Log in

De limieten van de mantelzorg

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 9 (november), pagina 50 tot 57

Vlaanderen zet volop in op de vermaatschappelijking van de zorg. Doet ze dit uit de terechte bekommernis dat mensen zo lang mogelijk in hun thuisomgeving kunnen blijven en integraal deel uitmaken van de samenleving? Of is het een verdoken besparingsdiscours gebaseerd op utopische veronderstellingen? Uit een grootschalig onderzoek in opdracht van de Socialistische Mutualiteiten blijkt alvast dat de limieten van mantelzorg bereikt zijn. Vlamingen ondersteunen vandaag al heel veel hun verwanten op gevorderde leeftijd. En belangrijk, ze schuiven zelf naar voor hun kinderen later niet tot last te willen zijn. Het alternatief? Een sterke (Vlaamse) Sociale Bescherming 2.0.

ACHTERGROND EN ONDERZOEKSOPZET

Vlaanderen vergrijst in sneltempo. Hierdoor zal de behoefte aan ouderenzorg, waaronder thuiszorg en rusthuizen, de komende jaren sterk toenemen. Het wordt een hele uitdaging om voor deze steeds groter wordende groep ouderen een toegankelijke, betaalbare en kwaliteitsvolle ouderenzorg te garanderen. Vlaanderen trekt hierbij de kaart van de vermaatschappelijking van de zorg.1 Volgens deze benadering dient een groter deel van de zorg te worden verleend door de kinderen, andere familieleden, buren en vrienden.

Om zicht te krijgen op hoe de toekomstige generatie ouderen zelf naar hun oude dag kijkt, liet het Socialistisch Ziekenfonds een grootschalige enquête uitvoeren.2 Hiervoor werd in het voorjaar van 2015 een representatief staal van 6.000 inwoners van het Vlaams Gewest tussen 45 en 75 jaar oud uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. Die leeftijdsgroep werd gekozen omdat het enerzijds gaat om mensen die mogelijks geconfronteerd worden met de zorgafhankelijkheid van hun ouders of schoonouders en dus ervaring hebben met de ouderenzorg en anderzijds zelf ook oud genoeg zijn om vooruit te blikken op hun oude dag. Door middel van een schriftelijke vragenlijst werd gepeild naar hun ervaringen en verwachtingen omtrent ouderenzorg, hun verwachtingen ten opzichte van hun oude dag, de zorg die ze denken nodig te hebben en de financiering daarvan. Om een maximale respons te krijgen, werden de respondenten tot vier keer toe gecontacteerd. Uiteindelijk vulden 2.891 respondenten3 de vragenlijst volledig in.4

MANTELZORG: EQUIVALENT VAN 121.000 VOLTIJDSE JOBS

We begonnen de enquête met de vraag of de persoon in kwestie al of niet een zorgbehoevende oudere kent. Voor heel wat mensen blijkt dit inderdaad een realiteit te zijn: naar schatting één op drie Vlamingen tussen 45 en 75 jaar oud, of zo’n 793.000 personen, heeft vrij intens contact met minstens één zorgbehoevende oudere die nog thuis woont. In de overgrote meerderheid van de gevallen gaat het over een ouder of schoonouder, en heel vaak gaat het over de moeder. Daarnaast heeft zo’n 12% onder hen, of zo’n 285.000 personen, een ouder of schoonouder in het rusthuis.

Wanneer iemand een zorgbehoevende oudere kent, blijkt men die persoon in maar liefst zeven op tien gevallen ook te helpen. Dat betekent dat vandaag één op vijf van de Vlamingen tussen 45 en 75 jaar oud mantelzorg verleent. Zij doen dit gemiddelde 9 uur en 39 minuten per week. In de leeftijdsgroepen 56-60 jaar en 66-70 jaar loopt de hulp op tot het equivalent van bijna een halftijdse job: zij verlenen gemiddeld 14 tot 18 uur per week zorg. Omgerekend is de zorg verleend door de groep 45 tot 75-jarigen in Vlaanderen goed voor een equivalent van naar schatting 121.000 voltijdse jobs, op basis van een 38-urenweek.

In de grote meerderheid van de gevallen verleent men hulp aan een ouder of schoonouder. Wanneer de partner nog leeft, biedt die vaak de meest intense zorg. Gemiddeld biedt de mantelzorger drie soorten hulp. Het meest frequent zijn gezelschap houden, hulp bij verplaatsingen, hulp bij administratie en financiën en hulp in het huishouden. Uit de bevraging blijkt dat mantelzorg waarschijnlijker is bij mensen die niet werken. Bij mensen die werken, komt mantelzorg dan weer vooral voor bij degenen die relatief weinig werken en met vaste, voorspelbare uren. De maatregelen van de regering-Michel in het kader van het verlaten van de pensioenleeftijd en in het kader van werkbaar en wendbaar werk, houden dus het risico in mantelzorg moeilijker en schaarser te maken.

