Abonneer Log in

Verschillen en complementariteit tussen groene en rode kiezers

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 12 tot 18

In 1996 deden Maurits Coppieters en Norbert De Batselier met Het Sienjaal een oproep aan alle progressieve Vlamingen om zich achter één groot links project te scharen als antwoord op ‘de verrechtsing’ van het politieke landschap. Het Sienjaal mislukte. Tot vandaag is er van een eengemaakt links front geen sprake, ofschoon nu en dan rood-groene kartels au fur et à mesure de lokale omstandigheden en (persoonlijke) gevoeligheden gesloten worden. Of zulke links-progressieve samenwerking ook electoraal rendeert, is echter een terugkerende vraag. Om hier iets zinvol over te kunnen zeggen, is het nuttig te kijken naar het sociale profiel en de waardeoriëntaties van de Groen- en sp.a-kiezers bij de laatste federale verkiezingen in Vlaanderen.1

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Iedereen bleef kijken vanuit het eigen hokje
Norbert De Batselier
Verschillen en complementariteit tussen groene en rode kiezers
Bart Meuleman, Koen Abts, Chris Gaasendam en Marc Swyngedouw
Partijleden en link(s)e samenwerking
Nicolas Bouteca, Carl Devos, Robin Devroe, Benjamin de Vet en Bram Wauters
Opnieuw voorlopers worden
John Crombez
Voor een progressief front van doeners
Meyrem Almaci
Een Borgerhout-scenario in heel Antwerpen
Peter Mertens
Werken aan coalitie van enthousiasten
Patrick Develtere
Samenwerken is de enige optie
Rudy De Leeuw
Het linkse speelveld is ruimer dan je denkt
Tom Garcia
Gescheiden slagen
Herman Lauwers en Jos Geysels

Uit vorige ISPO-studies naar de electorale verschuivingen bij elkaar opvolgende verkiezingen sinds 1991 weten we reeds dat Groen en sp.a zogenaamde ‘communicerende vaten’ zijn. Wint sp.a zoals in 2003 dan gaat dit ten koste van Groen; wint Groen zoals in 1999 dan verliest sp.a. De links-progressieve kiezer zweeft dus tussen beide partijen, en zijn/haar keuze hangt af van de inzet en de persoonlijkheden bij specifieke verkiezingen.

In 1990 analyseerden Kitschelt en Hellemans2 voor het eerst de attitudes van de groene kiezer in België. De data ondersteunden de pluralisatiethese, die poneert dat de sociaaleconomische links-rechts tegenstelling nog steeds de electorale ruimte structureert, maar dat daarnaast een nieuwe culturele breuklijn in toenemende mate een rol speelt. Vandaag is het dan ook zeer gebruikelijk de politieke ruimte te beschrijven als een tweedimensionale ruimte gedefinieerd door een sociaaleconomische dimensie van herverdelend-egalitair links versus neoliberaal-individualistisch rechts en door een culturele dimensie van open universalisme versus gesloten particularisme.3 De opkomst van Groen en VB zou zich vooral enten op deze nieuwe culturele scheidslijn. In onze vergelijkende analyse van de sp.a- en Groen-kiezers kijken we bijgevolg niet louter naar de onderlinge verschillen en gelijkenissen op het vlak van sociaal-demografische kenmerken, maar ook op het vlak van attitudes verbonden met deze twee dimensies.

Voor onze analyses baseren we ons op de gegevens van het Belgisch Nationaal Verkiezingsonderzoek uitgevoerd door het ISPO-KU Leuven naar aanleiding van de verkiezingen van 25 mei 2014. In een vorig rapport hebben we al uitvoerig het profiel van de kiezers van de verschillende Vlaamse partijen beschreven.4 In deze bijdrage richten we de aandacht specifiek op de sp.a- en Groen-kiezers. Daarnaast gaan we ook na in welke mate beide partijelectoraten met elkaar overlappen en in welke mate de partij­identificaties met sp.a en Groen samenhangen. De resultaten moeten een antwoord bieden op de vraag in welke mate de veronderstelde complementariteit tussen groen en rood anno 2016 (nog) klopt.

HET SOCIALE PROFIEL VAN SP.A- EN GROEN-KIEZERS

Anno 2014 kent de sp.a een eerder laaggeschoold electoraat, met relatief veel geschoolde en ongeschoolde arbeiders. Ook niet-actieven stemmen bovengemiddeld vaak sp.a. Hoge kaders en zelfstandigen, alsook universitair geschoolden weet de partij maar moeizaam aan te trekken. Voorts zijn de mannelijke kiezers lichtjes oververtegenwoordigd. Sinds 2007 oefent de sp.a een verminderde aantrekkingskracht uit op de jongste kiezers, maar ook bij de ouderen (55-65 jaar) doet de partij het in 2014 minder goed. Ten slotte is de sp.a-kiezer veelal lid van de socialistische vakbond en mutualiteit en zijn vrijzinnigen en moslims bij sp.a oververtegenwoordigd.

