Abonneer Log in

De PS en haar toekomst

Wat nu met de sp.a?

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 41 tot 49

De verkiezingsgegevens

Het verlies van de Parti Socialiste (PS) bij de federale verkiezingen van 10 juni 2007 uit zich in termen van parlementaire machtsverhoudingen in de eerste plaats in een vermindering van 25 naar 20 volksvertegenwoordigers, als gevolg van een vermindering van stemmen van 855.992 naar 724.787, zijnde 131.205 kiezers. Dit aanzienlijke verlies doet al onmiddellijk denken aan de 139.260 stemmen die Ecolo op hetzelfde moment won. Nochtans weet iedereen dat een overgang van stemmen van de ene partij naar de andere zelden rechtstreeks gebeurt. Waarschijnlijk zijn een deel van de stemmen die de PS in 2003 verkreeg deze keer naar andere partijen gegaan en werd dat op zijn beurt gecompenseerd door verliezen in allerlei richtingen. De schijnbare overgang zou dan maar het resultaat zijn van verschillende onderlinge verschuivingen tussen lijsten. Dat neemt niet weg dat de opgang van Ecolo samenhangt met de neergang van de PS, zoals al gedeeltelijk gebeurd was in 1999 en omgekeerd (zoals men soms beweert) in 2003.

Tabel 1 illustreert de veranderingen in stemgedrag in Wallonië tijdens de negen laatste verkiezingen. Politicologen weigeren gewoonlijk verkiezingen van verschillende niveaus te vergelijken, om geen appelen met peren te vergelijken. De onderliggende redenering is hier - om dezelfde beeldtaal te hanteren - dat het fruit geteld wordt, met name niet de concrete en institutionele inzet van de verkiezingen maar wel het gedrag dat ze bij de kiezer teweegbrengen. Om beter te kunnen vergelijken hebben we een categorie extreemrechtse partijen gemaakt, bestaande uit het totaal aan stemmen, uitgebracht op partijen die tot uiterst rechts mogen worden gerekend. Dat geeft immers een bepaalde electorale voorkeur aan, zonder te beschikken over een stevig partijapparaat (in tegenstelling tot het Vlaams Belang dat een doeltreffend en uniek kanaal is om extreemrechts stemgedrag te verzamelen). Naast die categorie hebben we alle stemmen voor alle andere partijen (regionalisten, communisten en extreemlinks) onder de noemer ‘andere’ samengebracht. De belangrijkste vernieuwing bestaat erin dat een categorie ‘buiten spel’ werd gecreëerd, met daarin alle blanco en ongeldige stemmen, evenals de afwezige kiezers. Sinds de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 ligt het gemiddelde van de blanco en ongeldige stemmen en van de afwezige kiezers rond de 16%. In onderstaande tabel is te zien hoe deze categorie rond een gemiddelde van 16,3% fluctueert, met een speling van zo’n 4% en met een grote stabiliteit (variatiecoëfficiënt 6,5%). Door de afwezige kiezers mee te rekenen in het voorgestelde percentage worden natuurlijk alle cijfers beïnvloed. Wanneer men enkel het aandeel van de geldige stemmen toont, vertegenwoordigen de partijen hier een kleiner deel van de ingeschreven kiezers dan gebruikelijk.

Tabel 1: Stemgedrag in Wallonië gedurende de laatste 16 jaar.

