Log in

'Massaal jobs voor laaggeschoolden subsidiëren'

Interview met Bea Cantillon (Sociologe)

Waarom slaagt de welvaartsstaat er niet langer in om ongelijkheden en armoede succesvol terug te dringen? Over die vraag buigt Bea Cantillon, sinds 1995 directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck aan de Universiteit Antwerpen, zich in haar pas verschenen opus magnum De staat van de welvaartsstaat. Vandaag zitten we aan de onderkant van de arbeidsmarkt met een grote groep ‘economisch overbodigen’. Om hen aan het werk te krijgen, heb je gewoonweg méér welvaartsstaat nodig. "Laten we stoppen met de politiek van lineaire lastenverlagingen en massaal jobs voor laaggeschoolden subsidiëren."

Het nieuwe Havenhuis in Antwerpen. Bij het begin van het gesprek vertrouwt Bea Cantillon ons toe dat de passende metafoor van hoe de architectuur van onze welvaartsstaat er vandaag uitziet haar pas na het ter perse gaan van De staat van de welvaartsstaat (Acco) te binnen schoot. Net zoals bij het nieuwe Havenhuis bovenop het oude gerestaureerde brandweergebouw een nieuwe constructie is geplaatst, is doorheen de jaren bovenop onze oude welvaartsstaat een hele nieuwe architectuur gekomen.

Vroeger stond de ‘oude’ welvaartsstaat vooral in het teken van het bevrijden van en beschermen tegen hard labeur door middel van sociale zekerheid. Dat is nog steeds zo. Maar daarbovenop moet de ‘nieuwe’ welvaartsstaat er vandaag voor zorgen dat zoveel mogelijk mensen kunnen deelnemen aan de nieuwe economie. De welvaartsstaat is niet minder beginnen werken, maar net meer en vooral anders: ze werd meer een investeringsstaat, de sociale bescherming meer activerend en de welvaartsstaat meer dienstverlenend.

Ondanks een historisch ongeëvenaard hoog niveau van sociale overheidsuitkeringen spreekt Bea Cantillon onomwonden over ‘een tragiek’ als ze de staat van de welvaartsstaat vandaag overschouwt. Natuurlijk zijn er tekenen van hoop - ze noemt de soms succesvolle strijd voor de verhoging van de sociale minima, de quasivoltooiing van de vrouwenemancipatie, de trage maar gestage vooruitgang van het Europese sociale project -, maar au fond is de welvaartsstaat aan de verliezende hand in de strijd tegen de dualisering van de samenleving en tegen de stijgende armoede bij slachtoffers van de nieuwe, globale economie. De welvaartsstaat staat meer dan vroeger ten dienste van de markt. Maar zij zorgt minder goed dan voorheen voor de mensen die er het meest afhankelijk van zijn: de werklozen, de leefloontrekkers, de gezinnen waar niemand aan het werk is.

Bea Cantillon heeft met dit indrukwekkende boek de partituur van het standaardwerk van haar mythische voorganger Herman Deleeck, De architectuur van de welvaartsstaat (1992), bewerkt en herschreven, er nieuwe bedrijven en thema’s aan toegevoegd, maar haar interpretatie kleurt rauwer en donkerder. "De optimistische lezing van Deleeck was dat als we maar hard genoeg ons best deden, de welvaartsstaat de mazen in het net wel gedicht kreeg," aldus Cantillon. "Die analyse gaat vandaag niet meer op. Met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn er enorme spanningen tussen sociale en economische doelstellingen ontstaan. Daar zit een groep mensen die economisch overbodig zijn geworden, al onze inspanningen ten spijt."

Welke onopgeloste problemen ziet u aan de onderkant van de arbeidsmarkt?

