Abonneer Log in

Wie verdient de steun van onze welvaartsstaat?

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 20 tot 26

Deze bijdrage beschrijft een wetenschappelijke studie die vraagtekens plaatst bij het bestaan van een rangorde in hulpwaardigheid. Daarvan wordt in de welvaartsliteratuur beweerd dat ze alle geografische, temporele en sociaal-structurele grenzen overstijgt. De resultaten lijken echter eerder te wijzen op een universele tweespalt tussen mensen die alle behoeftige groepen even hulpwaardig vinden en tussen mensen die de ene groep al wat meer of minder ‘deserving’ vinden dan de andere. Voor politici en belangenorganisaties is dit van groot belang. Het zou immers betekenen dat ze beide segmenten van het electoraat op een fundamenteel verschillende wijze dienen te benaderen in hun politiek discours. Allicht zijn eerstgenoemden meer gevoelig aan argumenten die gestoeld zijn op het rechtvaardigheidsprincipe van gelijkheid, terwijl laatstgenoemden meer vatbaar zijn voor argumenten die zich beroepen op het principe van verdienste.

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Hoe genereus zijn we voor migranten en vluchtelingen?
Toon (Antoon) Vandevelde
Betekent meer diversiteit minder sociabiliteit?
Tim Reeskens
Wie verdient de steun van onze welvaartsstaat?
Tijs Laenen
Hoe geraken we voorbij de valse paradox tussen van onderuit en van bovenaf?
Stijn Oosterlynck
Hoe communiceren over solidariteit?
Eric Goubin
Hoe krijgen we meer solidariteit tussen generaties?
Danielle Zwarthoed

Elke maatschappij dient tot een verdeling te komen van de publieke goederen en middelen waarover het beschikt. Onder invloed van het subtiele samenspel tussen de toenemende vergrijzing, de financieel-economische crisis van 2008 en de meer actuele vluchtelingenstroom, is het besef dat er steeds minder te verdelen valt over een almaar groeiende bevolking vandaag de dag sterk doorgedrongen in het politieke discours en in de leefwereld van burgers. Zulke opmars van de perceptie van schaarste zorgt ervoor dat de vraag aan wie ‘het weinige dat ons nog rest’ dan best toebedeeld wordt andermaal aan belang wint. In Europa effende zulke tijdsgeest het pad voor een besparingspolitiek waarin vooral de sociale zekerheid het moet ontgelden. Sociale uitkeringen worden verlaagd of geschrapt, en mogen voortaan enkel nog de ‘echte’ behoeftigen ten goede komen. Financiële steun vanuit de welvaartsstaat is er niet langer zomaar voor iedereen, maar enkel voor diegenen die dit het meest ‘verdienen’.

Nationale en supranationale overheden lijken gewoonlijk eenzijdig te beoordelen welke maatschappelijke groepen ‘hulpwaardig’ of ‘deserving’ zijn, wat in vele landen tot hevig burgerprotest heeft geleid. Zo kwamen in België tijdens de zogenaamde ‘hete herfst’ mensen massaal op straat om hun ongenoegen ten aanzien van de aangekondigde bezuinigingen te uiten. Hoewel tijdens een volksverzet de precieze verzuchtingen van de demonstranten zelden helder zijn, en het veelal onduidelijk is of de modale Belg zich eveneens bekommert om de gedeclareerde bezorgdheden, kunnen massamanifestaties wel beschouwd worden als symptoom van groeiende onenigheid tussen burger en overheid.

Wetenschappelijk onderzoek naar de publieke opinie draagt het potentieel in zich om de kloof tussen de staat en zijn ingezetenen te begrijpen en mede te dichten. Beleidsmakers die zich er door laten informeren en inspireren, tekenen allicht een (sociaal) beleid uit met een breed maatschappelijk draagvlak. Burgers die er aan deelnemen beïnvloeden mogelijk, zij het indirect, het politieke besluitvormingsproces. Uiteraard gaat deze assumptie enkel op indien wetenschappelijk onderzoek er ook werkelijk in slaagt een zo getrouw mogelijk beeld te schetsen van de reële percepties, attitudes en opinies van mensen.

WAT VERTELT DE WETENSCHAP ONS?

