Log in

Maak ons trots op Vlaanderen

HALFWEG BOURGEOIS I

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 78 tot 80

Geachte minister-president,
Beste Geert Bourgeois,

We kennen elkaar niet persoonlijk, al liggen onze roots op nauwelijks 15 kilometer van elkaar, in Izegem en Tielt. He zie hie van de streke. Als ik de media mag geloven, bent u ‘keurig, koppig maar grijs’, een ‘taai burgermannetje’ (Walter Pauli in Knack). Ook heel bescheiden, zei u zelf bij uw aantreden: ‘Neen, dit is niet waar ik op mikte toen ik in de politiek stapte of zo. Ik had wel de ambitie om lid te worden van het parlement (…), maar het minister-presidentschap? (…) Ik zie dit vooral als een opdracht. Ik word hier niet ijdel van, echt niet.’ (De Standaard, 26/07/2014). Een bescheiden West-Vlaming, ne werkre.

Een soort Mann ohne Eigenschaften lijkt het bijna, die zichzelf wegcijfert in het licht van de hogere opdracht die hij vervult. Maar wat is die hogere opdracht dan, vraag ik me af?

Uw levensdroom is wellicht de onafhankelijkheid van Vlaanderen, als ik Artikel 1 lees van de statuten van uw partij. Al is het tegenwoordig niet meer zo duidelijk wat dat betekent. Zelf formuleerde u het recent zo: ‘De N-VA ziet die onafhankelijkheid niet in de negentiende-eeuwse zin van het woord. In moderne naties sta je nooit meer helemaal op jezelf. Je bent altijd deel van een groter geheel. In België is er maar één oplossing: we moeten kiezen voor confederalisme met een gedeelde hoofdstad en maximale autonomie en verantwoordelijkheid voor Vlaanderen en Wallonië.’ (Knack, 21/09/2016)

Vindt u dat het als minister-president uw voornaamste opdracht is om te bewijzen dat confederalisme wel werkt en federalisme niet? Nochtans zie ik u niet succesvoller samenwerken met de andere gewesten dan met het federale niveau. Noch rond de slimme kilometerheffing voor personenwagens, noch rond het Eurostadion, de shoppingcentra of de Brusselse Ring. Ik zie eigenlijk eerder vechtregionalisme. Zoals in de CETA-episode, toen u collega Paul Magnette stevig in de haren vloog. Om van de luchthaven van Zaventem nog maar te zwijgen. Hoe gaat dat confederalisme ooit werken, vraag ik me dan af? Gaat dat allemaal veel beter werken nadat het federaal niveau verdampt is?

Eerlijk gezegd zou ik verwachten dat de eerste Vlaams-nationalistische minister-president van Vlaanderen prioriteit zou geven aan een andere opdracht: zorgen dat alle Vlamingen trots kunnen zijn op ons Vlaanderen. Voor een partij die zo veel waarde hecht aan gemeenschapsvorming en identiteit, lijkt me dat dé centrale doelstelling. Alleen zie ik die doelstelling niet bij u - als u ze al nastreeft, is het goed verborgen.

Als de partij waarvoor ik werk de minister-president van Vlaanderen zou mogen leveren, zou fierheid een hoeksteen zijn van wat we willen teweeg brengen. Zoals we vandaag zorgen dat Gentenaars, Mechelaars, Sint-Niklazenaren,… fier zijn op hun stad. En zoals we vanuit een federale regering fiere Belgen zouden nastreven. Want in onze visie hebben mensen meerdere identiteiten - en niet één exclusieve - maar is het evengoed belangrijk dat ze trots zijn op die identiteiten. Omdat die fierheid verbindt, tot solidariteit leidt, tot zorgen voor elkaar, tot een warme samenleving. Een beetje patriottisme kan nooit kwaad, zolang het niet exclusief en agressief wordt. Zolang we niet spuwen op mensen van andere gemeenschappen.

Dat u die trots op Vlaanderen persoonlijk weinig uitstraalt of erin slaagt om mensen daarin mee te nemen, is heel jammer maar à la limite geen ramp. We hebben niet alleen Martin Luther Kings nodig, maar ook Jean-Luc Dehaenes.

Wat niet alleen jammer is, maar volgens mij gewoon een fiasco, is dat het beleid van uw regering totaal geen aanleiding geeft om onze fierheid voor Vlaanderen groter te maken.

