Log in

Vier ideologische dimensies, één breuklijn

Het sociaaleconomische thema domineerde de afgelopen verkiezingscampagne. Links tegen rechts leek terug van nooit helemaal weg geweest. Volgens vele waarnemers kregen we daardoor een echte inhoudelijke campagne met duidelijke tegenstellingen. Wil dit zeggen dat het Belgische politieke landschap voortaan te reduceren is tot één enkel strijdpunt of breuklijn? Wij denken van niet. In een unieke bevraging van de kandidaten van de zeven grootste Vlaamse partijen vonden wij dat hun standpunten verschilden op niet minder dan vier dimensies.

Een breuklijn is niet alleen een kwestie van onderscheiden posities op een ideologisch strijdpunt. Partijen hebben nood aan een opponent, iemand die het thema prioritair acht en wil strijden voor zijn gelijk op dat thema. Op heel wat sociaal-culturele onderwerpen vonden de partijen geen opponent die het belangrijk genoeg vond om weerwerk te bieden. Zo zochten Groen en VB bijvoorbeeld vruchteloos naar tegenstanders op respectievelijk de ideologische dimensies leefmilieu en migratie. Als je geen tegenstander vindt, kan je niet tonen hoe sterk je bent.

Het Belgische politieke landschap werd traditioneel gekenmerkt door drie centrale breuklijnen of tegenstellingen. De eerste breuklijn behelst de economie en heeft als kern de discussie van markt versus staat. Deze breuklijn vormt de basis voor de huidige links-rechts verdeling waarbij links strijdt voor inkomensnivellering en het behoud van de verzorgingsstaat, terwijl rechts voorstander is van een vrije markt en een kleinere overheid. Een tweede breuklijn die centraal stond in de Belgische politieke ruimte was de levensbeschouwelijke breuklijn. De kern hiervan vormt het conflict tussen staat en religie en de vraag welke rol religie moet spelen in de politiek. De combinatie van deze twee breuklijnen creëerde een politiek stelsel met drie centrale partijen; de socialisten, de liberalen en de christendemocraten. Daarnaast speelt traditioneel nog een derde centraal conflict in de Belgische politiek, namelijk de communautaire breuklijn; die de Franstalige partijen tegenover de Vlaamse partijen plaatst. Deze breuklijn speelt ook binnen Vlaanderen als de strijd tussen de Belgische en de Vlaamse identiteit en de vraag in hoeverre bevoegdheden naar het Vlaamse niveau moeten worden overgeheveld. Tegenwoordig zien we echter dat de politieke ruimte flink veranderd is ten opzichte van de naoorlogse jaren. De drie traditionele partijen verliezen steeds meer kiezers en sinds de jaren 1980 zien we een opkomst van nieuwe partijen, zoals de Groenen, het Vlaams Belang, de Volksunie en recente opvolger N-VA. Ook wordt soms gesteld dat de centrale breuklijnen zijn veranderd. Hoewel de traditionele links-rechts lijn nog steeds centraal staat, beweren sommige auteurs dat in West-Europa de levensbeschouwelijke dimensie vervangen is door een sociaal-culturele dimensie, waar onderwerpen als immigratie en leefmilieu het belangrijkst zijn.

In deze bijdrage willen we het ideologische landschap anno 2014 in historisch perspectief plaatsen en relateren aan het wetenschappelijk debat dat ook in andere landen volop wordt gevoerd. We maken gebruik van een recente bevraging van in totaal 1.395 politieke kandidaten van de zeven grootste partijen (CD&V, N-VA, sp.a, Open VLD, VB, Groen en PVDA+). Door kandidaten verschillende ideologische stellingen voor te leggen, zijn wij in staat de huidige Belgische politieke ruimte te reconstrueren en kunnen wij de verschillende partijen in deze ruimte plaatsen. We geven hierbij achtereenvolgens aandacht aan drie vormen van onderscheid. Eerst bekijken we hoeveel ideologische dimensies er daadwerkelijk te onderscheiden zijn. Vervolgens gaan we na hoeveel belang de partijen hechten aan de onderscheiden ideologische dimensies. Ten slotte, evalueren we in hoeverre de kandidaten van de verschillende partijen zich op een onderscheiden wijze positioneren op deze ideologische dimensies. Een actieve breuklijn impliceert immers ideologisch onderscheid, partijdige urgentie en partijdige fragmentatie.