Wanneer we de socialisten bekijken, lijkt de neergaande trend van de jaren 1990 op de stagnatie en de daling van het begin van het nieuwe millennium. Maar tussen de twee uiterste waarden van de serie zit een verlies van 8% van de ingeschreven kiezers. Het gemiddelde is 28,6%, met een variatiecoëfficiënt van slechts 10,2% (de laagste van alle categorieën). De daling van de socialisten loopt parallel met die van de christendemocraten, aangezien het verlies van bijna 6% van de PSC in Wallonië niet wordt goedgemaakt bij de federale of de gewestelijke maar wel bij de provinciale verkiezingen, die samenvallen met de gemeentelijke en dit met een gemiddelde score van 16% (variatiecoëfficiënt 16%). De winnaar van de geanalyseerde serie is de MR, de vroegere PRL, die met 10% stijgt tussen de twee uiterste waarden van de serie, rond een gemiddelde van 20,8% (variatiecoëfficiënt 14,6%). Ecolo lijkt onstabieler rond zijn gemiddelde van 10% (variatiecoëfficiënt 27,9%). Daarbij laten we zijn twee grote uitschieters, de verkiezingen van 1999 en 2003-2004, buiten beschouwing. Resten nog de series van extreemrechts en ‘buiten spel’, met respectievelijk gemiddelden van 4,6% en 3,4%, met minder duidelijke variaties (variatiecoëfficiënt respectievelijk 39% en 28%). De drie laatstgenoemde categorieën hebben een lager gemiddelde dan de anderen. Ze ondergaan dus duidelijker de variaties in stemgedrag, wat de hogere variatiecoëfficiënten verklaart.

Grafiek 1 toont duidelijk de dalingen van PS en de PSC (de twee grote oude volkspartijen van Wallonië) en de gestage winst van de MR. Dit is de partij geworden die van overal stemmen binnenhaalt.

Grafiek 1: Opdeling van de kiezers in Wallonië.

In dit landschap (dat aan de basis rood kleurt van het vuur van de industrie en de arbeidersorganisaties en goudoranje van het gemengde graan van meerdere arbeidersbewegingen) neemt de blauwe stroom van het liberalisme meer plaats in, terwijl de groene oever zich niet laat wegdringen. De zwarte rand van extreemrechts verdwijnt noch neemt toe, maar zweeft als een bedreiging boven de rest. De horizon van kleine, op parlementair vlak niet te onderscheiden partijen zoomt een onbereikbare hemel af van bij de stemming afwezige kiezers. In dit decor ziet de dalende tendens van de PS en het cdH er als een schok uit in 1999, met een gecumuleerd verlies van negen procent. Dat verlies wordt niet door de MR of extreemrechts gecompenseerd, maar door Ecolo, de andere partijen en de ‘buiten spel’ categorie. Zij profiteren van de globale verschuivingen van de Waalse stemmen.

Op dit punt van ons verhaal gekomen, moeten we onze tijdsschaal aanpassen. We hebben inderdaad gezien dat de PS wel al eens minder dan 24% behaalde maar nog nooit door een andere partij was voorbijgestoken in Wallonië. Laat ons dus met een beetje historische afstand, over drie generaties, de Waalse resultaten bekijken. We zullen minder de details zien die zo veel commentatoren de laatste weken hebben toegelicht, maar we zullen de omvang van de vraagstelling beter begrijpen. Laat ons dus de Waalse verkiezingsuitslagen vanaf de invoering van het algemeen mannelijk stemrecht in 1919 analyseren. En laat ons absolute cijfers nemen om de invoering van het stemrecht voor vrouwen in 1949 niet te vergeten, wat het aantal kiezers heeft gewijzigd maar niet het globale gedrag (in tegenstelling tot wat sommige socialisten voor de oorlog vreesden). Qua methodologie moeten we opletten voor de wijziging van de berekening: de percentages zijn vanaf nu klassiek berekend in geldige stemmen. De methodologie is die van Marcel Hotterbeex.1

In Tabel 2 lijkt de verkiezingsuitslag van 2007 een historische catastrofe voor de PS. Want met een gemiddeld resultaat van 41% voor de hele periode (1919-2007), moet men tot de integratie van José Happart en de Waalse regionalisten in 1985 en 1987 teruggaan om cijfers te vinden die in de buurt komen van dat gemiddelde. En laat ons daarbij niet vergeten dat die integratie samenviel met de ineenstorting van de communistische partij (verlies tussen 1978 en 1987: 4,8% en verdwijning uit het parlement). Het vermelde gemiddelde wordt omhooggetrokken door de resultaten van het interbellum en door de cijfers van de jaren 1950. Met andere woorden de koningskwestie, gevolgd door de schoolstrijd. Maar bovenal is het voor de PS de eerste keer sinds de invoering van het algemeen stemrecht dat ze wordt voorbijgestoken door een andere partij en dat de dominerende kleur van Wallonië verandert. Zelfs als we teruggaan tot het algemeen meervoudig stemrecht met evenredige vertegenwoordiging (vanaf 1900) is de Belgische Werkliedenpartij, met 37% van de uitgebrachte stemmen van dat moment in Wallonië, de grootste. De socialistische hegemonie in Wallonië was dus honderd jaar oud en is zopas geëindigd.

