Log in

Mijn school op ’t Kiel

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 23 tot 28

Onderzoek wijst het uit: onze leerlingen behoren niet langer tot de wereldtop maar bengelen onderaan de statistieken. Politici, al dan niet gedreven door electorale koorts, struikelen over elkaar heen met sterke uitspraken waarmee ze de voorpagina van de krant hopen te halen. Ze pleiten bijvoorbeeld voor elitescholen. Er moet meer worden ingezet op kennis in plaats van op vaardigheden. Het moet maar eens uit zijn met de pretpedagogie. Er is sprake van een denkbeeldige lat, die veel hoger moet liggen. Het is niet de bedoeling dat leerlingen er onderdoor slenteren maar er als een intellectuele atleet overheen springen. Een centraal examen is plots een absolute noodzaak. Leraars brengen hun vakkennis onvoldoende over, als ze die vakkennis zelf al voldoende zouden bezitten. Ook daar wordt aan getwijfeld. We leggen de leerlingen te veel in de watten, evalueren niet grondig, enzovoort. De lijst wordt alle dagen langer. Iedereen heeft wel een mening over het onderwijs. Ook krantenlezers op fora verwijten leerkrachten er niets van te bakken.

Veel leerkrachten herkennen zich nauwelijks in de oplossingen die worden aangereikt in het overwegend negatief discours over het onderwijs. Bovendien wordt dit discours breed uitgerold in de media. Je moet wel gek zijn om vandaag leraar te willen worden.

Is er dan niets aan de hand? Toch wel. We erkennen de problematiek die het wetenschappelijk onderzoek uitwijst. Althans wat mijn vakgebied betreft, de beheersing van het Nederlands, zijn er behoorlijk wat uitdagingen. Kinderen lezen minder boeken, hun technische leesvaardigheid gaat erop achteruit. Wiskundeleerkrachten uiten in de leraarskamer hun bezorgdheden over de leerprestaties. Leraars Frans zuchten als leerlingen het vertikken de woordenschat in te studeren. Technologische ontwikkelingen volgen elkaar in sneltempo op waardoor leraars soms achterop hinken. Wat erger is: de motivatie bij leerlingen lijkt vaak zoek.

Wij werken alle dagen met veel liefde met jongeren. Je kan geen leerkracht zijn zonder over een groot engagement te beschikken voor de toekomst van de samenleving in het algemeen en die van jonge mensen in het bijzonder. In de stad word je dagelijks geconfronteerd met bijzondere situaties: superdiversiteit, taalachterstand, kwetsbaarheid en precaire leefomstandigheden, armoedeproblematiek, culturele en religieuze verschillen, enzovoort. Lesgeven houdt oneindig veel meer in dan louter vakkennis overdragen.

ATHENEUM HOBOKEN

De gemiddelde Onderwijs Kansarmoede-Indicator (OKI1) voor de school waar ik lesgeef, bedraagt 3,01 op een schaal van 4. In Antwerpen bedraagt die gemiddeld 2,05. Zo'n 35% van de leerlingen in de A-stroom van het eerste secundair heeft een jaar schoolse vertraging. Meer dan 66% heeft een andere thuistaal dan het Nederlands. Nagenoeg alle leerlingen hebben een migratieachtergrond.

Mijn leerlingen werken hard. Vaak alleen al om thuis het hoofd boven water te houden. Een zestienjarige leerlinge vraagt of in de gevangenis brieven worden gecontroleerd op inhoud. Ze weet ook niet goed waar op de enveloppe ze precies het adres moet schrijven. Haar vriend is veroordeeld. Ze vertelt niet voor welke feiten. De Pano-reportage over de drugsmaffia in Antwerpen lokt veel reacties uit in de klas. De meeste leerlingen vertellen dat ze al werden benaderd om als drugskoerier te werken. 'Het bedrag dat vernoemd wordt om een pakje af te leveren, klopt niet,' vertelt een leerling. Ze kennen het gesjacher in het drugwereldje in hun wijk en lijken zich erbij te hebben neergelegd. Het snel verdiende geld is aanlokkelijk, vooral als je thuis geconfronteerd wordt met een precaire financiële situatie en je alle geloof verloren bent dat je later een mooie baan zal worden gegund. Mijn leerlingen weten ook wel dat er discriminatie heerst op de arbeidsmarkt. Een BMW bezitten – het statussymbool bij uitstek – en bovendien je familie kunnen onderhouden, is het summum van ambitie.