"Ten eerste is er de scheve verdeling van jobs over huishoudens. De groep van ‘werkrijke’ gezinnen, noem ze de ‘hardwerkende Vlamingen’, is groter geworden. Ze maken vandaag ongeveer 70% van alle gezinnen op actieve leeftijd uit. Daartegenover staat een groep gezinnen waar niemand aan het werk is. Deze ‘werkarme’ gezinnen vertegenwoordigen nog steeds 10% van alle gezinnen. Het armoederisico bij die gezinnen is gestaag toegenomen, van 45,9% in 2002 tot meer dan 62% nu."
"De hoge werkloosheid bij laaggeschoolden is niet alleen het gevolg van het verlies van laaggeschoolde jobs. Met de digitalisering verdwijnen vooral de jobs in het midden; kijk naar ING. Dat leidt tot het verdringen van de zwakkeren op de arbeidsmarkt."
"Ten tweede is er een druk op de lage lonen en daardoor ook een druk op de sociale bescherming van die werkarme gezinnen. Het minimumloon is sinds de jaren 1990 met nauwelijks 1% gestegen tegen een stijging van het gemiddelde loon met 14%. De druk op de lage lonen is een belangrijke hindernis in de strijd tegen armoede. De sociale minima blijven ontoereikend, vooral voor gezinnen met kinderen, ook omdat ze tegen het ‘glazen plafond’ van de minimumlonen botsen."
"Tot slot is er het probleem van de onbetaalde zorgarbeid en andere maatschappelijk zinvolle activiteiten. Dat is het cement van onze samenleving, maar er staat vaak geen economische waarde tegenover. We zien dat vooral lager geschoolde vrouwen onbetaald werken. Niet werken om te ‘zorgen voor elkaar’ is vandaag nauw verbonden met armoedesituaties. In ons model, dat steunt op wederkerigheid en economische prestaties, krijgen die activiteiten geen plaats."

Hoe komt het dat we deze groep niet meer op de arbeidsmarkt krijgen?

"Het is duidelijk dat de markt voor die mensen niet vanzelf kwaliteitsvolle jobs creëert. Al drie decennia schommelt de tewerkstellingsgraad onder laaggeschoolden rond de 40%. België doet het op dat vlak heel slecht. Maar ook het best presterende land, Nederland, zit voor die groep slechts aan een tewerkstellingsgraad van 60%. We slagen er niet in om die mensen op de arbeidsmarkt te krijgen. Een doorgedreven activering en flexibilisering hebben alleszins niet gewerkt."

Wat kan dan wel werken?

"Om hen aan het werk te krijgen, heb je gewoonweg méér welvaartsstaat nodig. We moeten masssaal jobs subsidiëren voor laaggeschoolden. Voor een stuk doen we dat al. Er is de werkbonus die een vermindering van werknemersbijdragen aan de sociale zekerheid betekent, er zijn de dienstencheques die een betaalmiddel zijn met een financiële tegemoetkoming van de overheid, er is het doelgroepenbeleid, en we kennen de sociale Maribel die de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector via de creatie van bijkomende arbeidsplaatsen tot doel heeft. Het zijn jobs die - willen ze kwaliteitsvol zijn - niet op een economische manier kunnen worden gecreëerd en waar de interventie van de overheid nodig is."

In een poging om laaggeschoolde jongeren aan het werk te krijgen, verlaagt de regering-Michel de brutominimumlonen van jongeren, zonder aan het nettoloon te raken. Een goede zaak?

"Het is geen verkeerde beslissing. Het betekent alleszins wel dat de uitgaven in de werkbonus gaan stijgen. Ik weet niet of ze dat op voorhand hebben doorgerekend (lacht). Het is simpel: wil je jobs voor laaggeschoolden creëren, moet je werk goedkoper maken voor de markt door de brutolonen naar beneden te halen en er als welvaartsstaat zelf aan toe te leggen zodat er geen nettoloonverlies is. De laagste lonen zijn immers ontoereikend, vooral voor alleenstaande ouders met kinderen. Dit kost de overheid een pak geld. Maar het is precies één van de nieuwe taken van de nieuwe welvaartsstaat 2.0: laagproductieve arbeid subsidiëren. Dat kan bijvoorbeeld met dienstencheques."

Collega’s van u vinden dienstencheques, die vooral de middengroepen ten goede komen, niet het allerbeste instrument in tijden dat er weinig geld is.

