan de top en delen in de winst door werknemers.1

Capital in the Twenty-First Century van de Franse econoom Thomas Piketty heeft een schokgolf onder de economen teweeggebracht. Een enkeling heeft het boek al begroet als het belangrijkste economische werk sinds Marx’ Das Kapital. Niet alleen de titel geeft hiertoe aanleiding, maar ook de breedte en diepgravendheid van Piketty’s analyse. In een tijd waarin de grote verhalen heten te hebben afgedaan omdat de wereld van vandaag te complex is om in enkele simpele formules te vangen, is dat precies wat Piketty doet.

De essentie van zijn boek is samen te vatten in drie elementaire formules: a = r x b, b = s/g en r \> g. Vooral de laatste ongelijkheid zoemde de afgelopen maanden door de economenwereld alsof het de formule voor de heilige graal betrof. The Huffington Post vergeleek haar zelfs met Einsteins E = mc2.2 We hoeven er maar op te wachten tot deze formule binnenkort op hippe T-shirts verschijnt!

De analyse van het moderne kapitalisme reduceren tot drie simpele formules, die ook aan niet-economen vrij eenvoudig zijn uit te leggen, dat lijkt een onmogelijke opgave. Veel economen die de loftrompet over Piketty’s boek hebben gestoken, leken zich ook vertwijfeld af te vragen waarom zij niet zelf op dat idee waren gekomen. Iets werkelijk nieuws bevatten de formules ook niet.

DRIE SIMPELE FORMULES

a = r x b is een bekende identiteit die zegt dat het aandeel van vermogensinkomsten in het nationaal inkomen (a) gelijk is aan het rendement op vermogen (r) maal de omvang van het vermogen ten opzichte van het nationaal inkomen, oftewel de vermogen-inkomensverhouding (b).3 Stel dat het totale vermogen zesmaal het nationaal inkomen bedraagt en het rendement op vermogen is 5%, dan zijn de vermogensinkomsten 6 x 5% = 30% van het nationaal inkomen. Dan blijft er dus 70% over voor de beloning van arbeid.

De tweede formule, b = s/g, stelt dat de vermogen-inkomensverhouding op den duur tendeert naar de verhouding tussen de spaarquote s en de groeivoet van het nationaal inkomen g. Als de spaarquote 10% bedraagt, dat wil zeggen dat van iedere euro gemiddeld 10 cent wordt gespaard, terwijl de groeivoet van het nationaal inkomen 2% bedraagt, dan zal het totale vermogen uiteindelijk vijfmaal het nationaal inkomen worden. Ook dit is eenvoudig te begrijpen. De vermogen-inkomensverhouding is immers stabiel als zij gelijk is aan de verhouding tussen de groei van het vermogen en de groei van het inkomen. Het vermogen groeit ieder jaar aan met de spaarquotes,4 terwijl het totale inkomen met g groeit. Als de jaarlijkse vermogensaanwas vijfmaal zo groot is als de groei van het inkomen, zal het vermogen op termijn ook vijf keer zo groot worden als het nationaal inkomen.

De laatste formule r \> g is geen logische wetmatigheid, maar een op empirisch onderzoek gebaseerde verwachting van Piketty: het rendement op vermogen, r, is hoger dan de groei van het nationaal inkomen, g. Het logische gevolg hiervan is dat vermogens in het algemeen sneller groeien dan het totale inkomen en dus ook dan arbeidsinkomens. Oftewel, in alledaags Nederlands, de vermogenden worden steeds rijker ten opzichte van andere inkomenstrekkers. Omdat vermogen erg ongelijk verdeeld is over de bevolking, leidt deze relatief sterke vermogensgroei tot een steeds grotere concentratie van vermogen bij een klein deel van de bevolking.

PUZZEL

Het knappe van Piketty’s analyse is dat hij deze formules illustreert aan en onderbouwt met een indrukwekkende reeks cijfers over inkomens, vermogens en de verdeling van beide over een lange periode. Hoewel de titel van zijn boek anders doet vermoeden, gaat het voornamelijk over de ontwikkeling in de 19de en de 20ste eeuw. Inclusief zijn vooruitblik op de komende decennia omspant zijn werk daarmee liefst drie eeuwen. Dat alleen al mag een grootse prestatie heten.