Groen kan op haar beurt in 2014 terug gezien worden als een jongerenpartij. De partij is opvallend goed vertegenwoordigd bij 18-44 jarigen, maar heeft nog steeds heel weinig kiezers boven de 65 jaar. Daarnaast gaat het om een zeer hooggeschoold electoraat van hoofdzakelijk hogere kaders en bedienden. Niet minder dan zes op tien Groen-kiezers heeft een universitair of hogeschool diploma. Laaggeschoolden en arbeiders zijn daarentegen sterk ondervertegenwoordigd. Net zoals het sp.a-electoraat zijn de Groen-kiezers vaak vrijzinnig of ongelovig, maar zijn ze relatief vaker lid van de christelijke mutualiteit. Tot slot heeft Groen nog steeds een uitgesproken vrouwelijke achterban. Op basis van het sociale profiel van beide partijelectoraten kunnen twee conclusies getrokken worden: (1) beide electoraten verschillen behoorlijk van elkaar op het vlak van leeftijdsstructuur, opleidingsniveau, sociale klasse en zuilachtergrond; en (2) hun uiteenlopend structurele profiel is zeer complementair gezien de beperkte overlap.

WAARDEORIËNTATIES VAN SP.A- EN GROEN-KIEZERS

Sociale kenmerken zeggen wel iets over de opmaak van een partijelectoraat maar waardeoriëntaties en attitudes blijken vaak van groter belang bij het uitbrengen van een stem. Hieronder vergelijken we de gemiddelde scores van Groen- en sp.a-kiezers op een aantal relevante maatschappelijke houdingen. Om één en ander in ruimer perspectief te plaatsen geven we ook de gemiddelden voor de andere kiezerskorpsen mee (zie Figuur 1).

Figuur 1. Gemiddelde scores op waarde oriëntaties per partij. 5

Uit de resultaten volgen enkele voorname vaststellingen. Beide partijelectoraten situeren zich duidelijk aan de linkse en progressieve zijde van het politieke spectrum. In vergelijking met de andere partijelectoraten rekruteren sp.a en Groen de eerder milieubewuste en Belgischgezinde kiezers die uitdrukkelijk pleiten voor sociale herverdeling, overheidsinterventie en sterke markregulering alsook voor culturele openheid en tolerantie naar de Andere. In die zin trekken beide partijen kiezers met een gelijkaardige waardenhorizon aan. Wat betreft de sociaaleconomische links-rechts breuklijn is er nagenoeg geen onderscheid tussen de electorale achterban van sp.a en Groen. Beide electoraten pleiten gemiddeld genomen in dezelfde mate voor een verkleining van de inkomensverschillen en voor een sterke inmenging van de staat in de marktwerking. Hetzelfde geldt voor hun houding tegenover de communautaire kwestie - namelijk hun eerder pro-Belgische positie - en voor hun anti-individualistische ingesteldheid.

Daarnaast zijn er op het vlak van de culturele breuklijn toch ook nuanceverschillen binnen politiek links te onderscheiden. Wat betreft de houding tegenover de multiculturele samenleving en sociale orderhandhaving is er een gradueel verschil tussen Groen- en sp.a-kiezers. De gemiddelde Groen-kiezer blijkt significant minder autoritair, repressief ingesteld en negatief tegenover migranten te zijn dan de gemiddelde sp.a-kiezer. Dit geeft aan dat Groen-kiezers in vergelijking met hun sp.a-collega’s in mindere mate moeite hebben met de multiculturele samenleving, minder gericht zijn op gehoorzaamheid, minder pleiten voor een harde criminaliteitsbestrijding alsook meer voorbehoud maken tegen de inperking van vrijheidsrechten. Kortom, op de culturele breuklijn is er een gradueel verschil tussen beide partijelectoraten, ofschoon beide kiezersgroepen toch nog steeds een bijzondere en verschillende positie innemen ten aanzien van de eerder gesloten particularistische positie van de kiezers van CD&V, Open Vld en vooral N-VA en Vlaams Belang. Ten slotte blijkt de sp.a-kiezer in vergelijking met de Groen-kiezer net iets meer politiek cynisch, minder milieubewust en ethisch progressief te zijn.