"Dat is zo. Maar laten we eens dieper kijken. De legitimiteitsbasis van onze welvaartsstaat is fel aangetast. Deze rust op het principe van ‘solidariteit in wederkerigheid’. Maar door de economische overbodigheid van mensen met een lage schoolse vorming heeft dit uitgangspunt aan betekenis verloren. Daarom moet de welvaartsstaat op zoek naar nieuwe vormen van wederkerigheid. Ik vind de dienstencheques wél een sterk instrument, precies omdat ze solidariteit in wederkerigheid én verbondenheid organiseren. Vooral dat laatste is zeer belangrijk. Op onze arbeidsmarkt met een enorme polarisering tussen werkrijke en werkarme gezinnen breng je zo groepen mensen bij elkaar. Mensen luisteren naar mekaars verhalen. Er ontstaat empathie."

Deze regering hoopt deze groep ook aan het werk te krijgen door arbeid goedkoper te maken via een lineaire verlaging van de werkgeversbijdragen van 33 naar 25 procent voor alle werknemers.

"We moeten stoppen met zulke algemene lastenverlagingen. Het zijn dure en blinde ingrepen waarvan het effect als jobcreator beperkt is. Lastenverlagingen voor hoger geschoolden, denk aan zij die in consultancybedrijven werken, zijn niet nodig. Het is tijd om die vaarwel te zeggen. Selectieve lastenverlagingen zijn beter, maar ook die zijn blind. Want je omlijnt wel de doelgroep die je wil bereiken, maar niet het type job dat gecreëerd wordt. Beter zijn specifieke lastenverlagingen gericht op niches die een grote maatschappelijke meerwaarde hebben. Als de overheid werk moet ondersteunen, moet ze nadenken waar dat het best kan gebeuren. Ik denk dan vooral aan de zorgsector, aan de ondersteuning van gezinnen, aan het onderwijs, aan het milieu. Ik weet het, we zitten nu al aan een plafond van sociale overheidsuitgaven, maar we moeten die zaken fors uitbouwen om de hoogtechnologische samenleving van morgen beter te maken."

Hoeveel zou het kosten om de armoedekloof te dichten?

"Iedereen moet samen naar boven. Als we de hele bodem optillen, en dus rekening houden met het zogenaamde ‘glazen plafond’ (n.v.d.r., de laagste lonen werken als een soort glazen plafond voor al wat eronder zit: de werkloosheidsuitkeringen, het leefloon, de bijstand), dan kost dat 3% van de beschikbare inkomens van alle gezinnen."

Waar gaan we dat geld halen?

"We moeten de welvaartsstaat progressiever maken. Een lastenverschuivingen van arbeid naar vermogen is een belangrijke stap. Ook de personenbelasting moet opnieuw progressiever. Waarom geen marginale aanslagvoet van 55% zoals vroeger het geval was, in plaats van 50% nu? Ook de uitgaven moeten selectiever en meer herverdelend. Langs beide kanten moet dus worden ingegrepen. Want met de huidige middelen is het onmogelijk om bovenop het bestaande beleid veel bijkomende middelen vrij te maken. Daarbij moeten we bedenken dat sociale overheidsuitgaven veel minder herverdelend zijn dan vaak wordt gedacht. Er zijn ook nieuwe Mattheüseffecten: veel van de uitgaven die ten dienste staan van de nieuwe economie vloeien veeleer naar hogere groepen. Denk maar aan de kinderopvang."

Meer selectieve uitgaven, zegt u. Daarmee kan je beter armoede bestrijden maar het heeft ook belangrijke nadelen, zeggen critici.

"Meer selectieve uitgaven creëren inderdaad armoede- of werkloosheidsvallen voor diegenen die zich in de buurt bevinden van de bepalende inkomensgrenzen en lage loonvallen voor diegenen die zich wat hoger bevinden. Bovendien zijn hogere inkomensgroepen misschien minder bereid om voor selectieve systemen bij te dragen omdat ze er zelf geen direct belang bij hebben. De architectuur van selectieve systemen moet dus zorgvuldig worden uitgewerkt. Best worden de logica’s van de universaliteit en de selectiviteit zoveel mogelijk vermengd. De maximumfactuur in de gezondheidszorg en de verhoogde kinderbijslagen voor bepaalde sociale groepen zijn daarvan goede voorbeelden."

Zijn de werkloosheidsvallen altijd even groot geweest? Hoe zijn die de voorbije decennia geëvolueerd?