Heel kort samengevat luidt Piketty’s geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen dat zowel de omvang als de concentratie van vermogen en het aandeel van vermogensinkomsten in het nationaal inkomen een U-vormig verloop tonen. Daardoor zijn de westerse landen momenteel op weg naar een situatie waarin het vermogen net zo omvangrijk is (in verhouding tot het nationaal inkomen) en net zo sterk geconcentreerd als in de 19de eeuw.

Het midden van de 20ste - pakweg de periode tussen de Eerste Wereldoorlog en de jaren 1970 - kenmerkte zich juist door een veel kleinere hoeveelheid vermogen, een grotere spreiding daarvan over de bevolking en een kleiner aandeel van vermogensinkomsten. Dat die drie ontwikkelingen min of meer gelijk opgingen, is geen toeval. Integendeel, op grond van zijn elementaire formules verwacht Piketty juist dat omvang en concentratie van vermogen en het aandeel van vermogensinkomsten zich steeds in dezelfde richting bewegen. Immers, de vermogen-inkomensverhouding groeit als het rendement op vermogen hoger is dan de groei van het arbeidsinkomen en door dat hoge rendement groeit het vermogen van degenen die al veel vermogen hebben het snelst.

De belangrijkste puzzel die Piketty moet oplossen, is dus waarom het vermogen gedurende enkele decennia in de vorige eeuw terrein moest prijsgeven. Die ontwikkeling verklaart tevens waarom het vermogen steeds meer uit de belangstelling van economen en politici is verdwenen. Vermogen leek er niet zoveel meer toe te doen. Volgens Piketty kwam dit door uitzonderlijke factoren zoals de twee wereldoorlogen, de depressie van de jaren 1930, hoge inflatie en de hoge belastingen die na de Tweede Wereldoorlog op topinkomens en vermogens werden geheven.

De beide wereldoorlogen hebben letterlijk veel kapitaal vernietigd, terwijl de depressie en hoge inflatie de waarde van financiële vermogens uitholde. Zeer hoge belastingen op topinkomens (tot boven de 90% in de VS in de jaren 1960!) remden de vorming van vermogen uit besparingen, terwijl belastingen op vermogens en erfenissen deze direct afroomden. In de jaren 1970 en 1980 is deze trend echter tot staan gekomen, doordat verwoestende oorlogen en diepe depressies in het rijke Westen uitbleven en opgebouwde vermogens grotendeels in stand bleven doordat de belasting op topinkomens en vermogens werd verlaagd.

Haast onopgemerkt naderen we daardoor weer de verhoudingen uit de 19de eeuw. Piketty constateert overigens wel een belangrijk verschil. Inmiddels is er namelijk ook een vermogende middenklasse ontstaan. Naast de 10% allerrijksten is er een groep welgestelden ontstaan, die ruwweg 40% van de bevolking omvat, die over een redelijk vermogen beschikt, vaak vooral in de vorm van een eigen woning.

INKOMENSONGELIJKHEID

De grote beweging van vermogen en inkomen over drie eeuwen schetsen en verklaren, dat lijkt inderdaad weinig minder dan de essentie van het hedendaagse kapitalisme blootleggen. Maar is dat ook werkelijk zo? Zonder iets af te doen aan de grote prestatie van Piketty, is het goed ook de beperkingen ervan te onderkennen. Die liggen mijns inziens met name op twee terreinen. Het eerste is de beperkte rol van vermogen als bron van inkomen. Het tweede betreft de veel grotere, maar door Piketty grotendeels genegeerde rol van vermogen als bron van economische macht.