Tabel 2: Percentage van de geldige stemmen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, in Wallonië.

De vermindering van de stemmen van links slaat niet alleen op de PS, want ook de communistische partij haalt tijdens de beschouwde periode een gemiddelde van 5,4%. Zelfs als we aan de huidige PS de stemmen van de CAP (comité pour une autre politique, bestaande uit syndicalisten en niet-socialistische militanten van links) en die van de PTB+ (parti du travail de Belgique) toevoegen, komen we nog maar aan een totaal van 1,6% voor de lijsten links van de PS. Het totale aantal linkse stemmen, waarvan het gecumuleerde gemiddelde 46% van de geldige stemmen in Wallonië bedroeg, is in 2007 gedaald tot 31%.
Het verlies aan linkse stemmen wordt slechts gecompenseerd als men de ecologisten, die 12,8% van de geldige stemmen in Wallonië behaalden, als linkse kiezers beschouwt. In die hypothese bedragen de linkse stemmen 43%. Maar die hypothese gaat voorbij aan het feit dat een deel van de kiezers van Ecolo sociologisch van de christelijke linkerzijde komt. Het ‘tweede links’ van de jaren 1970 dat de PSC verlaten heeft, en waarvan sommigen eerst nog regionalistisch gestemd hebben. De cdH bevindt zich inderdaad net als de PS in een neerwaartse tendens, met slechts 15,8% in 2007 tegen 25% voor de gehele periode (1919-2007).
De ‘Andere lijsten’ in Tabel 2 vertegenwoordigen de opkomst van de regionalisten en daarna van de ecologisten sinds 1968. Voor WO II komt deze categorie duidelijk maar uitzonderlijk in beeld met de ‘rexistische’ piek van 1936. Het gemiddelde van deze categorie sinds 1919 bedraagt slechts 9,5%, m.a.w. minder dan de resultaten van de ecologisten alleen al in 2007.
De liberalen blijken een voortdurende stijgende tendens te vertonen. We moeten al tot 1974 teruggaan om ze onder hun algemeen gemiddelde (sinds 1919) van 18,9% te zien duiken. Deze opkomst gaat in drie stappen, met de opening naar de christendemocraten in 1965 en het confessionele pluralisme, de komst van de Waalse regionalisten in 1977 (de vorming van een kartel met het FDF van het begin van de jaren 1990 brengt geen winst in Wallonië) en dan de logica van het kartel en het discours om van overal stemmen binnen te halen vanaf 1995. Men mag veronderstellen dat de verkiezingen van 2007 gedeeltelijk een ‘Sarkozy’-effect gekend hebben.

Een blik op de slingers van punten in Grafiek 2 toont ons wat in de vorige decennia onvoorstelbaar was: de dalende tendens van de twee volkspartijen in Wallonië en het punt waarop de MR de PS in 2007 voorbijsteekt.

Grafiek 2: Evolutie van de stemmen voor de Kamer in Wallonië sinds het algemeen stemrecht.