Mantelzorg is geen kortstondig engagement: gemiddeld helpt de mantelzorg de zorgbehoevende al meer dan 6 jaar en één op vijf helpt al langer dan 10 jaar.

De mantelzorg staat er echter niet alleen voor. Uit de bevraging blijkt dat in meer dan zes op tien van de gevallen mantelzorg wordt aangevuld en ondersteund door professionele thuiszorg, en dit voor gemiddeld 6 uur en 14 minuten per week. Tussen de mantelzorg en de thuiszorg blijkt een vrij duidelijke taakverdeling te bestaan, waarbij de mantelzorg toch eerder de lichtere vormen van hulp opneemt en de thuiszorg de zwaardere, zoals de persoonlijke verzorging en het huishoudelijk werk. Hulp bij persoonlijke verzorging blijkt vooral een taak van de thuiszorg. Hulp in het huishouden wordt vaak gedeeld door thuiszorg en mantelzorg.

MANTELZORG: EQUIVALENT VAN 71.000 RUSTHUISBEDDEN

Bij naar schatting ongeveer 60.000 personen tussen 45 en 75 jaar oud (8% van de gevallen) woont een zorgbehoevende oudere in. Dit blijkt een bijzonder zware taak die vooral wordt opgenomen door sociaal zwakkeren: veelal heel laaggeschoolde alleenstaande, niet-werkende vrouwen. Wanneer de zorgbehoevende persoon inwoont, neemt de mantelzorger een ruimer takenpakket op zich en ook veel meer de zwaardere vormen van hulp, zoals huishoudelijk werk en persoonlijke verzorging. Het zijn in grote mate de meest zorgbehoevende personen die gaan inwonen, doorgaans bij hun kinderen. 27% van de mensen die inwonen is dementerend. Dat betekent dat bij zowat 16.000 gezinnen van mensen tussen de 45 en de 75 een dementerende persoon inwoont, meestal een ouder of schoonouder. Het laten inwonen van de zorgbehoevende is duidelijk een alternatief voor het rusthuis. De beslissing of een zorgbehoevende al dan niet naar het rusthuis gaat, wordt in feite dikwijls genomen op het moment dat hij of zij nog moeilijk alleen kan blijven wonen. In vele gevallen stelt zich dan niet zozeer de keuze tussen meer mantel- en thuiszorg versus rusthuis, maar tussen het laten inwonen of naar het rusthuis gaan.

Uit de resultaten van de enquête blijkt dat een krimp van de huidige mantelzorg of thuiszorg de behoefte aan rusthuisbedden pijlsnel kan doen toenemen. Volgens de mantelzorgers zouden 71.000 zorgbehoevenden naar een rusthuis moeten indien de tandem mantelzorg/thuiszorg er niet zou zijn. Dit terwijl er momenteel in Vlaanderen zo’n 75.000 rusthuisbedden zijn. Het gaat dan om een minimale schatting die enkel rekening houdt met de personen die volgens de mantelzorger ‘zeker’ naar een rusthuis zouden moeten indien de ondersteuning door mantelzorg en thuiszorg er niet zou zijn. Houdt men ook rekening met degenen die zeggen dat dat ‘waarschijnlijk’ het geval zou zijn, dan schat men dat de huidige mantelzorg- en thuiszorgondersteuning bij de 200.000 rusthuisopnames uitstelt of afstelt.

Vandaar het belang om de mantelzorg optimaal te ondersteunen. Voor de mantelzorgers zijn de prioriteiten in volgorde van belangrijkheid: administratieve vereenvoudiging, een betere ondersteuning door de thuiszorg (mogelijkheid tot occasioneel gebruik en ’s avonds, ’s nachts en het weekend), een dienst waar gemakkelijk informatie verkregen kan worden over de zorg die men geeft, meer ondersteuning door vrijwilligers, regelingen voor het werk (vervroegd pensioen, deeltijds werken of tijdelijke werkonderbreking met behoud van sociale rechten, soepelere regeling van de werkuren), meer financiële steun en mogelijkheid van kortopvang tijdens vakantie en occasionele dagopvang.