In de periode waarin de omvang en de concentratie van vermogen zijn toegenomen - ruwweg sinds de jaren 1970 of 1980 - is in de meeste landen ook de inkomensongelijkheid toegenomen. Piketty suggereert dat beide ontwikkelingen verband met elkaar houden. Hij laat echter ook zien dat alleen voor de allerrijksten (de top 0,1%) vermogen de belangrijkste bron van inkomen is. Voor bijna de gehele bevolking is arbeid of een uitkering de belangrijkste inkomensbron. De toename van de inkomensongelijkheid is dan ook voor het grootste deel toe te schrijven aan de groeiende ongelijkheid van arbeidsinkomens. Dat geldt zelfs voor de meeste topinkomens (de top 1%). Het gaat daarbij immers vooral om beloningen van topbestuurders in grote ondernemingen, naast de verdiensten van topartiesten, topsporters, topadvocaten, medisch specialisten en andere ‘vrije beroepen’. Inkomen uit vermogen (zoals rente op spaargeld of dividenden) vormt van de meeste topinkomens slechts een ondergeschikt deel.

Naar die groeiende ongelijkheid van arbeidsinkomens is de afgelopen decennia al zeer veel onderzoek gedaan. Terecht bekritiseert Piketty de sterke nadruk in dat onderzoek op technologie en globalisering als verklarende factoren; die verklaren namelijk niet de sterk gestegen beloningen aan de top. Maar zelf heeft hij hierover weinig nieuws te melden. Hij schrijft de groei van topsalarissen vooral toe aan de macht van topbestuurders om hun eigen beloning vast te stellen. Dit lijkt me een terechte constatering, maar Piketty brengt deze niet in verband met zijn bredere analyse van de groeiende concentratie van vermogen, waardoor deze verklaring nogal een ad-hockarakter heeft.

VERMOGEN ALS BRON VAN ECONOMISCHE MACHT

Dat brengt mij op de tweede beperking van Piketty’s analyse: het gebrek aan aandacht voor vermogen als bron van economische macht. In dit verband is het onderscheid tussen kapitaal en vermogen van belang (zie het Kader). Dat Piketty het, ondanks de titel van zijn boek, vooral over vermogen heeft, is misschien het meest wezenlijke verschil met Marx. Bij de laatste ging het primair om kapitaal als bron van economische macht en was vermogen, in de betekenis van rijkdom, daarvan hooguit een (ondergeschikte) afgeleide. Bij Piketty staat juist vermogen als (individuele) bron van rijkdom en inkomen centraal. De vraag waaraan Piketty grotendeels voorbijgaat, en die voor Marx juist cruciaal was, is wat de gevolgen zijn van de grote concentratie van vermogen voor de machtsverhoudingen in de economie. Daardoor blijft de vraag onbeantwoord hoeveel invloed de allerrijksten van vandaag uitoefenen op het economisch bestuur en daarmee op de aard en richting van de economische ontwikkeling.

In de 19de eeuw ging de concentratie van vermogen ongetwijfeld gepaard met een samenballing van economische macht. De kapitalistische klasse van Marx bestond voor een groot deel uit ondernemers, die hun vermogen voornamelijk investeerden in fabrieken, banken, mijnen en schepen die zij zelf bestierden. Rockefeller, Carnegie, Vanderbilt en Morgan in de VS en Philips, Regout en Van Marken in Nederland waren bovenal ondernemers. Zij drukten zwaar een stempel op de economische ontwikkeling in de 19de en vroege 20ste eeuw door te investeren in nieuwe riskante activiteiten, zoals oliewinning, spoorwegen en fabricage van elektrische apparatuur. Hun houding tegenover de arbeidersklasse was medebepalend voor de sociale ontwikkeling.

Voor de superrijken van vandaag lijkt dat minder te gelden. Op de Forbes 500-lijst prijken weliswaar nog altijd heel wat ondernemers, zoals Bill Gates, Carlos Slim en de Walton-familie, maar een groot deel van de lijst bestaat uit vermogenden die hun kapitaal in een groot aantal verschillende activa hebben belegd, zoals Warren Buffett en George Soros, of die hun vermogen hebben geërfd maar geen onderneming meer leiden, zoals Liliane Bettencourt. Dit hangt samen met de scheiding tussen management en eigendom die zich in de afgelopen eeuw heeft voltrokken.

