Abonneer Log in

De Chinese veroveringstocht

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 32 tot 37

In 40 jaar tijd groeide China uit tot een economische grootmacht die sterk verweven is in de wereldeconomie. China's economische model is echter aan een update toe en daartoe heeft de communistische partij de regie in handen genomen: 'Made in China 2025' en 'Belt and Road' moeten van China de nummer één in de wereld inzake hightech verwerkende nijverheid maken.

DE WERELD

Hoe Latijns-Amerika deel werd van de wereld
David Verstockt
De Chinese veroveringstocht
Bruno Merlevede
De escalatie van de Saoedisch-Iraanse strijd
Ludo De Brabander

Na de dood van Mao sloeg China eind de jaren 1970 de weg van economische hervormingen in. Elke hervorming werd op zijn bijdrage tot het verhogen van de levensstandaard beoordeeld en indien het resultaat positief behouden. De Chinese economie groeide tot voor kort aan een tempo van 10% per jaar en intussen wedijveren China en de Verenigde Staten om de titel van de grootste economie ter wereld. Dit vertaalde zich in een herschikking van de verdeling van het wereldinkomen in de richting van de situatie van voor de Industriële Revolutie. 40 jaar hervormingen hebben de Chinese economie richting een markteconomie doen evolueren. De Chinese invulling ervan wordt vanuit het Westen echter als een onvoltooid project ingeschat, terwijl de Chinese overheid het over zijn eigen weg heeft. Westerse meningen kunnen grosso modo ingedeeld worden in believers en non-believers. De eerste groep gelooft (geloofde) in het doorgroeien van China naar een echte markteconomie en daaraan gekoppelde democratie, zich daarbij inschrijvend in de gangbare wereldorde. De tweede groep is steeds sceptischer geweest en gelooft niet in de democratie-markteconomie uitkomst. Sinds Xi Jinpings aantreden als president in 2013 wordt China steeds meer als een rivaal dan een partner gezien. Intussen is de Chinese economie echter sterk geïntegreerd in de wereldeconomie.

In deze bijdrage belichten we de economische evolutie van de Chinese economie, de uitdagingen waar ze vandaag mee geconfronteerd wordt en wat de implicaties er van zijn voor de rest van de wereld.

HOE CHINA DE FABRIEK VAN DE WERELD WERD

Tussen 1979 en 2017 werd de totale wereldhandel ongeveer 13 keer groter. De Chinese export werd in dezelfde periode meer dan 200 keer groter. China evolueerde van één van de meest gesloten economieën in 1979 tot een uitzonderlijk 'open' economie (voor een groot continentaal land). De som van export en import ten opzichte van het bruto binnenlands product bedraagt in China gemiddeld 48% sinds de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO) in december 2001. Voor Brazilië bedraagt dit cijfer ongeveer 25%, voor de Verenigde Staten 21%. Ook de exportkorf van China is, in vergelijking met andere landen van een gelijk ontwikkelingsniveau, uitzonderlijk. De Chinese export heeft steeds een relatief groot aandeel aan gesofisticeerde producten omvat.

Hoe is een dergelijke exceptionele evolutie tot stand kunnen komen? De initiële integratie van China in de wereldeconomie in de jaren 1980 was vooral gebaseerd op een 'export processing' regime waarbij bijvoorbeeld een bedrijf uit Hong Kong (toen nog geen onderdeel van China) stof verscheept naar een Chinees bedrijf dat een T-shirt uit de stof maakt, waarna de T-shirts terug naar Hong Kong gaan. Het Chinese bedrijf krijgt een vergoeding voor het verwerken, maar de stof en de T-shirts zijn ten alle tijden eigendom van het bedrijf uit Hong Kong en er worden geen douanetarieven betaald. Op deze manier integreerde China snel in internationale handelsnetwerken, en werd tegelijkertijd de binnenlandse markt nog steeds afgeschermd en slechts gradueel opengesteld (zie verder). Het export processing regime is geen Chinese uitvinding. Maar de schaal waarop het werd toegepast, is ongezien: de volledige kuststreek van China ontwikkelde zich tot een zone waarin dit speciale handelsregime gebruikt kon worden.