DE LIMIETEN ZIJN BEREIKT

We besluiten dat de zorg vandaag de dag al in belangrijke mate ‘vermaatschappelijkt’ is. De zorg verleend door de 45 tot 75-jarigen Vlamingen vertegenwoordigt maar liefst 121.000 voltijdse jobs en stelt minstens 71.000 rusthuisopnames uit of af. De limieten zijn bereikt.

Aan de personen die een nauw contact hebben met een rusthuisbewoner, in de meeste gevallen gaat het dan om de voormalige mantelzorger, werd gevraagd of die persoon volgens hem of haar langer thuis had kunnen blijven wonen. Volgens de respondenten had dit in bijna één op drie van de gevallen, weliswaar onder bepaalde voorwaarden, ‘misschien’ (19%) of ‘zeker’ (10%) gekund, wat overeenkomt met zo’n 47.000 rusthuisopnames. De voorwaarden die worden genoemd, zijn: meer mantelzorg, meer thuiszorg en ook thuiszorg ’s avonds, ’s nachts en in het weekend en op een occasionele eerder dan continue basis, alsook woningaanpassing.

Al snel blijkt echter dat 47.000 rusthuisopnames geen haalbare kaart is. Zo stelt minder dan de helft van de voormalige mantelzorgers die zeggen dat de rusthuisopname misschien of zeker had kunnen worden uitgesteld, dat ze ook meer hadden willen helpen om dat resultaat te realiseren. Van de 47.000 rusthuisbedden die door een optimale uitbreiding van de mantelzorg kunnen worden bespaard, is in het beste geval dus slechts 21.150 bedden haalbaar.

Vraagt men vervolgens de mensen die stellen dat ze meer hadden willen helpen, waarom ze dat dan niet gedaan hebben, dan zeggen velen dat het werk of de gezinslasten hen dat onmogelijk maakten, dat de zorgbehoevende persoon dat niet wilde, dat het emotioneel heel belastend zou zijn geweest, het leven zou hebben ontwricht. Als men aanneemt dat mensen die drie gewichtige redenen noemen om niet meer te helpen dat ook niet zouden kunnen, dan schat men dat er in het beste geval nog 6.800 rusthuisopnames bijkomend kunnen worden uitgesteld door een optimale expansie van mantelzorg en thuiszorg. Acht men één gewichtige reden voldoende om te verwachten dat er niet meer mantelzorg geboden zou worden, dan schat men de mogelijk bijkomende uitgestelde rusthuisopnames bij de 3.000.

Het blijken vooral de mensen met een lagere sociaaleconomische status te zijn die stellen dat ze meer hadden willen helpen om de rusthuisopname uit te stellen. Elders uit de enquête bleek dat juist net deze groepen aangaven financiële moeilijkheden te ondervinden met het bekostigen van de noodzakelijk ondersteunende thuiszorg. Hen in staat stellen om ook effectief meer mantelzorg op zich te nemen, is dus duidelijk afhankelijk van de mate waarin deze financiële drempel wordt weggenomen. Een maximumfactuur in de thuiszorg dringt zich op.

Tot slot valt de eventuele expansie van de mantelzorg vooral te verwachten in de ouder-kindrelatie: voor moeders had men in 60% van de gevallen meer willen helpen, voor vaders in 52% van de gevallen, voor schoonmoeders in 46%, voor schoonvaders in 24% van de gevallen, voor andere familieleden in 36% van de gevallen en voor vrienden in 31% van de gevallen.

Het is duidelijk dat vandaag heel wat mantelzorgers op de limieten van hun mogelijkheden zijn gestuit wanneer de persoon waarvoor zij zorgen in een rusthuis wordt opgenomen. In die gevallen waar de mantelzorg de rusthuisopname kan uitstellen, gaat het in feite dikwijls om de beslissing de zorgbehoevende te laten inwonen. De 3.000 tot 6.800 rusthuisbedden die mogelijk door een verdere vermaatschappelijking kunnen worden bespaard, zullen in de praktijk grotendeels moeten worden vervangen door het inwonen van de zorgbehoevende bij de mantelzorger. Dit is echter niet alleen nu slechts al bij 8% van de respondenten het geval, het is ook vanuit het standpunt van toekomstig zorgbehoevenden een bijzonder weinig populaire optie.