Wie zich in de welvaartsliteratuur verdiept, zal zich niet snel van de indruk kunnen ontdoen dat we al decennialang precies weten hoe het volk denkt over de (her)verdeling van welvaart. Doorgaans vertrekt men vanuit de premisse dat mensen, net zoals de welvaartsstaten die ze bevolken, differentiëren tussen verschillende behoeftige groepen (van Oorschot, 2006). Mensen zouden bepaalde groepen meer of minder hulpwaardig vinden dan andere groepen. De dominante gedachte binnen deze stroming luidt dat er een rangorde in hulpwaardigheid bestaat die alle geografische, temporele en sociaal-structurele grenzen overstijgt. In elk land, tijdsgewricht en sociaal-structurele groep zou men overwegend ouderen bovenaan de pikorde plaatsen, gevolgd door respectievelijk zieken/invaliden, behoeftige families met kinderen, werklozen, sociale bijstandscliënten en immigranten (Coughlin, 1980; van Oorschot, 2006).

Van Oorschot (2000) verklaart dit opmerkelijke fenomeen met de stelling dat de verschillende behoeftige groepen ongelijk ‘scoren’ op de criteria waarop mensen beroep doen in hun beoordeling of een ander al dan niet sociale steun verdient. Zo betuigen mensen de grootste solidariteit met ouderen omdat ze ervan uitgaan dat deze groep, door de band genomen, in het verleden reeds een verdienstelijke maatschappelijke bijdrage geleverd heeft (wederkerigheid), niet verantwoordelijk is voor het eigen verouderingsproces (controle) en de daarmee samenhangende aftakelende gezondheid (behoefte), behoort tot het eigen ‘soort’ mensen (identiteit), en dankbaarheid toont voor de ontvangen hulp (attitude). Hoewel van migranten bijvoorbeeld eveneens kan worden aangenomen dat ze behoeftig en dankbaar zijn, doen ze het beduidend slechter op het identiteits-, wederkerigheids-, en controlecriterium.

HEEFT DE WETENSCHAP HET BIJ HET RECHTE EIND?

Vermits talrijke grootschalige surveystudies (Coughlin, 1980; Taylor-Gooby, 1985; Bean & Papadakis, 1998; van Oorschot, 2000; Arts & Gelissen, 2001; Debusscher & Elchardus, 2002; Hills, 2002; Blekesaune & Quadagno, 2003; van Oorschot, 2006) de vermeende universele rangorde bevestigd hebben, en de achterliggende theoretische verklaring zeer logisch in de oren klinkt, lijkt het wetenschappelijk debat gesloten. Geen haan die er nog naar kraait, geen mens die er nog kritisch tegenaan kijkt. Beleidsmatig kan dat leiden tot het perverse neveneffect dat men in tijden van overheidsbesparingen het grofst snijdt in de sociale voorzieningen voor de doelgroepen waar de bevolking zich, volgens de logica van een universele rangorde, toch slechts matig om bekommert (sociale bijstandscliënten, werklozen en migranten). Een gezonde dosis scepticisme, uitgedrukt in verscheidene theoretische en empirische argumenten, kan een haast paradigmatische universaliteitsclaim echter gezwind doen wankelen.

Vanuit theoretisch perspectief kan een universele hiërarchie van hulpwaardigheid in twijfel getrokken worden door een toepassing van Petersens (2012) model van de psychologische deservingness heuristiek. Kort samengevat zou de menselijke soort, gedurende zijn evolutie, de natuurlijke reflex ontwikkeld hebben om hulpvragende anderen te categoriseren als ‘cheaters’ óf als ‘reciprocators’. Om het voortbestaan van de sociale groep te verzekeren, zouden mensen (zelfs in geïnstitutionaliseerde en geformaliseerde welvaartsstaten) geneigd zijn enkel te geven aan zij die zich inspannen om terug te geven. Hoewel het onderliggend psychologische mechanisme universeel lijkt te zijn, wordt de informationele input ervan allicht beïnvloed door institutionele, economische en politieke macro-factoren enerzijds (Larsen, 2008; Kolemen, 2010; Jeene, van Oorschot, & Uunk, 2012), en door individuele verschillen in sociaal-structurele positie anderzijds (Jeene, Uunk, & van Oorschot, 2009). Daardoor is het onwaarschijnlijk dat mensen - ongeacht waar ze wonen, in welke tijd ze leven en tot welke sociale groep ze behoren - bepaalde behoeftige groepen percipiëren als ‘cheaters’ en andere groepen als ‘reciprocators’. In landen of tijden van economische laagconjunctuur bijvoorbeeld, zou een tekort aan kansen op de arbeidsmarkt burgers er mogelijk toe kunnen leiden om werkloosheid toe te schrijven aan structurele in plaats van individuele oorzaken, waardoor het minder waarschijnlijk wordt dat werklozen door hen gecategoriseerd worden als ‘cheaters’, en een plaats onderaan een rangorde in hulpwaardigheid innemen. Bovendien bepaalt de sociaal-demografische achtergrond van een individu wellicht welke informatie opgepikt wordt en hoe deze geïnterpreteerd wordt, waardoor hulpbehoevenden ook anders gecategoriseerd en gerangschikt worden. Werkloze personen, bijvoorbeeld, kunnen zich beter identificeren met de werklozengroep, en zijn daarom wellicht minder geneigd deze groep de rode lantaarn toe te wijzen.