Naast de klasse van kapitaalbezitters is er een klasse van managers ontstaan die tot de best verdienenden behoort, maar doorgaans niet tot de allerrijksten in termen van vermogen. Zo laat Piketty in een eerder artikel zien dat in de VS slechts een kwart van de top 1% qua arbeidsinkomen ook tot de top 1% van kapitaalinkomens behoort.5 De werkelijke economische macht lijkt eerder bij die topmanagers te liggen dan bij de vermogenden die de aandelen in handen hebben. En voor zover het beleid van managers wordt beïnvloed door aandeelhouders, zijn dit vaak niet de vermogenden zelf, maar de vermogensbeheerders van de beleggingsmaatschappijen waarin zij hun vermogen hebben ondergebracht. Die zetten de bestuurders van grote beursgenoteerde ondernemingen soms onder druk om hun koers te wijzigen, bijvoorbeeld door onrendabele activiteiten af te stoten. Van die kant komt ook de grootste druk om voorrang te geven aan hoge rendementen op korte termijn in plaats van wat lagere, maar meer stabiele rendementen op langere termijn. Anders gezegd, de economische macht lijkt steeds meer te liggen in de financiële sector.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat vermogensbeheerders handelen in opdracht van de vermogenden zelf. Moderne beleggingsproducten zijn echter zo complex (denk aan de vele soorten derivaten) dat de meeste rijken die waarschijnlijk onvoldoende doorgronden en daarom afgaan op de adviezen van hun vermogensbeheerders. Die beheerders zullen hun meerwaarde ten opzichte van concurrenten proberen aan te tonen met hoge rendementen op korte termijn. Dit heeft enerzijds bijgedragen aan de wildgroei aan financiële producten die mede de oorzaak vormde van de kredietcrisis en heeft anderzijds bedrijven steeds meer gedwongen om zich op kortetermijnrendementen te richten. Om de economische ontwikkeling bij te sturen in meer duurzame richting, zowel uit ecologisch als uit sociaal perspectief, zou dit mechanisme moeten worden aangepakt. Het zwaarder belasten van zeer grote vermogens, zoals Piketty voorstelt, zal daaraan weinig veranderen. Integendeel, als een groter deel van de topvermogens wordt afgeroomd, zal de druk om een hoog rendement te realiseren wellicht zelfs nog toenemen.

PENSIOENVERMOGENS

Een laatste punt waarop Piketty’s analyse voor de lezer in Nederland tekortschiet - maar dat valt hem nauwelijks te verwijten - is dat hij de rol van pensioenvermogens grotendeels buiten beschouwing laat. De reden daarvoor is dat pensioenvermogens in de meeste Europese landen slechts zo’n 5% van het totale private vermogen uitmaken en zelfs in Angelsaksische landen niet meer dan 20%. In Nederland gaat het echter om meer dan een derde van het totale private vermogen, een niet te verwaarlozen bestanddeel. België behoort inzake pensioenvermogens tot de zwakke middenmoot op alle OESO-lijsten.

Hoewel pensioenvermogen voor de bezitter wezenlijk verschilt van andere vermogensbestanddelen, doordat deze er niet vrij over kan beschikken, geldt dit niet voor de beleggingskant van het vermogen. Ook via pensioenvermogens wordt potentieel een aanzienlijke invloed uitgeoefend op de economische ontwikkeling door de keuzes - opnieuw gedelegeerd aan vermogensbeheerders - ten aanzien van de belegging van het vermogen. Deze rol verdient meer aandacht dan hij tot nog toe heeft gekregen - en die Piketty geheel negeert.

Piketty heeft met zijn Capital in the Twenty-First Century een prestatie van formaat geleverd. Toch zouden we kunnen stellen dat hij nog slechts half werk heeft geleverd. Op een bewonderenswaardig simpele wijze heeft Piketty de golfbeweging in de omvang en verdeling van het vermogen over de afgelopen twee eeuwen verklaard. Aan de andere zijde van het vermogen, het productiekapitaal, is hij echter nog amper toegekomen. Om werkelijk een omvattende analyse van het hedendaagse kapitalisme te leveren, zou hij die zijde zeker ook moeten belichten. Marx’ Das Kapital werd uiteindelijk een driedelig werk, waarvan hij zelf overigens alleen het eerste deel heeft kunnen voltooien. Hopelijk zal Piketty in ieder geval nog een tweede deel aan zijn Capital toevoegen, waarin het daadwerkelijk over kapitaal en minder over vermogen gaat.