MENSEN WILLEN HUN KINDEREN NIET TOT LAST ZIJN

In de enquête werd ook onderzocht hoe de mensen vooruitblikken op hun eigen oude dag. Hieruit blijkt dat de 45 tot 75-jarigen dat met enige bezorgdheid doen. Haast een kwart van de mensen vreest eenzaam te worden en 39% vreest in de financiële problemen te geraken. De kans dat men zich zorgen maakt, neemt vrij sterk toe naarmate het risico op eenzaamheid groter is (alleenstaanden, mensen zonder kinderen en mensen zonder informeel netwerk), de gezondheid minder goed is en de sociaaleconomische status zwakker is. Desondanks nemen de respondenten relatief weinig voorzorgsmaatregelen. De meest voorkomende maatregelen zijn het afbetalen van de woning (45%), speciaal letten op de gezondheid (43%) en sparen voor de oude dag (30%). Slechts 8% maakt afspraken met kinderen voor wat betreft de verzorging later. Deze maatregel wordt vooral genomen door mensen met een lagere sociaaleconomische status.

De enquête bevestigt nogmaals dat de overweldigende meerderheid van de mensen het liefst zelfstandig wil blijven wonen (hetzij in de eigen woning, hetzij in een aangepaste woning of serviceflat), moesten ze ooit zelf zorgbehoevend worden en dit zeker zolang de partner nog leeft. Wanneer de partner er niet meer zou zijn, wordt het rusthuis toch voor één op vijf een optie. Het gaan inwonen bij de kinderen alsook het gaan samenwonen met andere ouderen blijken weinig populaire opties. Het gaan inwonen bij kinderen is slechts voor 5% van de respondenten een optie als de partner nog leeft, voor 9% indien de partner niet meer leeft.

Bovendien blijkt uit de enquête dat de verwachtingen van de 45 tot 75-jarigen ten aanzien van de kinderen voor de verzorging later zeer bescheiden zijn. Als al op hen wordt gerekend, is het voor hulp bij verplaatsingen, gezelschap houden en hulp bij de administratie en het huishouden. Voor hulp in het huishouden en persoonlijke verzorging rekenen mensen aanzienlijk meer op de professionele thuiszorg dan op de kinderen of op de partner. Mensen willen blijkbaar hun kinderen niet tot last worden, terwijl ze zelf wel massaal zorg dragen voor hun zorgbehoevende ouders. Op andere familieleden, vrienden en buren wordt eigenlijk nog enkel in betekenisvolle mate gerekend voor gezelschap en voor hulp bij verplaatsingen.

De 45 tot 75-jarigen blijken overigens sterk verdeeld over de vraag of kinderen al of niet een morele plicht hebben om voor hun ouders te zorgen. Vrij grote proporties stemmen in met uitspraken die in zekere zin de kinderen van die taak of plicht ontslaan: die zorg verstrekken is eerder een zaak voor professionals (57% akkoord), onze maatschappij is van die aard dat het niet meer mogelijk is voor de eigen ouders te zorgen (45% akkoord), de zorgbehoevende ouders zijn beter af in een rusthuis (32% akkoord) of men kan niet voor de ouders zorgen als men zelf nog kinderen heeft (35% akkoord).

De mensen blijken eveneens verdeeld over de vraag of mantelzorg mag worden opgelegd. 54% verwerpt het principe dat eerst wordt nagegaan wat de naaste omgeving nog kan doen alvorens over de omvang van de tussenkomst wordt beslist; 46% is dat principe genegen.

Tot slot heerst er ook verdeeldheid over de vraag in hoeverre financieel een beroep kan worden gedaan op de kinderen als de zorgbehoevende ouders onvoldoende financiële draagkracht hebben: volgens 56% van de respondenten kan dat in geen geval, volgens 44% kan het wel als de kinderen daartoe de middelen hebben (28%) of een erfenis te wachten staat (15%).

HET ALTERNATIEF? EEN STERKE (VLAAMSE) SOCIALE BESCHERMING 2.0

Een verdere vermaatschappelijking van de zorg lijkt er dus niet echt aan te komen: mensen verlenen al heel veel zorg aan zorgbehoevende ouderen. Nog meer dan wat er vandaag al wordt verleend, is nauwelijks nog mogelijk. Het op peil houden van het huidige hoge niveau van mantelzorg zou al een heel succes zijn. Daar moet op worden ingezet. Naar de toekomst toe willen mensen bovendien hun kinderen niet tot last zijn.