DE CENTRALE ROL VAN CONFLICT

Het idee van breuklijnen vinden we voor het eerst terug in het werk van Seymour Lipset en Stein Rokkan (1967).1 In hun boek Party systems and voter alignments beschrijven zij het ontstaan van de verschillende partijsystemen in West-Europa. Centraal in deze totstandkoming is conflict. Volgens Lipset en Rokkan zijn het de conflicten die speelden aan het eind van de 19de eeuw die de uiteindelijke vorming van de partijsystemen bepaalden. De auteurs onderscheiden in totaal vier mogelijke conflicten: 1) het conflict tussen centrum en periferie, 2) het conflict tussen stad en platteland ,3) het conflict tussen werknemers en werkgevers, 4) het conflict tussen kerk en staat. Wanneer we kijken naar de Belgische situatie dan zien we dat eind 19de eeuw verschillende van deze conflicten speelden. De strijd tussen werknemers en werkgevers focuste zich in België in eerste instantie op het stemrecht van de arbeiders. Langzaamaan veranderde het echter steeds meer in een strijd tussen enerzijds de sociaaldemocraten, die ijverden voor de uitbouw van de sociale zekerheid, en anderzijds de liberalen, die juist een kleine overheid wilden. Een tweede conflict vond plaats op sociaal-cultureel gebied en begon met de schoolstrijd. Dit conflict plaatste vooral de liberalen en de katholieken tegenover elkaar. De strijd tussen kerk en staat bleef aanwezig, al verschoof de breuklijn zich in de jaren 1960 geleidelijk meer naar issues als abortus, euthanasie en de rechten voor homoseksuelen. De derde communautaire breuklijn kan worden verklaard vanuit de strijd tussen centrum en periferie. Het Frans was lang de voertaal van de culturele elite in Brussel, terwijl het Nederlands eerder een taal was voor de periferie. De combinatie van breuklijnen leidden uiteindelijk tot een verzuild systeem met drie grote partijen met een vaste achterban.

Als gevolg van de globalisering is de politieke ruimte in West-Europa echter sterk veranderd. Volgens internationaal gerenommeerde politicologen als Kriesi (2008) en Kitschelt (2004) spelen de belangrijkste conflicten tegenwoordig vooral tussen de winnaars en verliezers van de globalisering.2 Door dit conflict krijgen oude breuklijnen een nieuwe betekenis en ontstaan er nieuwe. Sociaaleconomisch is volgens Kriesi de strijd om de verzorgingsstaat uitgebreid met een strijd tussen enerzijds de verliezers van de globalisering die zullen pleiten voor meer protectionistische maatregelen en staatsinterventie en anderzijds de winnaars van de globalisering die juist pleiten voor meer vrije markt en meer internationale competitie. Een grotere verandering is het ontstaan van een nieuwe sociaal-culturele dimensie. Deze plaatst kosmopolitische burgers tegenover nationalistische burgers. De eerste groep strijdt voor een coulant immigratiebeleid, een groener milieu en meer internationale samenleving, terwijl de tweede groep juist voorstander is van een restrictief immigratiebeleid en een nationalistische politiek. Mark Elchardus wees er in dit tijdschrift precies twintig jaar geleden al op dat deze ‘nieuwe’ dimensie sterk aan belang aan het winnen was in de Belgische politiek.3 Interessant is dat auteurs als Kriesi en Kitschelt beweren dat deze nieuwe sociaal-culturele breuklijn de plaats inneemt van de traditionele levensbeschouwelijke breuklijn, die verdwijnt/ ‘opgegeten’ wordt door de nieuwe breuklijn. Het is de vraag in hoeverre dit inderdaad het geval is.