Vanuit empirisch perspectief is het universele karakter van de rangorde vooralsnog onvoldoende bewezen. Wie uitspraken doet over de wereldbevolking op basis van in het Westen verzamelde onderzoeksgegevens onderschat de culturele, economische, politieke en sociale verschillen tussen ‘the West and the rest’. Ten tweede worden deze rangorden in sociaalwetenschappelijk onderzoek doorgaans opgebouwd aan de hand van metingen op een hoger niveau, zoals nationale gemiddelden, waardoor de preferenties van het individu wel eens naar de achtergrond verdrongen worden. Met zulk vogelperspectief dreigt men de veelal foutieve conclusie te trekken dat de gemiddelde rangorde van het collectief tevens van toepassing is op alle individuele leden ervan. Mensen met geen of een afwijkende hiërarchie worden zo geheel over het hoofd gezien. Hoe kan wetenschap zijn brugfunctie tussen burger en overheid dan ten volle vervullen?

BESTAAT ER WERKELIJK EEN UNIVERSELE RANGORDE?

De centrale vraag luidt dan of er werkelijk een rangorde in hulpwaardigheid bestaat die veruit de dominante keuze is onder de bevolking, en die daarbovenop alle geografische, temporele en sociaal-structurele grenzen overstijgt. Door gebruik te maken van een internationale survey (ISSP Research Group, 2008) waarin aan een steekproef van circa 95.000 respondenten uit 34 verschillende landen gevraagd werd in welke mate de overheid verantwoordelijkheid draagt in het voorzien van een degelijke levensstandaard voor ouderen en voor werklozen, alsook voor in het voorzien van gezondheidszorg voor zieken, worden deze onderzoeksvragen van een aantal opmerkelijke antwoorden voorzien.

Vooreerst wordt de basispremisse dat mensen, conform de welvaartsstaten waarvan ze deel uitmaken, differentiëren tussen de verschillende doelgroepen van sociaal beleid, deels weerlegd. Maar liefst 40% van de respondenten brengt immers helemaal geen rangorde aan. Vermits deze ‘welvaartsegalitaristen’ van de radar verdwijnen wanneer rangordes op een geaggregeerd niveau berekend worden, heeft voorgaand onderzoek de dominantie van de zogenaamde universele pikorde allicht overschat. Onder de mensen mét rangorde kiest echter slechts een bescheiden 3,5% van de respondenten voor een rangorde waarin ouderen bovenaan staan, gevolgd door zieken, en ten slotte werklozen.

Toch blijkt dat er wel degelijk een onderscheid gemaakt wordt tussen de groepen bovenaan en de groepen onderaan de ranking: 62% van de respondenten met rangorde prefereert immers een brede interpretatie van de universele rangorde waarin ouderen en zieken op de gedeelde eerste en werklozen op de laatste plaats staan. Gezien mensen ouderen en zieken ongeveer dezelfde scores toewijzen op de vijf relevante deservingness criteria, is deze observatie ook niet geheel verrassend te noemen.