De installatie van dit handelsregime in China viel bovendien samen met een periode waarin een belangrijke herorganisatie van internationale productienetwerken plaatsvond. Nieuwe ontwikkelingen inzake ICT en moderne communicatietechnieken resulteerden in een drastische daling van coördinatie- en communicatiekosten. Verbeterde en goedkopere communicatietechnieken maakten het mogelijk om complexe productieprocessen op te splitsen in verschillende fases over verschillende locaties in noord en zuid zonder coördinatieproblemen. Grote inkomensverschillen (en dus loonverschillen) tussen noord en zuid die eerder ontstonden maakten het interessant om de arbeidsintensieve delen van het productieproces naar het zuiden te 'offshoren'. Om de verschillende delen van het productieproces in noord en zuid op elkaar af te stemmen is, samen met de jobs, ook een deel kennis verhuisd. Het gevolg is een snelle en krachtige ontwikkeling van productie en assemblage in het zuiden gebaseerd op goedkopere arbeid in combinatie met doorgestroomde bestaande kennis uit het noorden. De connectie met het handelsnetwerk van Hong Kong en Taiwan, de grote beschikbare hoeveelheid arbeid tegen lage lonen, en het export processing regime maakten China een aantrekkelijke keuze voor de locatie van arbeidsintensieve assemblage. Dit verklaart ook de relatief gesofisticeerde export: laptops worden in China in elkaar geschroefd, maar de chip komt uit Taiwan en het scherm uit Zuid-Korea. De gesofisticeerde export bestaat uit reeds gesofisticeerde import waar in het assemblagegedeelte van het productieproces in China relatief weinig waarde aan toegevoegd wordt.

Vanaf midden de jaren 1980 begonnen Chinese beleidsmakers ook het traditionele communistische handelsregime, gericht op het hermetisch vergrendelen van de binnenlandse economie, te hervormen. Initieel resulteerde dit in een import-substitutie handelsregime voor niet-export processing handel ter bescherming van de lokale bedrijven (zoals wel in meer ontwikkelingslanden voorkomt). Vanaf midden de jaren 1990 werd dit handelsregime geleidelijk geliberaliseerd met het oog op toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO). China diende reeds in 1986 een aanvraag in om lid te worden van de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade, de voorloper van de WHO). De ontwikkeling van China tot een exportmachine in combinatie met de gebeurtenissen op het Tiananmen-plein, het uit elkaar vallen van de Sovjet-Unie en de beperkte toegang tot de Chinese markt van buitenaf leidden tot een dalende bereidheid om China 'zo maar' toe te laten tot de WHO. De ontwikkelde landen eisten daarom meer hervormingen en openheid van China, in ruil voor ruime Chinese toegang tot hun markten via WHO-lidmaatschap. Na verdere hervormingen werd China in december 2001 lid van de WHO. De Chinese export kende een nieuwe groeiversnelling in de daaropvolgende jaren.

WAAROM DE FABRIEK VAN DE WERELD AAN EEN UPDATE TOE IS

De sterke groei van de Chinese (netto)export was samen met een flinke groei van de investeringen, voornamelijk door de overheid, de belangrijkste bron van economische groei sinds het nieuwe millennium. Ondanks de enorme groei van de Chinese economie gaf de toenmalige premier Wen Jiabao in maart 2007 volgende waarschuwing: 'China's economic growth is unsteady, imbalanced, uncoordinated, and unsustainable'. Enerzijds nam het verwachte rendement van extra overheidsinvesteringen stilaan af (denk bijvoorbeeld aan de spooksteden). Anderzijds kwam ook het groeiritme van de export onder druk te staan. Dat laatste doordat de vraag vanuit het Westen terugviel door de Grote Recessie en daarna minder snel groeide, maar vooral door het verslechten van de Chinese concurrentiepositie. Zoals eerder aangegeven groeide China uit tot het assemblagecentrum van de internationale productiekettingen. Het belangrijkste concurrentiemiddel was in dit geval de lage loonkost in China. Bij het begin van de hervormingen was de loonkost laag1, en tussen 1978 en 1997 groeiden de Chinese lonen bovendien nauwelijks in reële termen.2 Tussen 1998 en 2010 groeiden het reële jaarloon echter met gemiddeld 13,8% per jaar. Een Chinese productiearbeider verdient vandaag meer dan zijn collega's in Brazilië, Vietnam en Mexico.

Veeleer dan een doelbewust beleid om de lonen te verhogen door de overheid liggen twee andere factoren aan de basis van deze evolutie.

Het eenkindbeleid, dat in 1979 werd ingevoerd, zorgde voor een drastische breuk in fertiliteitscijfers waarbij het aantal geboortes per vrouw zakte van ruim 5 (babyboom tussen 1950 en 1978) naar minder dan anderhalf. Dit zorgde in de jaren 1980 en 1990 voor een sterke toename van de beroepsbevolking terwijl tegelijkertijd de afhankelijkheidsratio afnam. Vanaf 1997, wanneer de eerste eenkindbeleidkinderen op beroepsactieve leeftijd kwamen, begon de groei van de beroepsbevolking te dalen. Voornamelijk om vergrijzing tegen te gaan werd het eenkindbeleid intussen versoepeld, maar dit lijkt niet te leiden tot een stijging van het geboortecijfer omdat leven en maatschappij intussen afgesteld zijn op één kind.