Bijkomende analyses (logistische regressie, hier niet weergegeven) tonen tevens aan dat de nuanceverschillen tussen beide partijelectoraten in sterke mate sociaal gestratificeerd zijn: ze hangen sterk samen met de verschillende sociale structuur van beide groepen in termen van opleidingsniveau en sociale klasse.

ELECTORALE UITWISSELING: KIEZERS EN EX-KIEZERS VAN GROEN EN SP.A

Hoe sp.a- en Groen-kiezers zich tot elkaar verhouden, kan niet alleen achterhaald worden door te kijken naar hun sociale en culturele profiel maar tevens door na te gaan hoe het stemgedrag van de kiezers en ex-kiezers van beide partijen doorheen de tijd was. Kiezers stemmen immers niet steeds op dezelfde partij. Van de respondenten die in 2014 Groen stemden, geeft niet minder dan 59% aan ooit op sp.a gestemd te hebben. Van de huidige sp.a-kiezers heeft 34% ooit op Groen gestemd. Wat de huidige Groen-kiezers betreft zijn echter ook CD&V (40%) en Open Vld (25%) in het verleden valabele stemalternatieven geweest. Van de huidige sp.a-kiezers heeft 29% ooit CD&V gestemd en 17% Open Vld. Deze gegevens bevestigen dat Groen en sp.a elkaars geprefereerde alternatief zijn, hoewel sp.a een duidelijker alternatief vormt voor Groen-kiezers dan andersom.

Als we tevens de ex-kiezers - kiezers die zeggen ooit in hun leven Groen/sp.a te hebben gestemd maar dat in 2014 niet gedaan hebben - in de vergelijking betrekken, krijgen we de volledige electorale competitie te zien. In totaal geven 398 van onze respondenten aan dat ze ooit op sp.a hebben gestemd, tegenover 331 respondenten op Groen. Deze aantallen betreffen dus zowel de huidige als de voormalige kiezers van beide partijen. Voor het Groen-electoraat in brede zin (kiezers en ex-kiezers) is sp.a nog altijd het geprefereerde alternatief (55%), maar volgt de CD&V op de voet (54%). Bovendien hebben van dit brede Groen-electoraat niet minder dan 40% op Open Vld dan wel op N-VA gestemd (zie Tabel 1). In het geval van het historische sp.a-electoraat heeft 50% ooit op CD&V gestemd. Dit is meer dan het aandeel ex- en huidige sp.a- kiezers die ooit op Groen (46%) of N-VA (35%) gestemd hebben. Vanuit historisch perspectief blijkt bijgevolg dat Groen en sp.a in sterke mate kiezers uitwisselen, hetgeen het vermoeden bevestigt dat beide partijen als ‘communicerende vaten’ fungeren. De overlap tussen de sp.a- en Groen-electoraten is zeer groot. Toch moet benadrukt dat CD&V als derde speler in het veld niet over het hoofd mag worden gezien. Het appel van de christelijke arbeidersbeweging (ACW) - nu beweging.net - speelt hier zeker een rol in.

DE SAMENHANG TUSSEN PARTIJ-IDENTIFICATIES (SP.A EN GROEN)

Tot nu toe lag de nadruk op de karakteristieken van de electoraten van sp.a en Groen. Uit de analyse blijkt dat mensen op een bepaald moment maar op één partij kunnen stemmen, maar zich daarom niet noodzakelijk louter met die ene partij verbonden voelen. Omdat kiezers zich met meer dan één partij kunnen identificeren, hebben we elke kiezer gevraagd in welke mate - op een schaal van 0 tot 10 - hij/zij zich kan vinden in het partijprogramma en -leiders van iedere Vlaamse partij. Iedere kiezer geeft elke partij dus een zogenaamde ‘identificatiescore’. Door op basis van alle respondenten - dus niet alleen sp.a- en Groen-kiezers - na te gaan wat de correlatie is tussen identificatie met sp.a en identificatie met Groen, en deze correlatie af te zetten tegen de correlaties tussen identificatiescores van andere partijen, krijgen we een goed beeld van de mate waarin de identificatie met sp.a en met Groen samenhangen onder de Vlaamse bevolking.6 De verwachting is dat de identificatie met de linkse partijen, Groen en sp.a, sterker positief samenhangt dan de identificatie met Groen/sp.a en de identificatie met andere partijen.