Wat is dan het alternatief? Als je het ons vraagt een sterk uitgebouwde ouderenzorg in al haar geledingen, die toegankelijk wordt gehouden via een sterke en universele verzekering voor de oude dag, een (Vlaamse) Sociale Bescherming 2.0. Aan deze verzekering draagt iedereen bij naar draagkracht (inkomen en vermogen) via vooraf ingehouden bijdragen en worden de tegemoetkomingen gemoduleerd in functie van de zorgbehoefte. Wij zien ons in deze eis gesterkt door de antwoorden op de enquête:

Ten eerste stellen we een brede steun vast voor de huidige zorgverzekering. Maar liefst 81% van de mensen steunt het verplichte karakter van de zorgverzekering. Vrij grote groepen steunen bovendien een eventuele koppeling aan het inkomen (23% inkomensgerelateerde bijdrage, 17% financiering via belastingen) en een verhoging van de bijdragen als dat ook leidt tot hogere vergoedingen (47%).

Ten tweede zien we een breed draagvlak voor een tussenkomst van de gemeenschap in de kosten van de thuiszorg, en dit voor zowel gezelschap houden (74%), woningaanpassing (77%), persoonlijke verzorging (86%) en hulp in het huishouden (88%). Een ruime meerderheid wil echter wel dat eerst wordt nagegaan of de zorgbehoevende het niet allemaal zelf kan bekostigen. Een meerderheid kiest dus voor means testing.

Dit laatste is in tegenstelling op antwoorden die elders in de enquête worden gegeven en waaruit blijkt dat bij twee derde van de respondenten de vrees leeft dat aanspraken op solidariteit ten koste gaan van mensen die zuinig geleefd en gespaard hebben, terwijl mensen die kwistiger geleefd hebben, de zogenaamde ‘potverteerders’, ervan zouden profiteren. Een aantal respondenten is duidelijk verscheurd tussen enerzijds een onderzoek van de middelen waarover een zorgbehoevende beschikt vooraleer op de gemeenschap een beroep wordt gedaan en anderzijds het risico dat zo’n aanpak precies die ‘potverteerders’ zou begunstigen en de spaarzamen bestraffen. Die situatie pleit in feite sterk voor een verzekering, waarbij de solidariteit op wederkerigheid steunt.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Zonder de zorg die verleend wordt door de 45 tot 75-jarigen zou het aantal rusthuisbedden in Vlaanderen op zijn minst moeten verdubbelen. Nog meer ‘vermaatschappelijking’ is echter een zeer onrealistische verwachting. Uit de antwoorden van de nagenoeg 3.000 45 tot 75-jarige inwoners van het Vlaams Gewest, komen een aantal boodschappen duidelijk naar voor:

  • overheid, trek je niet terug, maar investeer in de ouderenzorg;
  • zet daarbij in op een ondersteunend beleid voor de mantelzorg, als middel om de huidige, hoge inzet van mantelzorgers op peil te houden en bij te dragen tot de levenskwaliteit van mantelzorgers en zorgbehoevenden;
  • help de zorgbehoevende oudere mensen die dat willen, en dat is de grote meerderheid van hen, om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen;
  • zet in op een verdere uitbreiding en waar mogelijk flexibilisering van de thuiszorg;
  • maar blijf ook inzetten op de uitbreiding van een menselijk en kwaliteitsvol residentieel aanbod;
  • maak tot slot werk van een sterke en universele (Vlaamse) Sociale Bescherming 2.0, waar iedereen aan bijdraagt volgens draagkracht en vermogen en waar de tegemoetkomingen zijn afgestemd op de zorgbehoeften;
  • een maximumfactuur voor de zorg maakt het verhaal compleet.

Katrien Vervoort
Stafmedewerkster studiedienst Socialistische Mutualiteiten
Mark Elchardus
Socioloog
Paul Callewaert
Algemeen secretaris Socialistische Mutualiteiten

Noten
1/ Vermaatschappelijking van de zorg vormt één van de uitgangspunten in de Vlaamse conceptnota omtrent de toekomstige ouderenzorg: Vlaams welzijns- en zorgbeleid voor ouderen. Dichtbij en integraal. Visie en veranderingsagenda.
2/ Het onderzoek werd uitgevoerd door de onderzoeksgroep TOR van de Vrije Universiteit Brussel, in samenwerking met ResearchAnalysisVision. De volledige onderzoeksrapporten zijn beschikbaar op www.socmut.be/studies.
3/ Zij vertegenwoordigen de 2.380.869 (schatting van 2011) inwoners van die leeftijd. Dat betekent dat het gaat om een steekproef van 0,12% van de onderzoeksbevolking. Elk persoon in de steekproef vertegenwoordigt 824 personen in de bevolking. De steekproef werd getrokken op het Rijksregister. Er werd gebruik gemaakt van een zuivere toevalssteekproef.
4/ Hetzij een brutorespons van 48% en een geschatte nettorespons van 53%.

mantelzorg - thuiszorg - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 9 (november), pagina 50 tot 57