Tot nu toe is er echter nog weinig bekend of er inderdaad een nieuwe driedimensionale ruimte in België is ontstaan. De Nederlandse politicologen Van der Brug en Van Spanje (2009)4&5 en Elchardus (1994) vinden de eerste bewijzen, maar de precieze structuur van de sociaal-culturele breuklijn en de eventuele ondergang van de levensbeschouwelijke dimensie blijft onduidelijk. Daarnaast zijn de precieze posities die de traditionele en nieuwe partijen op de breuklijnen nemen en daarmee de precieze configuratie van het Vlaamse politieke landschap onduidelijk.

DATA EN METHODE

Om de Belgische politieke ruimte te reconstrueren, hebben wij alle Vlaamse, federale en Europese kandidaten van de zeven grootste Vlaamse partijen ondervraagd.6 In totaal hebben 1.395 kandidaten aan dit onderzoek meegewerkt. Dit komt neer op een respons van 57%. We hebben kandidaten telkens vijf stellingen voorgelegd op zes verschillende thema’s; 1) Economie en sociaal beleid , 2) Leefmilieu en energie, 3) Immigratie en inburgering, 4) Staatshervorming en bevoegdheden, 5) Ethische vraagstukken en 6) Europa en internationale solidariteit. Kandidaten konden op alle stellingen van -3 (helemaal oneens) tot +3 (helemaal eens) antwoorden. Appendix A geeft een overzicht van de gekozen stellingen.

|

APPENDIX A1

Economie:
De overheid moet tussenkomen om de verschillen tussen de inkomens verder te verkleinen.
De overheid moet zo weinig mogelijk regels opleggen.
De belangen van de werknemers moeten sterker verdedigd worden.
De regering zou minder moeten ingrijpen in de economie.

Leefmilieu:
De voordelen van hernieuwbare energie worden overschat.
De gevaren van klimaatverandering worden overdreven.
Milieuregels mogen de economie niet afremmen.

Migratie:
Migranten maken te vaak gebruik van de sociale zekerheid.
Migranten dragen bij tot de welvaart van ons land.
Migranten zijn een bedreiging voor onze samenleving.
België moet zijn grenzen sluiten voor asielzoekers.

Internationalisering:
De Europese eenwording moet niet verder gaan.
België heeft al veel voordeel gehaald uit zijn lidmaatschap van de EU.
We moeten eerst onze eigen problemen oplossen voordat we solidair zijn met andere Europese landen die het economisch moeilijk hebben.
We moeten onze rijkdom delen met landen die armer zijn, ook al gaat dit ten koste van onze eigen welvaart.

Ethiek:
Het is normaal dat de overheid regels opstelt over euthanasie.
Een vrouw mag altijd kiezen om de zwangerschap te onderbreken.
Een huwelijk moet enkel mogelijk zijn tussen een man en een vrouw.
Je mag altijd zelf beschikken over je levenseinde.

Staatshervorming:
Vlaanderen moet meer bevoegdheden krijgen.
België is het best bevoegd voor de relaties met andere landen.
België moet blijven bestaan.
In welke mate voelt u zich Vlaming, Belg of beiden?

|
| 1/ Alle stellingen zijn voor de analyses in dezelfde richting gecodeerd. |

Hoewel de stellingen bij de zes verschillende thema’s onderling zeer goed samenhangen met Cronbach alfa’s van minstens 0,80, wijst een factoranalyse uit dat er onderliggend toch maar vier onderscheiden ideologische dimensies zijn. Men zou daarom kunnen stellen dat het huidige Belgische politieke ruimte niet door drie, maar wel door vier ideologische dimensies wordt gekenmerkt.

DE POLITIEKE RUIMTE IN BELGIË

De eerste ideologische dimensie is, zoals verwacht, de traditionele sociaaleconomische breuklijn. Hierop vinden we alle stellingen die gaan over de rol van de staat in de economie en de verdeling van inkomens. Een tweede dimensie die in onze bevraging van de kandidaten uitgesproken naar voor komt is de traditionele communautaire breuklijn. Deze speelt nog steeds, en misschien wel meer dan ooit, een belangrijke rol in de positionering van de partijen. Aan de ene kant staan partijen die een grotere rol willen voor Vlaanderen of zelfs zo ver willen gaan dat ze onafhankelijkheid willen. Hiertegenover staan partijen die meer terughoudend zijn om meer bevoegdheden naar het Vlaamse niveau over te hevelen. Dit betekent niet meteen dat ze volledig pro-Belgisch zijn en streven naar een unitaire staat, maar ze hechten relatief meer belang aan het behoud van België en het federale bestuursniveau.