VERMOGEN AFROMEN OF OPBOUWEN?

Door de hierboven geschetste beperkingen van Capital in the Twenty-First Century is de praktische betekenis van Piketty’s werk voor sociaaldemocratische politiek op dit moment nog onduidelijk. Zijn inmiddels veelbesproken voorstel voor een, idealiter wereldomvattende, progressieve belasting op vermogen heeft nog weinig bijval gekregen, vooral omdat de uitvoerbaarheid en haalbaarheid ervan gering lijken. Meer in het algemeen geldt dat de beleidssuggesties die hij in het laatste deel van het boek doet vooral gericht zijn op herverdeling van vermogen en inkomen. Voor een sociaaldemocraat zijn dit sympathieke, maar weinig vernieuwende ideeën - al is het goed om deze nog eens nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. PvdA-leider Diederik Samsom greep de aanbevelingen van Piketty dan ook aan om zelf te pleiten voor een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar vermogens en daarbij een progressief tarief te hanteren, waardoor de zeer grote vermogens het zwaarst worden belast.6 Ook in België betekende het een sterke kapstok voor de Linkse partijen om in de voorbije verkiezingscampagne te pleiten voor een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar vermogens.

Hoewel de toekomstige trend van verder toenemende ongelijkheid en concentratie van rijkdom die Piketty voorziet alle reden geeft om herverdeling via belastingen en sociale uitkeringen weer hoog op de agenda te zetten, is het zeer de vraag of Piketty’s boek de vele tegenstanders van meer (inkomens)herverdeling - ook onder economen die Piketty’s analyse bewonderen ­- zal weten te overtuigen. In termen van zijn formule r \> g betekent een progressieve vermogensbelasting dat r voor een deel wordt afgeroomd, zodat het verschil tussen r en g kleiner wordt en vermogens minder snel groeien. Dat remt de opbouw van vermogen.

Als we naar de keerzijde van vermogen - het productiekapitaal - kijken, is het echter de vraag of dat wenselijk is. Kapitaal is als productiefactor immers een belangrijke bron van welvaart. Hoe meer kapitaal we hebben (in de vorm van machines, computers, robots, transportmiddelen etcetera), hoe minder arbeidsinspanning we ons hoeven te getroosten om een gegeven welvaartspeil te realiseren.

Het probleem is dan ook niet de omvang van het vermogen (Piketty’s vermogen-inkomensverhouding β), maar de zeer scheve verdeling daarvan over de bevolking. Voor sociaaldemocraten zou de vraag dus vooral moeten zijn hoe een meer evenwichtige vermogensverdeling kan worden gerealiseerd, zonder de groei van het vermogen te remmen. Dat is, opmerkelijk genoeg, een vraag waar sociaaldemocraten in Nederland zich sinds de discussie over de vermogensaanwasverdeling in de jaren 1970 niet meer over gebogen hebben. Ervan uitgaande dat directe onteigening (‘socialisatie’) van privaat vermogen geen optie is (omdat zij een inbreuk vormt op het particuliere eigendomsrecht), zou spreiding van vermogen vooral moeten worden nagestreefd door de opbouw van vermogen te bevorderen onder het grootste deel van de bevolking dat nu weinig of geen vermogen heeft. Dat zou op verschillende manieren kunnen.

In het verleden is dit vooral gebeurd door het eigenwoningbezit fiscaal te stimuleren. Paradoxalerwijze was dit echter vooral een stimulans om schulden te maken, waardoor een periode van dalende huizenprijzen juist in een forse toename van huishoudens met nettoschulden heeft geresulteerd, doordat hun huis ‘onder water’ staat. In dit licht bezien is het verstandig dat de Nederlandse overheid beperkingen heeft opgelegd aan de aftrekbaarheid van hypotheekrente, zodat eigenwoningbezit in de toekomst weer meer zal samengaan met vermogensopbouw.