KEN HET LEVEN VAN JE LEERLINGEN

Een leerkracht in een kansarme buurt geeft niet enkel les maar is ook een zorgbegeleider van kwetsbare jongeren. Achter de schoolbanken zitten jongeren die 's avonds terugkeren naar een tweekamerappartement waar een gezin van zeven leeft. Broers en zussen delen één computer waar ze allemaal hun huiswerk op moeten voorbereiden. De zonen hangen noodgedwongen op straat om hun huisgenoten wat ademruimte te geven. Als meerdere gezinsleden toch over een eigen computer beschikken, is in de helft van de maand het saldo voor het internetgebruik opgesoupeerd.

De beginnende, veelal witte leraar die zelf is opgevoed in een middenklassengezin heeft er vaak geen idee van wat de leefsituatie van de leerlingen is. Toch staan we allemaal vol idealisme en passie die eerste dag voor de klas. We hebben lessen voorbereid waarvan we denken dat ze passen bij de leefwereld van de leerlingen. De eerste koude douche komt snel. Van de tv-programma's waar je eigen kinderen naar kijken, hebben de leerlingen in je klas nog nooit gehoord. De populairste app op de smartphone is Moslim-pro, die gebedstijden en koranverzen aanreikt. Reizen gebeurt louter in functie van familiebezoek, citytrips hebben ze nog nooit gemaakt. Tijdens uitstappen bestaat voor sommige leerlingen de lunch uit chips. Schoolboeken kunnen ze vaak niet betalen. 'Kost dat veel geld?', is een terugkerende vraag bij de meest uiteenlopende onderwerpen.

Ontwikkelen deze leerlingen zich anders? Nee. Het zijn gewone tieners met dezelfde verlangens en twijfels als pubers uit de middenklasse. Hun donkere huidskleur speelt hen helaas soms parten.
Scholen in de stad vangen veel oorlogsvluchtelingen op. De meeste van deze leerlingen hullen zich in een diep stilzwijgen over wat ze hebben meegemaakt, zowel tegenover de medeleerlingen als de leraars. Hun aanwezigheid confronteert je als leraar dikwijls met de harde realiteit. Als je in een les over de actualiteit oorlogsconflicten belicht, besef je meteen dat één of meerdere leerlingen dat aan den lijve hebben ondervonden. Zij weten écht wat het betekent om in een oorlogszone te leven. Je kan als leraar het onderwerp niet uit de weg gaan, maar je moet extra alert zijn voor signalen bij de leerlingen.

Van een leraar wordt verwacht dat hij of zij deskundig het leerproces stuurt en begeleidt, zowel van de hele klas als van de individuele leerling. Je tracht de rol van inhoudelijk expert, opvoeder en coach te combineren binnen je beperkte lestijd. In wijken met veel kansarmoede wordt van de leraar een enorme soepelheid verwacht in die verschillende rollen.

In De Zevende Dag (juni 2018) stelde minister-president, Geert Bourgeois, dat 'we moeten durven excelleren' en dat 'de slinger te veel is doorgeslagen naar welbevinden'. Nochtans is het onmogelijk goede leerprestaties te bereiken zonder eerst een veilige leeromgeving te creëren.Voortdurend probeer je als leerkracht situaties in te schatten, keuzes te maken en er naar te handelen tijdens de les. Zelfs voor ervaren leerkrachten is dit geen sinecure. Tijdens je opleiding word je bovendien onvoldoende voorbereid op lesgeven in een stedelijke context.