Een tweede reden voor de stijgende lonen is dat een ander mechanisme dat neerwaartse druk op de lonen uitoefende, uitgewerkt raakt. De assemblageactiviteit was geconcentreerd in steden aan de kust, en vanaf de jaren 1980 kwam een interne migratiestroom op gang waarbij de plattelandsbevolking migreerde om als productiearbeider in de steden aan de slag te gaan. Deze migratiestroom nam toe van 25 miljoen in 1985 tot 280 miljoen in 2017. Opnieuw is het echter de groei van migratiearbeid die afgenomen is van meer dan 10% per jaar voor 1997 tot minder dan 5% na 1997. Een belangrijke beperking op deze migratie is het hukou-registratiesysteem. Afhankelijk van de geboorteplaats bekomt men een stads- of plattelands-hukou. Dit is belangrijk omdat allerlei overheidsadministratie en publieke dienstverlening gelinkt zijn aan de hukou. Ondanks hervormingen is het systeem nog steeds beperkend doordat mensen met een plattelands-hukou in de stad geen toegang hebben tot gezondheidszorg, scholing en andere publieke diensten en daarvoor terug moeten naar hun geboortestreek. Dit systeem heeft geleid tot een vertraging in de migratie aangezien de meeste jonge plattelandsinwoners in 2007 niet langer in de landbouw actief waren (zie Rozelle et al. 2008) en de migratiekost van de achtergebleven ouderen door het hukou-systeem te hoog ligt om het platteland te verlaten. Het grote verschil tussen stad en platteland zorgt bovendien voor hevige weerstand van de stadsbevolking tegen verdere hervormingen omdat zij hun voordelen niet afgebouwd willen zien.3 Het wegvallen van deze kanalen van neerwaartse druk op de lonen is een structurele verandering van de Chinese economie: China's comparatieve voordeel in productiearbeid raakt uitgeput.

HOE CHINA WIL BLIJVEN GROEIEN

Bedrijven, en de Chinese overheid, zullen een keuze moeten maken nu ze geconfronteerd worden met deze structurele verandering. De mogelijkheden op het menu kunnen worden omschreven als: sluiten, inwaarts, uitwaarts en innovatie.

Bedrijven kunnen simpelweg sluiten vanwege de stijgende loonkost, maar dat is natuurlijk niet echt een optie voor de Chinese economie als geheel. Bedrijven kunnen hun activiteit ook meer landinwaarts verschuiven waar de loonkost lager ligt dan in de kuststreek, maar dit is duidelijk geen langetermijnstrategie. Blijven over: buitenlandse investeringen door Chinese bedrijven in landen met lage loonkosten en het loskoppelen van de Chinese economie van assemblage gebaseerd op lage loonkosten door innovatie.

Waar individuele bedrijven een keuze kunnen maken is dit niet het geval voor de gehele Chinese economie. Een belangrijk element zal zijn of de Chinese economie kan omschakelen naar activiteiten met hogere toegevoegde waarde door innovatie. De Chinese overheid lanceerde alvast het ambitieuze 'Made in China 2025'. Dit industrieel beleid wil van China de nummer één in de wereld inzake hightech verwerkende nijverheid maken. Subsidies, staatsbedrijven en gerichte overnames zijn ingrediënten van dit industrieel beleid.

De Chinese overheid heeft vandaag ook een veel meer uitwaarts gerichte strategie dan voorheen. Het 'Belt and Road' initiatief is een aaneenschakeling van Chinese infrastructuurprojecten buiten China die probeert Eurazië te integreren en de oude zijderoute tussen China en Europa te laten herleven (zowel over land als zee). Enerzijds is dit een poging om vele landen tot en met Europa met China te connecteren voor handelsdoeleinden. Anderzijds zullen deze grote investeringen in belangrijke mate door Chinese bedrijven uitgevoerd worden. Dit doet denken aan een vaker door de Chinese overheid gehanteerde strategie: de enorme binnenlandse markt in China wordt initieel afgeschermd om Chinese bedrijven door de te realiseren schaalvoordelen te laten doorgroeien; en deze bedrijven worden nadien meer en meer op de wereldmarkt actief.