"In de jaren 1990 werd de strijd tegen werkloosheidsvallen vooral gevoerd door de uitkeringen niet of niet volledig mee te laten evolueren met de lonen. Begin de jaren 2000 werden belangrijke bijkomende maatregelen genomen om de werkloosheidsvallen te bestrijden. De invoering van de reeds vermelde werkbonus was een belangrijke ingreep om het inkomen van lageloontrekkers te ondersteunen en zo laagbetaalde arbeid financieel aantrekkelijker te maken. Het zorgde voor een groter verschil tussen het nettogezinsinkomen van werkenden en uitkeringstrekkers."
"De inspanningen zijn dus opgedreven, maar eigenlijk zijn de welvaartsvallen de voorbije twintig jaar op hetzelfde niveau blijven hangen. Het is het verhaal van de hond die in zijn staart probeert te bijten. Als de laagste lonen zakken, moet de overheid steeds meer toeleggen. Dat kost geld, waardoor je dus niet veel meer over hebt om daarbovenop nog de sociale minima te verhogen. Dat heeft men zo nu en dan noodzakelijkerwijs natuurlijk wel gedaan, wat op zijn beurt de vooruitgang inzake de werkloosheidsval tenietdeed."

Kunnen meer deeltijdse en atypische jobs een oplossing zijn voor de onderkant van de arbeidsmarkt?

"Het deeltijds werk is sterk aan het toenemen in België. Bij die groep zit zeker een verhoogd armoederisico, maar dat wordt voor een stuk dichtgereden door ons systeem van loopbaanonderbreking, tijdskrediet, enzovoort. Laten we van deeltijds werk geen taboe maken."
"We mogen niet blind zijn. In Nederland ligt het aandeel werkende laaggeschoolden een stuk hoger dan bij ons. Er zijn minder werkarme gezinnen. De vraag is: heeft dat te maken met een groot aandeel deeltijdse banen? Ik vermoed van wel. Als je de analyse maakt dat de jobs in het midden verdwijnen, wat op zijn beurt de onderste groepen onder druk zet, dan lijkt het plausibel om aan te nemen dat een betere verdeling van de jobs in het midden de druk vermindert op de onderkant. Een deel van de oplossing is dus dat we de beschikbare jobs beter moeten verdelen."

Bent u een voorstander van een algemene arbeidsduurvermindering?

"Daar ligt volgens mij niet het antwoord op de problemen aan de onderkant van onze arbeidsmarkt. Er zijn geen algemene, eenvoudige en universele oplossingen."

Anderen pleiten voor een basisinkomen om iedereen een menswaardig bestaan te geven.

"Los van het feit dat een voldoende hoog basisinkomen financieel niet haalbaar is, geloof ik niet dat we een basisinkomen uit de lucht kunnen doen vallen. Dat is een veel te grote ingreep waar we als samenleving niet klaar voor zijn. Om een basisinkomen betaalbaar en rechtvaardig te maken zouden we bijvoorbeeld een veel beter fiscaal systeem nodig hebben. Dat lijkt me een voorafgaandelijke voorwaarde. De welvaartsstaat is ook nooit een utopie geweest. Ze is niet gestoeld op een blauwdruk van een ‘gesloten toekomst’, maar langzaam gegroeid, blok voor blok opgebouwd, voortdurend zoekend naar evenwichten in alsmaar wisselende spanningsvelden. Er zijn geen eenvoudige oplossingen."
"Op een manier zijn we al naar een soort van basisinkomen aan het evolueren: we hebben een belastbaar minimum, minima in sociale verzekeringen, een leefloon, een kinderbijslag, enzovoort. Tel al die zaken op en je zit de facto niet zo ver meer van een basisinkomen af. De instrumenten zijn er dus; al hebben ze natuurlijk niet allemaal de optimale design. Wat ontbrak in de puzzel was een instrument dat werkende mensen ondersteunt. Dat hebben we nu met onze werkbonus, die sinds 2000 bestaat. Het is een belangrijk nieuw instrument in de geschiedenis van de welvaartsstaat, precies om de druk op de onderkant van de arbeidsmarkt te verlichten."

De regering-Michel is nu bijna halfweg de legislatuur. Wat is uw oordeel over haar eerste twee jaar?