Het bestaan van de links-rechts tegenstelling en de communautaire breuklijn is allerminst verrassend voor wie de afgelopen verkiezingscampagne van nabij heeft gevolgd. De vraag is echter of er ook sprake is van een ‘nieuwe’ sociaal-culturele dimensie. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn. De kern van deze dimensie vormt het migratievraagstuk. Dit is in lijn met de verwachtingen van Kriesi en Kitschelt die stellen dat immigratie een belangrijk element is van de strijd tussen de winnaars en verliezers van globalisering. Ook leefmilieu scoort sterk op deze dimensie, waarbij de partijen die strijden voor een groener milieu zich plaatsen tegenover partijen die kritischer staan tegenover groene energie en klimaatverandering. In minder mate speelt ook het conflict over internationalisering/Europa een rol in deze dimensie. Dit betekent concreet dat kandidaten die positief staan tegenover immigratie ook meer bekommerd zijn om het milieu, en meer belang hechten aan internationale solidariteit.

Verrassend is dat we ook nog een vierde ‘ethische’ dimensie terugvinden die weliswaar behoorlijk correleert met de voorgaande sociaal-culturele dimensie, maar toch een onderscheiden positie inneemt. Hier staan progressieve partijen (voorstander van het homohuwelijk, abortus en euthanasie) tegenover meer conservatieve partijen. Met enige goodwill zou men hierin de erfgenaam kunnen zien van de oude levensbeschouwelijke breuklijn.

Maar zoals eerder gezegd, is er meer nodig opdat inhoudelijk onderscheiden ideologische dimensies echte breuklijnen worden. Partijen moeten er ook belang aan hechten. Ze moeten ervoor willen gaan. In Tabel 1 geven we een overzicht van het aandeel van de kandidaten in de verschillende partijen die belang hechten aan een ideologische (sub)dimensie. De traditionele economische scheidslijn staat nog steeds centraal. Een ruime meerderheid van de kandidaten van zowat alle partijen geeft aan dat dit een van de belangrijkste thema’s is (Tabel 1). Op ruime afstand volgt de sociaal-culturele scheidslijn, waarvan vooral het leefmilieu voor de linkse partijen van belang lijkt te zijn. VB-kandidaten scoren ook op deze breuklijn door het hoge belang dat ze hechten aan het thema migratie en asiel.

De communautaire breuklijn is vooral voor kandidaten van N-VA (57%) en VB (50%) heel belangrijk, terwijl deze voor met name de linkse partijen nauwelijks als prioritair wordt beschouwd. De ethische strijd is voor de meeste kandidaten de minst belangrijke breuklijn geworden. Mogelijk omdat de afgelopen tien jaar op dit vlak belangrijke stappen zijn gezet en er geen echte behoefte meer is om veranderingen door te voeren. In dat opzicht heeft Kriesi gelijk dat deze breuklijn aan belang inboet.

Samengevat lijkt het beeld dat Kriesi en Kitschelt in hun werk scheppen op te gaan voor België. De drie dimensies kunnen ook het huidige uitzicht van het Vlaamse politieke landschap goed verklaren. De socialisten en liberalen ontlenen hun bestaansrecht nog steeds in belangrijke mate aan de traditionele economische scheidslijn. De sociaal-culturele dimensie is voor de groenen ter linkerzijde/ progressieve zijde en het Vlaams Belang ter rechterzijde een belangrijke bestaansreden. In vergelijking met de andere partijen hechten zij (veel) minder waarde aan de economische dimensie. Waar het percentage kandidaten dat economie centraal zet bij partijen als Open VLD en sp.a op respectievelijk 97% en 93% ligt, ligt het bij Groen-kandidaten op 79% en bij VB-kandidaten zelfs maar op 33%. Ten slotte zien we dat de N-VA zich vooral profileert als een partij op de communautaire én socio-economische scheidslijn.