Een tweede vorm van breed gespreide vermogensopbouw betreft pensioenvermogens. Hoewel je dit op grond van de discussies van de afgelopen jaren niet zou zeggen, onderscheidt Nederland zich hierin gunstig van de meeste andere landen. Per huishouden is er in Nederland een pensioenvermogen van circa 125.000 euro (België scoort heel wat minder goed qua pensioenvermogen). Ook zijn deze Nederlandse pensioenvermogens echter sterk geconcentreerd bij de rijkste huishoudens. Daarom zou voor de lagere en middeninkomensgroepen de fiscale stimulans voor het pensioensparen (doordat de premie kan worden afgetrokken van de inkomstenbelasting en het opgebouwde pensioenvermogen niet wordt belast) zeker moeten worden gehandhaafd, terwijl deze voor de topinkomens zou moeten worden beperkt.

Het ware wenselijk dat pensioenfondsen dan ook een actievere rol gaan spelen als vermogensverstrekkers door meer nadruk te leggen op een stabiel en duurzaam rendement op langere termijn dan op een zo hoog mogelijk kortetermijnrendement. Daarmee zouden pensioenfondsen enig tegenwicht kunnen bieden tegen het ‘gehaaste kapitaal’ van andere aandeelhouders dat ondernemingen onder druk zet om zich vooral op de korte termijn te richten.

WERKNEMERSAANDELENBEZIT

Een andere vorm van vermogensspreiding is meer omstreden. Doordat een groot deel van de vermogensopbouw plaatsvindt uit de winsten van ondernemingen (in de vorm van dividenduitkeringen en waardestijging van de aandelen), zouden vermogens ook meer gespreid kunnen worden door werknemers te laten delen in bedrijfswinsten. Deze winstdeling zou dan echter niet contant moeten worden uitgekeerd, maar in de vorm van aandelen.

Zelfs indien de verdeling van de toegevoegde waarde van de onderneming over arbeid (loon plus winstdeling) en kapitaal (aandeelhouders) gelijk zou blijven, zouden de werknemers zo geleidelijk een steeds groter deel van het kapitaalinkomen verwerven. Als werknemers medeaandeelhouder worden van hun eigen bedrijf, vervaagt geleidelijk de scheidslijn tussen werknemers en aandeelhouders. Cruciaal hierbij is wel dat de werknemers hun aandelen niet van de hand doen, maar een steeds groter aandelenkapitaal opbouwen. Dit lijkt het best te realiseren door de aandelen niet individueel uit te keren maar onder te brengen in een door de werknemers gezamenlijk beheerd fonds.
Over de voordelen, maar ook de risico’s van werknemersaandelenbezit valt veel meer te zeggen dan in het bestek van dit artikel mogelijk is.7 In het licht van mijn kritiek op de analyse van Piketty is het echter goed te benadrukken dat werknemersaandelenbezit aan beide zijden van de vermogensverdeling positieve effecten zou sorteren. Via aandelenbezit kunnen werknemers immers ook invloed uitoefenen op het beleid van de onderneming. Zij kunnen hun stem laten horen in de aandeelhoudersvergadering, bijvoorbeeld als het gaat om de beloning van de bestuurders. Doordat er via deze vorm van winstdeling meer vermogen in de onderneming blijft, wordt zij minder afhankelijk van externe kapitaalverschaffers, die vaak meer op de korte termijn zijn gericht.

Misschien wel de belangrijkste bijdrage die Thomas Piketty heeft geleverd aan het maatschappelijke debat is dat hij heeft laten zien dat de tijd van de grote verhalen niet voorbij is. Hij heeft afgerekend met de gemeenplaats dat de huidige wereld te complex is om nog in een samenhangende en overkoepelende maatschappijvisie te kunnen vangen. Natuurlijk biedt hij zo’n complete visie nog niet - hij beperkt zich immers tot een deel van de economie - maar zijn werk biedt wel de hoop en het vertrouwen dat het de moeite waard is om de zoektocht ernaar niet op te geven.

|

### Begripsverwarring

Als het om inkomens- en vermogensongelijkheid gaat onstaat er in discussies al snel een grote begripsverwarring. Inkomensverschillen en vermogensongelijkheid worden vaak als min of meer uitwisselbare termen gebruikt, terwijl het om wezenlijk verschillende zaken gaat.