"Deze regering heeft geen globaal plan, met kleine ‘g’ en kleine ‘p’ (lacht). Ze is vertrokken van een aantal dada’s - lagere lasten, een begroting in evenwicht, besparen - maar er is geen coherent geheel. Er zit geen lijn in. Men doet maar wat. Door de druk op langdurig werklozen verder te verhogen, door gelijkgestelde periodes voor langdurig werklozen af te schaffen, heb je voor hen natuurlijk nog geen jobs gemaakt."

Ziet u inzake armoedebeleid een breuk met de regeringen voor haar?

"De druk op langdurige werklozen wordt al decennia opgedreven. Dat was met de vorige regeringen niet anders. De vraag is wanneer dat zal stoppen. Heb je ooit al een poging gedaan om te begrijpen hoe het systeem van de degressiviteit van de werkloosheid in elkaar zit? Het is compleet onbegrijpelijk. Je zult maar langdurig werkloos zijn. Je hebt totaal geen idee hoe jouw uitkering zal evolueren. De sociale bescherming werd steeds strenger voor mensen aan de onderkant van de samenleving met meer sancties en meestal ook lagere uitkeringen. En steeds meer mensen vallen terug op een leefloon."
"Feit is dat de sociale zekerheid het moeilijk heeft met het risico van ‘economische overbodigheid’. Als laaggeschoolden werk hebben, verdienen ze te weinig om bijdragen te betalen voor de sociale verzekering. En als ze werkloos zijn, kunnen we geen treffelijke uitkeringen meer voorzien."

Hoe kunnen we die vicieuze cirkel doorbreken?

"We moeten naar een 0-belasting voor lage inkomens en sterkere belastingkredieten voor lage lonen en meer werk in de sociale economie, de zorgsector, enzovoort."

Terug naar het armoedebeleid van de federale regering...


"(onderbreekt) Er is gewoonweg geen armoedebeleid. Hetzelfde geldt voor de Vlaamse regering. Ik zei ooit dat men de Vlaamse minister van Armoede maar moest afschaffen. Daar blijf ik bij. Er is veel kritiek op Liesbeth Homans, en terecht, maar ook haar voorgangsters voerden een versplinterd armoedebeleid en zetten in op een aantal zichtbare projecten. Het Kinderarmoedefonds van Ingrid Lieten was van dezelfde orde als de 1 euro maaltijden van Liesbeth Homans. Morrelen in de marge. Maar dat is onvermijdelijk wanneer het bredere kader ontbreekt."

Hoe cynisch is dan de uitspraak van Liesbeth Homans dat we haar op het einde van de legislatuur mogen afrekenen op de halvering van de kinderarmoede?

"Dat is niet cynisch; dat is dom. Ik ben niet tegen 1 euro maaltijden, maar daarmee ga je de kinderarmoede niet halveren. Idem voor het federale niveau. Het is dom om in de regeringsverklaring te zetten dat de minima zullen worden opgetrokken tot aan de Europese armoedenorm zonder op voorhand uit te rekenen hoeveel dat gaat kosten."

Welke boodschap wil u met uw boek aan onze beleidsmakers meegeven?

"Dat armoedebestrijding veel geld kost en dat dit een zeer grote inspanning vergt van de samenleving als geheel. Ik besef dat dit een moeilijke boodschap is. Want door zoiets te zeggen, leg je een loodzware agenda op de tafel. Met de huidige middelen is het niet mogelijk efficiënt aan armoedebestrijding te doen, tenzij we grote ingrepen doorvoeren in ons herverdelingsmechanisme. De inkomsten moeten progressiever en de uitgaven selectiever."

Hoe verklaart u de moeilijkheid een draagvlak te vinden om de sociale bescherming voor mensen die onderaan de ladder staan, te verbeteren?

"De scheve verdeling van werk over de gezinnen, waar ik eerder over sprak, zorgt voor een verscherping van de sociale verschillen in de samenleving. De ‘hardwerkende gezinnen’ behoren vaak tot andere sociale en culturele groepen dan gezinnen die niet profiteerden van de tewerkstellingsgroei. De ‘wij’ die minder afhankelijk zijn van de welvaartsstaat hebben een ander sociaal profiel dat de ‘zij’, de afhankelijken die moeilijk een plaats weten te veroveren in de nieuwe economie."

Hoe kunnen we dat draagvlak dan vergroten?