DE POSITIONERING VAN DE VLAAMSE PARTIJEN

Nu duidelijk is welke dimensies de Belgische politieke ruimte vormen, kunnen we kijken hoe de partijen, en hun kandidaten, zich in deze ruimte positioneren (Figuur 1).

Figuur 1

| |
| | |
| | |

Beginnend met de economische dimensie zien we duidelijk dat de grote meerderheid van kandidaten van sp.a, Groen en PVDA+ zich links van het centrum8 bevinden met de meest extreme score voor PVDA+. Open VLD en N-VA staan duidelijk meer rechts van het midden. In lijn met de verwachtingen positioneren CD&V-kandidaten zich vooral in het centrum. Wel zien we dat het aandeel CD&V-kandidaten dat sociaaleconomisch linkser is, iets groter is dan het aandeel rechtser georiënteerde kandidaten. Opmerkelijk is ook dat de VB-kandidaten op sociaaleconomisch vlak doorgaans een centrumpositie verkiezen op deze schaal. De partij heeft een zeer heterogeen, symmetrisch ‘uitgerekt’ profiel wat betekent dat ze zowel linkse als rechtse kandidaten in haar rangen heeft.

Voor de sociaal-culturele dimensie kijken we naar het belangrijkste thema dat deel uitmaakt van deze dimensie; immigratie. Als we kijken naar immigratie zien we dat vooral de VB-kandidaten vrij eensgezind afwijzend staan ten aanzien van migratie. Bijna 90% van de ondervraagde VB-kandidaten is het redelijk tot volledig eens met de stelling dat de grenzen moeten worden gesloten voor asielzoekers. De ‘linkse’ partijen Groen, sp.a en PVDA+ vormen het spiegelbeeld met een overwegend positieve houding. De kandidaten van Open VLD, CD&V en N-VA bevinden zich overwegend in het centrum van deze schaal. Maar waar er bij Open VLD en CD&V veel variatie is in de opinies van hun kandidaten zijn er bij N-VA veel minder afwijkende meningen. Ditzelfde patroon vinden we terug bij de andere twee thema’s binnen deze dimensie.

Op de derde communautaire dimensie zijn er ruwweg twee kampen te onderscheiden. Vlaams Belang en N-VA aan de ene kant. Ze staan duidelijk voor meer bevoegdheden voor Vlaanderen en (op termijn) onafhankelijkheid. De kandidaten van alle andere partijen positioneren zich in het centrum (CD&V) of links (vooral PVDA+ en Groen) van de schaal. Dat betekent niet dat ze een unitair of pro-Belgisch standpunt verdedigen, maar eerder dat ze in vergelijking met de kandidaten van N-VA en VB meer terughoudend zijn om nog bevoegdheden naar het Vlaamse niveau over te hevelen en meer waarde hechten aan België. Er is bij deze partijen ook meer variatie tussen de kandidaten op dit thema dan bij Vlaams Belang of N-VA. Als we kijken naar hoe kandidaten hun identiteit omschrijven (meer Belg of meer Vlaming) zien we dat bij de meeste partijen de meerderheid van de kandidaten zich evenveel Vlaming als Belg voelt. De N-VA en VB daarentegen zien zichzelf veel sterker als Vlaming. Onder de N-VA-kandidaten geeft 85% van de ondervraagde kandidaten aan zich enkel Vlaming te voelen. Bij de VB ligt dit percentage op bijna 90%.

