Abonneer Log in

Waarom argumenten niet voldoende zijn

ZO WIN JE VANDAAG HET POLITIEKE GEVECHT

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 1 (januari), pagina 14 tot 18

Jouw standpunten rusten op een stevig fundament van onbetwistbare feiten en vlijmscherpe logica. En dus zal, als je die feiten en die logica goed uitlegt, iedereen uiteindelijk wel inzien dat jij vanzelfsprekend gelijk hebt. Als je dat gelooft, vrees ik dat ik je moet teleurstellen. Argumenten zijn zelden de beste manier om iemand te overtuigen. De mens is nu eenmaal meer buik dan hoofd. En ja, dat geldt ook voor u, de SamPol-lezer.

ZO WIN JE VANDAAG HET POLITIEKE GEVECHT

Waarom argumenten niet voldoende zijn
Ruben Mersch
Die andere taalstrijd
Jan-Pieter Everaerts
Het juiste bericht, bij de juiste persoon
Jurgen Masure en Candice Douret
Wat vraagt u voor uw stem?
Philippe De Vries

Apen zijn links. Dat is de – ik geef toe – enigszins uitvergrote conclusie die je kan trekken uit een experiment van primatoloog Frans de Waal. De Waal had kapucijnaapjes geleerd om een eenvoudige opdracht uit te voeren. Ze moesten een steen teruggeven aan de onderzoeker, in ruil kregen ze dan een schijfje komkommer. Dat vonden die aapjes schijnbaar voldoende als loon. Tot de aapjes ontdekten dat andere apen voor hetzelfde werk beter betaald werden. Toen ze zagen dat sommige apen geen smakeloos stuk komkommer, maar wel een lekkere druif kregen weigerden ze verder mee te werken. De onderbetaalde apen werden razend. Ze gooiden hun komkommers terug naar de onderzoeker en begonnen hun kooi te slopen. ‘Gelijk loon voor gelijk werk’, je hoort het hen bijna roepen.

Moraliteit is al een oud beestje. Veel van onze morele emoties delen we met andere sociale dieren. Rechtvaardigheidsgevoel, maar bijvoorbeeld ook respect voor autoriteit (denk aan de alfamannetjes bij gorilla’s) en empathie (geef een rat de keuze tussen een lekker stuk chocolade en het redden van een soortgenoot en hij laat de chocolade links liggen). Ook ‘eigen volk eerst’ is dieren niet vreemd. Apen delen hun voedsel wel met andere leden van hun groep, maar niet met buitenstaanders.

Dieren staan niet bekend om hun abstracte redeneervermogen of hun feitenkennis. Toch hebben ook zij een vorm van moraliteit. Wat leert ons dat over de mens? Zijn ook menselijke morele oordelen enkel gebaseerd op emotie of speelt onze ratio ook nog een rol? Zijn wij hoofd of toch voornamelijk buik?

Het idee dat mensen rationele wezens zijn ligt al een tijdje onder vuur. Sinds de jaren 1970 zetten wetenschappers steeds vaker vraagtekens bij het idee dat ons sublieme denkvermogen de hoofdrol speelt als wij een oordeel vellen. Daniel Kahneman en Amos Tversky toonden aan dat als mensen vragen over waarschijnlijkheid oplossen of economische beslissingen nemen, ze systematisch afwijken van het rationele ideaal. Ons denken zit vol binnenwegen en achterpoortjes die dan wel tot een snel, maar zelden tot een accuraat antwoord leiden.

Onderzoekers als Jonathan Haidt, Paul Bloom en Dan Kahan openden de afgelopen decennia een nieuw front. Ook de menselijke moraliteit moet eraan geloven. Want ook bij het beantwoorden van vragen over goed en kwaad speelt onze ratio een veel kleinere rol dan we vaak denken. Dit inzicht is niet enkel gebaseerd op onderzoek naar morele emoties bij dieren. Peuters, die wel al kunnen voelen maar nog niet denken, maken al een onderscheid tussen goed en kwaad. Terwijl mensen met een intact redeneervermogen maar een gebrek aan morele emoties, psychopaten dus, niet echt bekend staan om hun goede inborst. Neurologisch onderzoek, onderzoek naar walging, naar mensen met een hersenbeschadiging, … het wijst allemaal dezelfde richting uit: op moreel vlak zijn we een speelbal van onze emoties en is er voor onze ratio slechts een bijrolletje weggelegd.

Rechtvaardigheid, empathie, verzet tegen onderdrukking, respect voor hiërarchie en loyaliteit voor de eigen groep. Dat zijn volgens Jonathan Haidt de belangrijkste morele emoties die we erfden van onze evolutionaire voorgangers. Maar al zijn deze aangeboren, het betekent niet dat iedereen dezelfde morele emoties in dezelfde verhoudingen gebruikt om zijn waarden en normen op te baseren.