Na de aanslagen in Parijs getuigden een paar leerlingen spontaan over hoe zij dat hadden beleefd. Ze vonden het wel erg wat er in Parijs gebeurd was, maar ze hadden zelf erger meegemaakt. Een Syrische jongen van veertien sprak over de afgerukte ledematen die hij zag tijdens een bomaanslag. Een meisje uit Irak zag haar buurman van dichtbij geëxecuteerd worden. 'En de bomaanslagen in Ankara?', vroeg een Turkse jongen. 'Was men daar veel mee bezig hier?' Je kan de mens niet wegfilteren uit de leraar. Op sommige dagen neem je het leed van deze kinderen mee naar huis. Op krantenfora word je verweten dat je in een concentratieschool werkt, want dat is 'een kweekbak van terroristen' en er 'bestaan gelukkig mensen die alle 'bruine' terug willen sturen naar hun 'eigen land'. Dat hakt er stevig in.

NEDERLANDS IN EEN OMGEVING DIE ANDERSTALIG IS

Op de speelplaats is de voertaal onder jongeren het Nederlands. Zoals in heel Vlaanderen gaat het om een lokale variant die in de stad doorspekt wordt met straattaal waarin woorden voorkomen die ontleend zijn uit het Arabisch of het Berbers. Ondertussen maakt dit deel uit van een stedelijk Nederlands dat ook gekend is bij witte kinderen. De OKAN-leerlingen die het onthaalonderwijs voor anderstalige leerlingen hebben gevolgd, kunnen zich de eerste maanden moeilijk verstaanbaar maken. Soms zijn ze hier nog maar een jaar en proberen ze aan te sluiten in het secundair onderwijs. Ze vormen tijdens de pauzes groepjes al naargelang het land van herkomst: Afghanen, Syriërs, Congolezen, Irakezen, enzovoort.

Voor leerlingen die hier geboren zijn, zijn de vluchtelingenjongeren vaak buitenstaanders. Als een OKAN-leerling doorschuift naar een reguliere klas hangt zijn of haar aanvaarding af van de raakpunten met de andere leerlingen. Goed kunnen voetballen, is een pluspunt. Het is een vergissing te denken dat een zogenaamde concentratieschool uit een homogene groep van gekleurde moslimjongeren zou bestaan. De diversiteit in de stad is indrukwekkend en omspant zowat de hele wereld. Antwerpen telt vandaag meer inwoners mét dan zonder migratieachtergrond. De thuistaal is niet enkel Berbers, Arabisch of Turks maar ook Dar, Pashtu, Kosovaars, Koerdisch, Bulgaars, Zarna, Fula, Macedonisch, Perzisch of Russisch. Sommige ouders spreken geen Nederlands of zijn soms analfabeet. Daarom bieden we op school ook taallessen Nederlands aan voor volwassenen. Tijdens oudercontacten springen leraars die de thuistaal van de leerlingen kennen, bij om te vertalen.

Nederlands correct kunnen schrijven, lezen en spreken is voor leerlingen een zware opgave. De taalachterstand is schrijnend. Helaas geldt dit ook voor kinderen met een migratieachtergrond die hier zijn geboren. Onze eerstejaars in het secundair onderwijs worden bij de aanvang van het schooljaar gescreend op hun kennis van het Nederlands. Uit de laatste screening blijkt dat meer dan de helft van hen bij aanvang van de eerste graad van de A-stroom amper het leesniveau van het vierde studiejaar heeft bereikt. Dat zijn onthutsende cijfers. We streven naar een betere afstemming tussen het basis- en het secundair onderwijs. We wisselen informatie uit over de inhoudelijke en didactische aanpak van de lessen met de collega's van de naburige basisschool. Dit zou nog intensiever kunnen. De meeste van hun leerlingen stromen immers door naar onze eerste graad.

De taalcoaches en het taalbeleidsteam zetten zich ook buiten de lesuren in om taalvaardigheid te stimuleren. Ze lezen tijdens de middagpauze verhalen voor aan leerlingen, richten een gemeenschappelijke leeshoek in, organiseren bijlessen of een poëziewedstrijd, en zorgen voor individuele begeleiding. De directie heeft, in overleg met het lerarenteam, beslist volgend jaar nog meer in te zetten op Nederlandse taalverwerving. Er worden 6 lesuren Nederlands per week ingepland in het eerste jaar van de A-stroom in plaats van de gebruikelijke 5 lesuren. Het extra lesuur voorziet in remediëring, verdieping en verbreding voor elke individuele leerling. Minder sterke leerlingen hopen we zo op te tillen naar een hoger niveau. Sterke leerlingen krijgen meer uitdagende opdrachten. Al die inspanningen zorgen ervoor dat het leesniveau van de meeste leerlingen aanzienlijk stijgt tegen het einde van het schooljaar.