Nochtans is er nu al veel om fier op te zijn in Vlaanderen. Veel Vlamingen, vooral. Al die mensen die zich dagelijks inzetten om onze samenleving vooruit te helpen, als werknemer, vrijwilliger, zelfstandige, ambtenaar, mantelzorger, leraar, jeugdtrainer,… noem maar op. Doeners, zeggen we bij Groen. Al die solidariteit met vluchtelingen, al die spontane zorg voor ouderen, al die anderstaligen die onze taal onder de knie proberen krijgen, al die jongeren die vol goesting een eerste job zoeken.

En wat zou onze Vlaamse trots verder kunnen voeden? Een menselijker, eerlijker en gezonder Vlaanderen.

Als we bijvoorbeeld een regio zouden zijn met een economie die internationaal bewonderd zou worden omdat ze op kop loopt qua innovatiekracht, duurzaamheid en menselijkheid. Wat is nu de realiteit? In haar tweeëneenhalf jaar bestaan zet uw regering in op traditionele sectoren als logistiek en containertrafiek, op milieuonvriendelijke projecten als Uplace en op grootschalige biomassa. Moeten we daar nu trots op zijn? Kunnen we niet beter veel harder investeren in (kleinschalige) duurzame maakindustrie, Sustainability Valley, de regio met de minste burn-outs ter wereld? Daar zou volk naar komen kijken, zo’n beleid zou de wereld ons benijden.

Als we bijvoorbeeld een regio zouden zijn met een ruimtelijke ontwikkeling die internationaal bewonderd zou worden omdat ze op kop loopt op vlak van slimme klimaatoplossingen, vervlechting van wonen, werken en winkelen, en van ontwikkeling van open ruimte. Maar wat is de realiteit? Uw regering zet in op het verder volbouwen van Vlaanderen, op netto ontbossen en op nog meer winkel(centra) buiten de kernen. Gaat er daar volk komen naar kijken? (Misschien om te zien hoe het niet moet, ja.) Kunnen we niet beter werk maken van het schrappen van woonuitbreidingsgebieden, het sterker stimuleren van inbreiding op bedrijventerreinen, het écht heropwaarderen van winkelkernen in steden en dorpen? Dat is waar Groen de Vlaming trots op zou willen maken: een dichtbevolkte regio die er wél in slaagt economie en open ruimte te verzoenen.

Of als we bijvoorbeeld een regio zouden zijn met een samenleven-beleid dat internationaal bewonderd zou worden omdat het op kop loopt qua snelle integratie van vluchtelingen, bodemscores inzake discriminatie en een verenigingenweefsel waar zowat alle inwoners actief in zijn. Maar wat is de realiteit? Uw regering laat erkende (oorlogs)vluchtelingen quasi aan hun lot over op de woon- en arbeidsmarkt, blokt alle nieuwe instrumenten af in het discriminatiebeleid, bespaart op cultuur en ontmantelt hele delen van middenveld zoals de integratie- en de erfgoedsector. Moeten we daar nu trots op zijn? Kunnen we niet beter werk maken van een actiever, aanklampend integratiebeleid ook ná die korte inburgeringsperiode, van een lik-op-stuk-beleid voor discriminerende werkgevers en verhuurders, van nieuwe zuurstof voor onze verenigingen? Met dát soort beleid zouden we internationale prijzen pakken.

Het is natuurlijk niet allemaal kommer en kwel. Ik kan best trots zijn op uw slimme kilometerheffing voor vrachtwagens (al mag ze best nog slimmer), op de daling in het aantal vroegtijdige schoolverlaters, op het toegenomen aanbod in onze woonzorgcentra, op de daling in de jeugdwerkloosheid. Ik was ook trots toen ik in september zag dat mijn minister-president zich persoonlijk kantte tegen het boerkini-verbod en het noodtoestand-idee van uw partijgenoten.

Maar het mag allemaal veel meer zijn. U heeft de ambitie om een regering te leiden die wil ‘vertrouwen, verbinden, vooruitgaan’, die zorgt voor groei na de snoei, die hervormt meer dan ze bespaart. Welnu, beste minister-president, na tweeëneenhalf jaar voel ik veel van uw beleid (als ik naar mijn elektriciteitsfactuur kijk, bijvoorbeeld), maar ik voel weinig bij uw beleid. Make Flanders great again is voor u en uw regering wat hoog gegrepen. Make us proud again zou al veel zijn. Preus lik fjèrtig, zoals ze bij ons zeggen.

Met vriendelijke groeten,

Pieter De Gryse
Politiek directeur Groen

Brieven aan Bourgeois I - Vlaamse regering

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 78 tot 80