Ten slotte zien we op de ethische dimensie dat een aantal partijen vrij eensgezind als permissief te bestempelen zijn: sp.a, Open VLD en Groen. De paarsgroene partijen met andere woorden. Ook de kandidaten van PVDA+ zitten op dezelfde golflengte. De drie overige partijen kennen meer meningsverschillen op dit vlak. VB-kandidaten zitten overwegend in het centrum en aan de conservatieve zijde, N-VA zit ook vooral in het centrum, maar dan iets meer aan de progressieve zijde. De CD&V-kandidaten zijn bijna perfect verspreid over het gehele spectrum van progressief naar conservatief. We moeten hierbij wel nogmaals opmerken dat de scores gemiddelden zijn op basis van alle kandidaten. Het valt op dat een meerderheid eerder positief staat ten opzichte van euthanasie, abortus en homohuwelijk. Bijvoorbeeld ook bij VB is 4 op de 10 van de kandidaten neutraal of zelfs positief over het homohuwelijk.

CONCLUSIE

In deze bijdrage keken we naar het Belgische politieke landschap vanuit een bijzonder perspectief, met name dat van de kandidaten die de kieslijsten bevolkten bij de verkiezingen van 25 mei 2014. We merkten dat deze kandidaten duidelijk verschillende posities innamen op een viertal ideologische dimensies. Die ideologische dimensies vertonen heel wat gelijkenissen met de traditionele breuklijnen. Zo is er nog steeds sprake van duidelijk onderscheiden sociaaleconomische, communautaire en ethische ideologische dimensies. Daarnaast zagen we ook een vierde sociaal-culturele ideologische dimensie, die betrekking heeft op zowel leefmilieu, migratie als internationalisering. Als je weet hoe een kandidaat zich verhoudt ten aanzien van migratie weet je met andere woorden ook doorgaans zijn positie inzake leefmilieu en internationalisering.

Niettemin bleek slechts één van die ideologische dimensies, de sociaaleconomische, als een echte breuklijn te fungeren. Hoewel voor elke ideologische dimensie wel een partij te vinden was die er specifiek op wilde inzetten, ontbrak vaak een duidelijke tegenstander. Voor strijd heb je immers een tegenstander nodig en die was er enkel op de sociaaleconomische dimensie. De grote verliezer van deze verkiezingen, VB, was dan ook niet toevallig de partij die veruit het minste belang hechtte aan deze breuklijn. Bij deze verkiezingen verschilden de kandidaten van de partijen latent op niet minder dan vier ideologische dimensies maar was er toch slechts één manifeste breuklijn: de sociaaleconomische. Dit neemt niet weg dat de ideologische verschillen op de andere dimensies er wel zijn en vermoedelijk zal reeds in de regeringsonderhandelingen blijken dat ze in potentie allemaal breuklijnen zijn.

Patrick Van Erkel, Peter Thijssen en Peter Van Aelst
Onderzoeksgroep M²P, Departement Politieke Wetenschappen, Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Lipset, S.M. and S. Rokkan (eds.) (1967) Party systems and voter alignments: cross-national perspectives. New York: Free Press.
2/ Kitschelt, H. (2004) ‘Diversification and reconfiguration of party systems in postindustrial democracies’, Friedrich Ebert Stiftung Series on Europäische Politik, nummer 3.
Kriesi, H., E. Grande, R. Lachat, M. Dolezal, S. Bornschier, en T. Frey (2006) ‘Globalisation and the transformation of the national political space’, European Journal of Political Research 45 (6), p. 921-956
3/ Elchardus, M. (1994) ‘Gekaapte deugden: Over de nieuwe breuklijn en de zin van limieten.’ Samenleving en politiek 1 (1), p. 20-27.
4/ Van der Brug, W. and J. van Spanje (2009) ‘Immigration, Europe, and the ‘new’ cultural dimension’, _European Journal of Political Research _48 (3), p. 309-34
5/ Het onderzoek van Van der Brug en Van Spanje zich op West-Europa in het algemeen, waardoor de specifieke configuratie van de Belgische politieke ruimte onduidelijk blijft bij hen.
6/ N-VA, CD&V, VB, sp.a, Open VLD, Groen en PVDA+.
7/ Kandidaten moesten steeds aangeven welke twee thema’s zij het belangrijkst vinden. Daarom dat percentages sommeren op 200%.
8/ Met centrum bedoelen we in dit geval het centrum van de schaal gemeten op basis van drie of vier stellingen.

ideologie - verkiezingen - breuklijnen

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 36 tot 44