Voor de overdracht van kennis kan je het handboek niet slaafs volgen. Iedere les wordt op voorhand getoetst aan de beginsituatie van de leerlingen. Wat kan je als leerkracht doen opdat de leerlingen je lessen zinvol vinden? Hoe zorg je ervoor dat ze meteen ook de doelstellingen van het leerplan halen? Om ervoor te zorgen dat de leerlingen zich herkennen in de lesinhoud, pas je vaak oefeningen aan of maak je geheel nieuwe oefeningen. Dat varieert van schijnbaar kleine details zoals het wijzigen van de naam 'Eline' naar 'Buchra' tot het toevoegen van een verklarende woordenlijst bij een tekst of het zelf schrijven van een heel nieuwe tekst. Bij begrijpend lezen kies je voor thema's die voor hen relevant zijn. Je wil hen immers aan het denken zetten. Je bewaakt het evenwicht tussen kennis en vaardigheden, en tracht heel wat werkvormen uit om de leerinhoud in te prenten. Je durft veeleisend te zijn en je boos te maken als een leerling zich niet inzet. Maar je doet het altijd met liefde voor hen en voor je vak. Dat waarderen de leerlingen. Dit alles vraagt veel voorbereiding, een taak waar een leraar zich graag aan wijdt.

ALLES OP PAPIER VERANTWOORDEN

Op onze school staan we er als leerkracht niet alleen voor. Er is inspraak over de schoolorganisatie bij de directie, die ook een luisterend oor biedt op moeilijke momenten. Je kan rekenen op uitstekende leerlingbegeleiders die met hart en ziel, én advies, klaarstaan voor onze leerlingen. Een voltijdse leerkracht werkt het dubbele van het aantal uren die hij of zij voor de klas doorbrengt. Lesgeven en voorbereidingen maken, vragen de meeste tijd. Dan volgen nog het toezicht, de klassenraden, oudercontacten, de organisatie van uitstappen, overleg, taalbeleid en schoolorganisatie. Daarbovenop verwacht de overheid dat de leraar zich te allen tijde op papier kan verantwoorden over het werk dat hij/zij verricht. Die administratieve plichtplegingen gaan van het opstellen van een verslag per leerling over het puntenrapport, de bespreking op de klassenraden en het oudercontact, over het opstellen van remediëringscontracten en het noteren van elke vorm van begeleiding in het leerlingvolgsysteem, tot het schriftelijk oplijsten van alle leerinhouden, evaluaties en feedback. De lijst is niet beperkt. Het gevoel dat de overheid je wantrouwt, bekruipt je als leraar voortdurend.De administratieve last zorgt er voor dat andere taken in het gedrang komen. Je kan het je evenwel niet veroorloven om die te verwaarlozen, want dat zou ten koste van je leerlingen gaan. Je werkt steeds krampachtiger verder en kunt nauwelijks meer op adem komen. Vakanties bieden dan eindelijk de kans om eens goed door te werken.

Het is niet verwonderlijk dat heel wat leraars alles wat van hen verlangd wordt, gewoon niet meer kunnen opbrengen. Ze zijn moegestreden en in veel te veel gevallen wordt bij leraars burn-out en depressie vastgesteld. Nochtans is lesgeven één van de mooiste jobs die je kan doen. Wij blijven ons alle dagen met enthousiasme inzetten voor generaties jongeren die straks de toekomst van ons land zullen bepalen.

De leraar terug erkennen en waarderen als professional zou een opsteker zijn.

Voetnoot

De OKI wordt berekend als het aantal van de 4 leerlingenkenmerken (Thuistaal niet-Nederlands, Laag opleidingsniveau van de moeder, Ontvangen van een schooltoelage, Wonend in een buurt met hoge mate van schoolse vertraging) waaraan de leerlingen voldoen ('aantikken'), gesommeerd voor alle leerlingen, en vervolgens gedeeld door het totaal aantal leerlingen. De OKI is bijgevolg een cijfer tussen 0 en 4.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 23 tot 28