Een voorbeeld hiervan is Huawei. Huawei maakt niet alleen smartphones, maar is één van de grote spelers in de markt voor infrastructuur voor telecommunicatie. ZTE is een andere Chinese gigant in deze markt (er is ook geen bedrijf uit de Verenigde Staten in deze markt meer actief). Beide bedrijven hebben geprofiteerd van de enorme binnenlandse markt die ze zonder veel concurrentie konden voorzien van telecominfrastructuur om zo te groeien en op internationale markten actief te worden. Hoewel dit geen staatsbedrijven zijn, hebben zij ook gebruik kunnen maken van goedkope kredieten verstrekt door Chinese staatsbanken om door te groeien en internationale markten te gaan domineren. Intussen worden in Australië en de Verenigde Staten bedrijven als Huawei en ZTE steeds meer geweerd vanwege veiligheidsoverwegingen.4

De Chinese investeringen in Afrika vallen deels onder 'Belt and Road' te catalogeren, maar zijn ook gedreven door het feit dat China eerder arm aan grondstoffen is die in ruime mate voor handen zijn in Afrika. Wat dit betekent voor de ontwikkeling van Afrika is niet zo duidelijk. Verder is het natuurlijk ironisch dat het 'Belt and Road' initiatief een leemte kan gaan invullen die ontstaan is nadat Donald Trump de Verenigde Staten terugtrok uit het Trans Pacific Protocol, een vrijhandelsakkoord zonder China om vele landen in het gebied meer aan elkaar te binden door handel.

WAT MET EUROPA?

De Europese Unie is de laatste jaren een steeds belangrijkere bestemming geworden voor investeringen vanuit China. Met de groei van de investeringen is ook de argwaan in Europa toegenomen. Ruim de helft van de Chinese investeringen in de laatste tien jaar zijn gebeurd door bedrijven en investeringsfondsen die naar de Chinese overheid terug te linken zijn. In Oost-Europa zijn de investeringen vooral in infrastructuur, met als doel de verbinding te maken met het 'Belt and Road' initiatief. In Zuid-Europa kwamen Chinese investeringen vooral tot stand in de privatiseringsrondes ten gevolge van de eurocrisis. In Duitsland daarentegen ligt de focus op hightechbedrijven die China toegang kunnen verschaffen tot de nodige kennis voor de nieuwe 'Made in China 2025' strategie.

Het economisch beleid van China ten aanzien van Europa lijkt veel opportunistischer geworden dan voorheen. Het dient het grotere doel om China uit te bouwen tot een moderne, geavanceerd supermacht wiens positie niet door anderen gecontesteerd wordt. Economie en politiek zijn dus vaak door elkaar gemengd. Zo blokkeerden landen met grote Chinese investeringen als Griekenland en Hongarije reeds EU-standpunten inzake China. China organiseert trouwens samen met 16 Centraal- en Oost-Europese landen jaarlijks een 16+1 top waarop de meeste landen eigenlijk bilateraal met China praten. Het idee dat China door handelsintegratie naar een westers model zou evolueren, lijkt definitief naar de prullenbak verwezen door de westerse beleidsvoerders. Europa is waakzamer geworden ten opzichte van Chinese investeringen en een systeem van meer uitvoerige screening op EU-niveau staat in de stijgers, maar Europa zou best wat vaker en krachtiger mogen optreden wanneer zijn openheid gebruikt wordt.

Voetnoten

  1. In 1978 was het loon slechts 3% van het gemiddelde loon in de Verenigde Staten. Het was ook veel lager dan in naburige Aziatische landen en rekening houdend met productiviteitsverschillen was het loon in China ook laag. (Zie Ceglowski and Golub (2007), 'Just How Low Are China's Labour Costs?' World Economy 30(4): pp. 597-617)
  2. Het gemiddelde reële jaarloon van een productiearbeider in de stad was 1,004 USD in 1978 en 1,026 USD in 1997 (Li et al., 2012, 'The end of cheap Chinese labour', Journal of Economic Perspectives, 26(4), pp. 57-74).
  3. Intussen zijn er naar schatting zo'n kleine 100 miljoen Chinezen met een plattelandshukou die in de stad geboren zijn als zoon of dochter van gemigreerde ouders met een plattelandshukou die zelf nooit het platteland gezien hebben.
  4. In november 2018 kreeg American Express groen licht om zijn eigen betalingsnetwerk te gaan gebruiken in China. American Express was reeds actief in China, maar de transacties werden door een Chinees staatsbedrijf afgehandeld. De nieuwe vrijheid voor American Express komt er nadat in China een explosie van zogenaamde 'fintech'bedrijven ontstaan is die intussen de markt voor betalingen domineren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 32 tot 37