Inkomen is een geldstroom: het gaat om de inkomsten die iemand (een persoon of een huishouden) in een bepaalde periode (meestal een jaar) ontvangt. Het bruto-inkomen omvat zowel opbrengsten van arbeid (loon), onderneming (winst) en vermogen (dividend, rente) als sociale uitkeringen en pensioenen.

Vermogen is een voorraadgrootheid: het is de waarde van iemands bezittingen verminderd met de waarde van zijn schulden. Bij die bezittingen kan het zowel gaan om materiële goederen (eigen woning, auto, kunstvoorwerpen) als om financieel bezit (spaartegoed, aandelen, obligaties). Aangezien van die bezittingen de schulden worden afgetrokken (waaronder de hypotheek op de eigen woning) kan het vermogen ook negatief zijn, bijvoorbeeld wanneer de eigen woning ‘onder water’ staat (dat wil zeggen dat de hypotheekschuld groter is dan de waarde van de woning).

Vermogen is vaak het resultaat van besparingen: het deel van het inkomen dat men niet uitgeeft maar spaart. Maar vermogen kan men ook erven. En vermogen groeit niet alleen doordat men spaart, maar ook doordat de waarde van de bezittingen stijgt (bijvoorbeeld de waarde van een woning of kunstvoorwerp) of doordat zij rendement opleveren (zoals rente op spaargeld of dividenden op aandelen). Overigens is dat rendement op vermogen zelf weer een bron van inkomen, namelijk vermogensinkomsten.

Kapitaal wordt (helaas) vaak als synoniem voor vermogen gebruikt. Dat doet Piketty bijvoorbeeld. In economische zin gaat het bij kapitaal echter om de waarde van productiemiddelen, zoals machines, fabrieken, kantoren, grondstoffen en dergelijke. Ook niet-fysieke productiemiddelen, zoals intellectueel eigendomsrecht, worden hiertoe gerekend.

Ondanks de titel gaat Piketty’s Capital in the Twenty-First Century vooral over vermogen (in het Frans patrimoine en in het Engels wealth). Kapitaal in economische zin (in het Frans en Engels capital) komt feitelijk nauwelijks aan de orde, hoewel hij deze term wel veelvuldig gebruikt. De term capital/income ratio (of rapport capital/revenu in de Franse editie) wordt hier daarom vertaald met vermogen-inkomensverhouding.

|

Paul de Beer
Redacteur Nederlands maandblad Socialisme & Democratie (S&D) en hoogleraar Arbeidsverhoudingen (Universiteit van Amsterdam)

Noten
1/ Deze bijdrage verschijnt gelijktijdig in het Nederlandse maandblad Socialisme&Democratie (S&D), Jaargang 71, Nummer 3, Juni 2014 - webeditie.
2/ Susan Brooks Thistlethwaite, ‘The Marx Brothers? Pope Francis and Thomas Piketty Both Want to Redistribute Wealth’. The Huffington Post: www.huffingtonpost.com/rev-dr-susan-brooks-thistlethwaite/pope-francis-piketty\_b\_5306555.html.
3/ Piketty gebruikt hier steeds de term ‘kapitaal’ in plaats van ‘vermogen’ (zie hetKader over begripsverwarring).
4/ Voor de fijnproever: het gaat hier om de nettospaarquote na aftrek van de afschrijvingen.
5/ Alvaredo, Facundo, Anthony B. Atkinson, Thomas Piketty, Emmanuel Saez (2013), ‘The Top 1 Percent in International and Historical Perspective’, Journal of Economic Perspectives 27(3), pp. 3-20.
6/ In een interview in de Volkskrant van 1 mei 2014 en in het tv-programma Nieuwsuur van 14 mei 2014.
7/ Zie hierover Paul de Beer (2004), ‘Een linkse hervormingsagenda voor het kapitalisme’, Socialisme&Democratie (S&D), 2004/10-11, pp. 10-26.

Piketty Thomas - ongelijkheid - vermogensbelasting

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 74 tot 82