Op www.yourmorals.org vind je een vragenlijst waarmee je kan bepalen welke emoties bij jou de bovenhand hebben. Tienduizenden mensen hebben deze vragenlijst al ingevuld. Op basis van die antwoorden besloot Haidt dat er in onze samenleving grosso modo twee groepen bestaan. Enerzijds heb je mensen die hun moraliteit vooral baseren op empathie, rechtvaardigheid en verzet tegen onderdrukking. Linkse, progressieve rakkers dus. Rechtse, conservatieve personen baseren zich ook op deze drie emoties, zij het in mindere mate, maar voegen er wel nog twee extra emoties aan toe: respect voor hiërarchie (meer blauw op straat, de nood aan een sterke leider) is een emotie die je in linkse kringen zelden aantreft; en ook loyaliteit voor de eigen groep (‘eigen volk eerst!’) en de daarmee verbonden afkeer voor de ander is voornamelijk een rechts thema.

Ook de vraag of we rechts dan wel links worden, baseren we niet op veel denkwerk. Gedeeltelijk wordt die vraag al beantwoord op het moment van onze conceptie. Uit onderzoek bij tweelingen blijkt dat leden van eeneiige tweelingen, die al hun genen met elkaar gemeen hebben, ideologisch en moreel veel dichter bij elkaar liggen dan de leden van twee-eiige tweelingen die maar de helft van hun genen met elkaar delen. Overtuigingen zitten dus gedeeltelijk ingebakken in ons DNA. Naar schatting 30 procent van de variatie in morele opvattingen kan worden verklaard door onze genen. En naast genetica, speelt ook onze sociale omgeving een rol. Mensen zijn, in veel grotere mate dan ze zelf beseffen, morele kuddedieren. Ze nemen de normen en waarden over van diegenen die hen omringen.

We hebben dus veel minder controle over onze standpunten dan we zelf vaak denken. Maar zo voelt het niet. Onze tegenstanders, ja zij denken met hun onderbuik. Veel ratio komt er bij hen niet aan te pas. Maar onze eigen standpunten, zo denken we graag, rusten op een stevig fundament van keiharde feiten en ijzeren logica. Onze tegenstanders geloven natuurlijk net hetzelfde. Maar misschien zijn onze argumenten waarop we zo trots zijn niet de reden waarom we in onze standpunten geloven. Misschien is onze ratio niet de leider maar enkel zijn woordvoerder. Onze onderbuik beslist, waarna onze ratio haar stinkende best doet om deze beslissing van de onderbuik zo goed mogelijk te verdedigen.

Dat zou verklaren waarom we, iets wat bevestigd wordt door stapels onderzoek, een voorkeur hebben voor die feiten die onze overtuiging bevestigen, maar feiten die de andere richting uitwijzen zonder enig probleem negeren. Het zou verklaren waarom we zo hopeloos selectief zijn in gebruik van onze kritische vermogens. Geef een linkse jongen een artikel waarin beweerd wordt dat migratie leidt tot een stijging van de criminaliteit en zijn brein zet alles op alles om het te weerleggen. Aangezien argumenten zelden totaal sluitend zijn, is de kans groot dat hij wel ergens een hiaat vind dat hij kan gebruiken om die stelling onderuit te halen. Maar als je hem een onderzoek voorschotelt dat stelt dat migratie leidt tot meer economische groei, dan is hij een stuk coulanter. Dan doet hij meestal een stuk minder moeite om de bronnen en de redenering kritisch onder de loep te nemen. Onderzoek na onderzoek toont aan dat we de werkelijkheid niet ondervragen. We martelen haar totdat ze bekent wat we graag willen horen. Feiten gebruiken we meestal zoals een zatlap een lantaarnpaal gebruikt: niet als verlichting maar enkel als ondersteuning.

Als de onderbuik heer en meester is over ons denken en onze ratio daar maar wat achteraan hobbelt, dan hebben we niet veel keuze. Dan zijn enkel rationele argumenten niet voldoende. Dan zullen we, willen we anderen overtuigen, hun onderbuik moeten bespelen. Mikken op de onderbuik, dat is iets waarvan we onze tegenstanders graag beschuldigen. En inderdaad in het huidige politieke spel wordt er gretig angst gezaaid, waardoor ons reptielenbrein in overdrive gaat en de ratio het hazenpad neemt. Net zoals bepaalde partijen graag de ander, of dat nu de linkse elite dan wel de moslims zijn, demoniseren waarna het oeroude wij-zij-denken opspeelt, er kampen gevormd worden en elk debat onmogelijk wordt.

Maar je kan de onderbuik ook bespelen om een beter, ja zelfs rationeler, debat te bekomen.