Uit de resultaten in Tabel 2 blijkt dat de correlatie tussen identificatie met Groen en sp.a (r = .534; p .001) duidelijk boven de correlaties met de andere partijen uitsteekt. Met andere woorden, identificatie met Groen en sp.a hangen zeer sterk samen. Dit houdt in dat zij die zich sterk identificeren met Groen zich ook sterk identificeren met sp.a, en andersom. Tevens houdt het in dat zij die zich in zwakke mate herkennen in Groen zich ook beperkt identificeren met sp.a. Verder vallen ook relatief sterke samenhangen tussen de identificatie met Groen en CD&V (r = .275; p .001), sp.a en CD&V (r = .212; p .001) en Groen en Open Vld (r = .262; p <.>001) op, al zijn deze correlaties duidelijk minder uitgesproken. Dit bevestigt dat linkse kiezers niet geheel afkerig staan van CD&V, maar ook niet volledig de rug keren naar Open Vld.</.>

CONCLUSIE: RUIMTE VOOR EEN SIENJAAL?

Uit voorgaande analyse blijkt dat het sp.a- en Groen-electoraat in sterke mate complementair zijn dan wel overlappen. Ten eerste vullen beide partijelectoraten op het vlak van structurele kenmerken elkaar goed aan: Groen trekt voornamelijk de jongere en hogere posities aan, terwijl sp.a dan weer beter scoort bij de ouderen en arbeidersklasse. De twee partijen spreken met hun eigen links verhaal bijgevolg duidelijk onderscheiden sociale groepen aan. Ten tweede is het opvallend dat de electorale achterban van Groen en sp.a op basis van hun posities op de sociaal-economische links-rechts breuklijn niet te onderscheiden zijn. Ten derde, wat betreft de positie op de open universalisme versus gesloten particularisme breuklijn bestaan wel nuanceverschillen tussen de kiezers van Groen en sp.a. Vanuit deze vele gelijkenissen en enkele verschillen is het logisch dat er een sterke maar imperfecte samenhang bestaat tussen identificatie met Groen en sp.a, en dat de twee partijen heel wat kiezers uitwisselen.

Een partijpolitiek project à la Het Sienjaal - al dan niet op het lokale vlak - heeft anno 2016 dan ook enkel zin wanneer er ruimte blijft voor interne diversiteit die rekening houdt met de eigenheid en specifieke accenten van het ideologische verhaal van beide partijen, waarbij Groen een sterkere nadruk legt op duurzaamheid en kosmopolitisme en sp.a een appel kan blijven doen op de arbeidersklasse en de lager opgeleiden die meer sceptisch staan tegenover de multiculturele samenleving en meer bezorgd zijn over de handhaving van de sociale orde. Het is dus evident dat er, voor mogelijke samenwerkingen tussen sp.a en Groen, ruimte voor differentiatie moet bestaan op de open-universalistische versus gesloten-particularistische breuklijn - noemde men dat overigens niet ooit tendensrecht binnen SP?

Marc Swyngedouw, Chris Gaasendam, Koen Abts en Bart Meuleman
ISPO (Instituut voor Sociaal en Politiek Opinie-onderzoek), KU Leuven

Noten
1/ PVDA-kiezers kunnen we jammer genoeg niet opnemen wegens te klein in aantal om afzonderlijk te bestuderen.
2/ Hellemans, S. and Kitschelt, H. (1990). The Left-Right Semantics and the New Politics Cleavage. Comparative Political studies, 23:2, pp. 210-239.
3/ Swyngedouw, M. (1992). Waar voor je waarden. De opkomst van het Vlaams Blok en Agalev in de jaren tachtig. Leuven: ISPO-KU Leven. Kriesi, H., Grande, E., Lachat, R., Dolezal, M., Bornschier, S., Frey, T. (2008). West European Politics in the Age of Globalization. Cambridge University Press .
4/ Voor een uitgebreide beschrijving van de dataverzameling, de operationalisering van de gebruikte variabelen en de methodologie verwijzen we naar het rapport ‘Het profiel van de Vlaamse kiezers in 2014: wie stemde waarom op welke partij’ (Abts, Swyngedouw & Meuleman, 2015).
5/ CD&V: N = 234; N-VA: N = 339; Open Vld: N = 172; sp.a: N = 116; VB: N = 33; Groen: N = 86.
6/ Een correlatiecoëfficiënt drukt de sterkte van samenhang tussen twee variabelen uit. De waarde van een correlatie kan variëren tussen -1 en +1. In geval van een waarde 0 is er geen lineaire samenhang. Hoe verder de correlatiecoëfficiënt verwijderd is van 0, des te sterker de positieve (+ waarde) dan wel de negatieve (- waarde) correlatie is.

Het Sienjaal - progressieve frontvorming - electoraat

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 12 tot 18