"Daarvoor is een samenleving nodig die van binnenuit sterker is. Het sociale weefsel is ongelooflijk belangrijk. Het middenveld speelt daarin een grote rol. Ik geloof sterk in alle initiatieven die her en der aan het groeien zijn. Ze rijden gaten dicht, maar creëren tegelijkertijd verbondenheid."

Welke van die kleine revoluties zie je op termijn onderdeel worden van onze welvaartstaat?

"Meer dan ooit zal de welvaartsstaat moeten samenwerken met sociale, culturele, economische verenigingen die oog hebben voor sociale cohesie. Ik denk aan de Verenigde Verenigingen, Hart boven Hard, ... nieuwe bewegingen die de verschillende projecten in de samenleving capteren."

Van het oude middenveld, zoals vakbonden, wordt wel eens gezegd dat ze dat minder goed kunnen.

"De vraag is of dat de rol is van vakbonden. Vakbonden verdedigen de belangen van de werknemers in verschillende sectoren. Ze zijn door hun structuur niet bij machte om echt in te zetten op de bescherming van diegenen die buiten de arbeidsmarkt staan, hoewel ze dat wel proberen te doen. Gelukkig betalen ze nog de werkloosheidsuitkeringen. Dat is zeer belangrijk. Het maakt dat zij die stem nog verwoorden. Maar eens ze dat niet meer mogen doen, waar sommige partijen op aansturen, verdwijnt ook dat. De vakbonden kunnen de signalen van de outsiders die buiten de arbeidsmarkt staan dus moeilijk capteren. Het zijn vooral andere, kleinere middenveldorganisaties die dat moeten doen."

Er wordt vaak lacherig gedaan over kleine initiatieven aan de onderkant.

"Die worden door sommigen inderdaad vaak nog wat denigrerend bekeken. Anderen zien er dan weer potentiële concurrenten in voor de welvaartsstaat, voor de ‘belangrijke dingen’. Beide reacties zijn onterecht. Onze sociale economie herbergt een gigantisch potentieel. De kracht van verandering zit daar. Het zal van daaruit moeten vertrekken. Vroeger dacht ik zo niet. Lang dacht ik dat al die kleine initiatieven de veruitwendiging was van de welvaartsstaat die niet voldoende functioneerde en dat we dus die welvaartsstaat sterker moesten maken. Vandaag heb ik de redenering omgedraaid. We moeten de kleine initiatieven ondersteunen en van daaruit de welvaartsstaat sterker maken."

Ook linkse partijen zitten in een spagaat. Hun kiespubliek ligt niet noodzakelijk wakker van armoedebestrijding.

"Het is een kwestie om het uitgelegd te krijgen. Daarom moet links zwaar kapitaliseren op het middenveld. Laten we het nieuwe middenveld zoveel mogelijk ademruimte geven. Daar moeten we duizend bloemen laten bloeien. Zo is de welvaartsstaat ook ontstaan - van onderuit."
"De Brexit, Trump, ... het zijn wake-upcalls. Het is de rebellie van de onderkant, de veruitwendiging van de systemische crisis van de naoorlogse welvaartsstaat die niet meer goed genoeg voor die groepen zorgt. De gebeurtenissen van dit jaar moeten de elite ter linker- én ter rechterzijde tot nadenken stemmen. Want hoewel onze welvaartsstaat uiteraard veel beter werkt dan in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, is bij ons hetzelfde fenomeen aan de gang. Minder zichtbaar, minder scherp, minder rauw, maar ten gronde hetzelfde: ook wij zorgen onvoldoende voor wat Trump de ‘vele mannen en vrouwen die vergeten zijn’ heeft genoemd. Ik vind dat we die les niet genoeg trekken."

Nochtans hebben wij 25 jaar geleden onze schok al gehad met Zwarte Zondag.

"Er zijn parallellen. Toen waren de havenarbeiders, die in Borgerhout woonden, de slachtoffers van de eerste golf van de-industrialisering. Ondertussen is onze welvaartsstaat nog meer ten dienste komen te staan van de economisch sterkeren dan van de sociaal zwakkeren. Vandaag staan niet alleen de arbeiders maar de hele onderkant van de middenklasse onder druk. Niets dat zegt dat zo’n scenario zich bij ons niet kan herhalen."

foto's: Theo Beck

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 38 tot 47