Enkele tips:

• Wapper met een witte vlag

Het is een jammerlijke eigenschap van de menselijke geest dat als je zijn overtuiging aanvalt, hij die enkel meer zal koesteren. Onze standpunten zijn ons dierbaar. Elke kritiek ervaren we als een aanval op onszelf. Zodra hij een spoor van een mogelijke vijand denkt te ontwaren, gaat onze onderbuik in de verdedigingsmodus en zet hij alle mogelijke middelen in om onze standpunten te beschermen. En dus moet je, indien je wilt dat mensen zich openstellen voor tegenargumenten, eerst hun onderbuik geruststellen. Je moet, voordat je het debat aangaat, eerst met een witte vlag wapperen en duidelijk maken dat jij in vrede komt. Dat kan je doen door je discussies niet te doorspekken met beledigingen en sneren naar je tegenpartij, door een eenvoudig zinnetje als: ‘Ik begrijp je standpunt, maar...’ of door zelf geen zekerheid te claimen en je stelling als vraag – ‘Zou het niet kunnen dat...?’ – te verpakken. Mijn favoriete witte vlag gebruik ik als ik in debat ga met mensen die er van overtuigd zijn dat vaccinaties bijna elke denkbare ziekte veroorzaken. Dan vertel ik, vooraleer ik allerlei studies naar hun hoofd slinger, eerst dat ik zelf lang in de farma-industrie gewerkt heb maar deze na enkele jaren gedegouteerd verlaten heb. Te weinig idealen, te veel winstmarges. Als ik op die manier duidelijk maak dat ik op zijn minst gedeeltelijk tot hun kamp behoor, staan ze plots wel open voor mijn argumenten.

• Face to face

Persoonlijk contact, zo blijkt uit onderzoek, is waarschijnlijk een van de betere manieren om een goed debat mogelijk te maken. Als iemand tegenover je zit en jullie praten met elkaar, desnoods over het weer, dan besef je dat de ander ook maar een mens is. Een mens met een andere mening, dat wel, maar toch gewoon een mens. Je onderbuik rekent hem tot jouw kamp en staat open voor wat hij te zeggen heeft. Dat is ook de reden waarom onlinediscussies veel vaker ontaarden in een rondje moddergooien dan discussies waarbij je elkaar wel in de ogen kunt kijken. Veilig achter je computerscherm is het eenvoudig om je in te beelden dat je tegenstander, nadat hij zijn mening heeft gegeven, de hond van zijn buren een rottrap verkoopt, zijn vrouw een pak rammel geeft en verdergaat met het klasseren van zijn verzameling nazimemorabilia. Als je tegenover hem zit, is de kans groter dat je inziet dat hij toch geen halve nazi is en dat jullie best wat met elkaar gemeen hebben. Veilig achter je computerscherm is het ook eenvoudig om te beweren dat al die moslims achterlijk zijn, of alle bankiers immorele geldwolven. Maar als je zo’n moslim of bankier persoonlijk ontmoet, besef je hopelijk dat hij meer is dan het hokje waarin je hem of haar gestoken hebt.

• Doe de ideologische Turingtest

In de klassieke Turingtest voer je een conversatie op een computerscherm en moet je proberen te achterhalen of diegene waarmee je chat een echt persoon is, dan wel een vernuftig stukje artificiële intelligentie. Niet eenvoudig. Voor je aan een debat begint is het geen slecht idee om eerst een ideologische Turingtest af te leggen. Probeer eens het standpunt van je tegenpartij, inclusief zijn of haar argumentatie, zo goed te beschrijven dat het voor een ander persoon onmogelijk is om uit te maken of je dat echt gelooft of enkel doet alsof. Als je je eerst probeert in te leven in het standpunt van de ander en er dus voor de verandering eens niet van uit gaat dat hij dom dan wel immoreel is, zorgt dat – zo blijkt uit onderzoek – voor een rationeler en constructiever debat.

• Vraag meer uitleg

De meeste mensen beginnen, zodra ze met een tegenstander geconfronteerd worden, dadelijk met het opsommen van hun argumenten. Toch is er een betere methode om je tegenstander te overtuigen. Indien mensen zich vooral baseren op hun onderbuik is het geen slecht idee om die onderbuik eerst bloot te leggen. Om eerst je tegenstander te laten inzien dat hij minder weet dan hij denkt te weten. En dat kan je doen door hem eenvoudig te vragen wat hij precies bedoelt. In een debat over immigratie vraag je om eens uit te leggen wat de Conventie van Genève precies is of hoe onze asielwetgeving in elkaar zit. Met wat geluk beginnen ze zo te twijfelen aan hun eigen gelijk, beseffen ze dat hun onderbuik aan het woord was en neemt hun ratio de touwtjes weer in handen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 1 (januari), pagina 14 tot 18