Verder kan de universaliteit van de rangorde zowel vanuit geografisch, temporeel, als sociaal-structureel opzicht betwist worden. Uit de statistische analyses wordt immers duidelijk dat de kans om de universele rangorde te verkiezen afhankelijk is van het land waar men woont en het jaar waarin men bevraagd is, maar bovenal van de sociaal-structurele groep waartoe men behoort. De cross-nationale en cross-temporele variantie kan deels worden toegeschreven aan de werkloosheidsgraad binnen een bepaald land op een bepaald tijdstip, dewelke een negatief effect heeft op de kans dat een individu kiest voor de vermeende universele rangorde. Hoe hoger de werkloosheid, hoe minder werklozen onderaan de hiërarchie belanden.
De invloed van plaats en tijd is echter gering in vergelijking met de impact van individuele verschillen in sociaal-structurele positie. Zo blijken vooral de mensen aan de onderkant van onze maatschappij - werklozen, arbeidsongeschikten en laagopgeleiden - veel minder geneigd te zijn om de vermeende universele rangorde uit te kiezen, en veel sterker genegen te zijn tot welvaartsegalitarisme. Indien zou blijken dat het gevonden solidariteitspatroon in alle landen en tijdsgewrichten langs dezelfde sociaal-structurele scheidslijnen loopt, dan is er echter misschien sprake van een andere vorm van universaliteit. Moge toekomstig onderzoek het uitwijzen.

CONCLUSIE

De voorlopige conclusie dat ‘there is no such thing as a universal rank order of deservingness’ opent wederom de debatten rond de openingsvraag: wie verdient er nu echt onze solidariteit? Opportunistische politici die de kans schoon zagen om in tijden van overheidsbesparingen de rekening door te schuiven naar de behoeftige groepen waar zich, volgens de logica van een universele rangorde, toch niemand om bekommert, komen bedrogen uit.

Ten eerste zegt een positie in een hiërarchie bitter weinig over hoe sterk de publieke steun voor sociale hulp aan de groep in kwestie werkelijk is. Zo is het weliswaar mogelijk dat mensen werklozen onderaan plaatsen op het prioriteitenlijstje, maar evenwel van mening zijn dat de verantwoordelijkheid van de staat ten aanzien van deze groep desalniettemin bijzonder groot is. Daarnaast suggereren de onderzoeksresultaten tevens dat een aanzienlijk deel van de bevolking voorstander is van een gelijke behandeling van alle sociale groepen in onze maatschappij. Zij lijken, net als Thomas Jefferson destijds, ervan overtuigd dat ‘all men are created equal’.

De werkelijke universaliteit zit hem allicht meer in een dualiteit onder de bevolking die zich aftekent rond twee contrasterende principes van sociaal rechtvaardige welvaartsdistributie: gelijkheid en verdienste (Miller, 1999).

Aan de ene kant zijn er mensen die conditioneel zijn in hun solidariteitsdenken: de ene groep wordt als meer of minder hulpwaardig beschouwd dan de andere. Politici en belangengroepen kunnen dit electoraal segment beïnvloeden door hun discours te doorspekken met argumenten die verwijzen naar de zogenaamde deservingness criteria (van Oorschot, 2000). Voor conditionele denkers is het van belang of en in welke mate behoeftige individuen of groepen verantwoordelijk zijn voor hun situatie (controle), op hen gelijken (identiteit), bijdragen aan een constructieve maatschappij (reciprociteit), nood hebben aan sociale hulp (behoefte), en dankbaarheid tonen voor de geboden hulp (attitude). Burgers die denken en handelen volgens het ‘iedereen-gelijk-voor-de-wet-principe’ zijn daarentegen minder vatbaar voor argumenten die verwijzen naar de verdiensten van de hulpvragende andere. Voor hen bestaat er slechts één geldige verdeelsleutel: zolang iedereen een gelijk stuk van de taart ontvangt, is de verdeling rechtvaardig. Om invloed te hebben op dit tweede electoraal segment kan men in het politieke discours best de gelijkheid van sociale kansen, rechten en uitkomsten benadrukken.

De kans bestaat echter dat deze studie de omvang van het welvaartsegalitarisme overschat. Zo wordt de precieze vraagstelling wel eens een gebrek aan sociaal realisme verweten omdat ze respondenten niet dwingt om rekening te houden met het onvermijdelijke principe van schaarste. Overheidsmiddelen zijn nu eenmaal niet onuitputtelijk, waardoor er (soms zeer vervelende) keuzes gemaakt moeten worden in de herverdeling ervan onder de bevolking. Zouden er evenveel mensen kiezen voor een gelijke verdeling van middelen indien ze er aan worden herinnerd dat deze middelen schaars zijn?

Tot slot zijn er mogelijk lezers die in de tweespalt tussen burgers die het principe van gelijkheid aanhangen en burgers die neigen naar het principe van verdienste, de klassieke tweedracht tussen respectievelijk politiek links en politiek rechts, menen te herkennen. Het is vooralsnog echter onduidelijk of de niet-discriminerende burgers eerder voor- of tegenstanders zijn van overheidssteun aan ouderen, zieken en werklozen. Hoewel egalitarisme doorgaans een positieve connotatie toegewezen krijgt, is het allesbehalve vanzelfsprekend dat de mensen zonder rangorde tevens pleitbezorgers zijn van een zeer genereuze welvaartsstaat. Het zou evengoed kunnen dat deze groep net zeer sterke anti-welvaartsattitudes heeft: niemand zou volgens hen dan recht mogen hebben op sociale uitkeringen. Opnieuw, moge toekomstig onderzoek het uitwijzen.

Tijs Laenen
Doctoraal onderzoeker, Centrum voor Sociologisch Onderzoek KUL

Referenties
- Arts, W., & Gelissen, J. (2001). Welfare States, Solidarity and Justice Principles: Does the Type Really Matter? Acta Sociologica, 44(4), pp. 283-299.
- Bean, C., & Papadakis, E. (1998). A comparison of mass attitudes towards the welfare state in different institutional regimes, 1985-1990. International Journal of Public Opinion Research, 10(3), 211.
- Blekesaune, M., & Quadagno, J. (2003). Public Attitudes toward Welfare State Policies: A Comparative Analysis of 24 Nations. European Sociological Review, 19(5).
- Coughlin, R. M. (1980). Ideology, public opinion & welfare policy: Attitudes towards taxes and spending in industrialized societies. Berkely: Institute of International Studies, University of California.
- Debusscher, M., & Elchardus, M. (2002). Het draagvlak van de solidariteit. De steun voor de sociale zekerheid. Brussels: Vrije Universiteit Brussel.
- Hills, J. (2002). Following or Leading Public Opinion? Social Security Policy and Public Attitudes since 1997. Fiscal Studies, 23(4), pp. 539-558.
- ISSP Research Group (2008). International Social Survey Programme: Role of Government I-IV - ISSP 1985-1990-1996-2006. GESIS Data Archive. Cologne. ZA4747 Data file Version 1.0.0.
- Jeene, M., Uunk, W., & van Oorschot, W. (April 2009). Do different social groups stress different deservingness criteria? Paper presented at the Dutch ESPAnet Research Day, Tilburg.
- Jeene, M., van Oorschot, W., & Uunk, W. (2012). The dynamics of welfare opinions in changing economic, institutional and political contexts: An empirical analysis of Dutch deservingness opinions, 1975-2006. Social Indicators Research, 115(2), pp. 731-749.
- Kolemen, A. B. (2010). Worlds of welfare discourse: a case study of Germany, Sweden and the USA. University of Georgia.
- Larsen, C. A. (2008). The institutional logic of welfare attitudes. How Welfare Regimes Influence Public Support. Comparative Political Studies, 41(2), pp. 145-168.
- Miller, D. (1999). Principles of social justice. Cambridge: Harvard University.
- Petersen, M. B. (2012). Social Welfare as Small-Scale Psychology Help : Evolutionary and the Deservingness Heuristic. American Journal of Political Science, 56(1), pp. 1-16.
- Taylor-Gooby, P. (1985). Public Opinion and Welfare Issues. In P. Taylor-Gooby (Ed.), Public Opinion, Ideology, and State Welfare. London: Routledge and Kegan Paul.
- Van Oorschot, W. (2000). Who should get what, and why? On deservingness criteria and the conditionality of solidarity among the public. Policy and Politics, 28(1), pp. 33-48.
- Van Oorschot, W. (2006). Making the difference in social Europe: deservingness perceptions among citizens of European welfare states. Journal of European Social Policy, 16(1), pp. 23-42.

solidariteit - hulpwaardigheid - welvaartsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 20 tot 26