Natuurlijk is het eerder het verlies van 8,8% van de PS die deze inhaalbeweging verklaart dan de winst van de MR die 0,3% bedraagt. Maar er is een grote symbolische stap gezet: het rode Wallonië is niet meer helemaal het oude. Het is aan het veranderen. Op dezelfde manier ondergaat het cdH een parallel fenomeen. Het is toch opmerkelijk dat de twee curven aantonen dat deze twee partijen elkaar geen kiezers meer afnemen. In elk geval niet van verkiezing tot verkiezing, zelfs niet zuiver kwantitatief bekeken. Het zijn de liberalen en de ‘andere lijsten’ die stemmen uitwisselen met de twee grote anciens. De onderlinge verbanden kunnen dus gevisualiseerd worden.
Maar betekent deze neerwaartse tendens, bovenop de huidige omstandigheden waarop we terugkomen, dat de socialistische partij haar historische taak beëindigd heeft en gedoemd is tegen wil en dank te verdwijnen uit een politiek landschap dat niet langer rekening houdt met de bekommernissen waarmee zij begaan was? Dat staat niet vast. Voorbeelden uit andere delen van het land kunnen ons helpen dit te begrijpen. We weten dat in Vlaanderen de CVP de grootste partij was totdat de VLD van Guy Verhofstadt haar in 1999 voorbijstak. Men vergeet soms dat de liberale hegemonie in de Brusselse kantons in 2004 door de PS van Charles Picqué en Philippe Moureaux werd doorbroken. In beide gevallen is de voordien dominerende partij er echter in geslaagd terug te keren op het electorale voorplan. De CD&V sloot een kartel met de N-VA en de MR kondigde bij de federale verkiezingen van 2007 een Franstalig verzet aan tegen de Vlaamse eisen. We zullen in dat opzicht moeten afwachten of de MR erin slaagt opnieuw te winnen bij de regionale verkiezingen in 2009.

Hier is het nuttig het kader even te verbreden tot het federale niveau om, net als Marcel Hotterbeex, de bewegingen van de politieke families die totnogtoe de federale regeringen vormen, te observeren (Tabel 3).

Tabel 3: Verkiezingsuitslag per politieke 'familie', in België, voor de Kamer.

We kunnen hier zien dat de dominerende familie negen keer veranderd is, met een overwicht van de christelijke familie tussen 1939 en 1985. Ook hier zitten de socialistische en de christelijke familie onder hun globaal gemiddelde (dat rond de 30% ligt voor de socialisten en 33% voor de christenen). Men moet naar 1987 teruggaan voor de socialisten en naar 1978 voor de christenen om opnieuw een uitslag te zien op het niveau van hun historisch gemiddelde. Ook hier doen de liberalen het aan het einde van de periode beter dan hun globaal gemiddelde (17%). Sinds 1981 doen ze beter dan hun gemiddelde. In dat jaar merkte men op dat de nieuwe jonge kiezers gelijk verdeeld tussen de liberalen en de ecologisten stemden. De vijf veranderingen van dominerende familie tijdens de laatste twintig jaar tonen de groeiende instabiliteit van het politieke systeem aan, net zoals de zware aanwezigheid trouwens van ‘Andere lijsten’ sinds 1991.

De pogingen tot verklaring

Betekenen de dalende verkiezingsuitslagen van de communisten in de jaren 1980 en van de socialisten de laatste jaren dat er geen arbeiderskwestie meer bestaat en dat de hedendaagse staat de postindustriële stormen kan verdrinken in een electorale logica die volledig losstaat van de strijd om gelijkheid? De vraag stelt zich in het algemeen voor links Europa, zowel in Nederland als in Frankrijk of Italië. De Belgische en Griekse socialisten worden door hun groep in het Europese Parlement als radicaal links beschouwd, dixit de voorzitter. Betekent dit dat de logica van de geglobaliseerde markt heerst bij de beleidsmakers? En dat - zoals Pierre-Noël Giraud voorspelde - de politieke verantwoordelijken voortaan beheerders van territoria geworden zijn, die vreemde investeerders proberen aan te trekken die een aanwezigheid op de wereldmarkten garanderen?

Overal elders zou de liberale logica het dus gehaald hebben, en de productie van meerwaarde wordt belangrijker dan de verdeling ervan. Norberto Bobbio wees er al op dat de linkse arbeiderspartijen de linkse antiklerikale en republikeinse partijen opvolgden. Anderhalve eeuw geleden brachten zij de arbeiderskwestie aan de orde, die de problematiek was van de verdeling van de meerwaarde in een economisch systeem. Tot dan had links een republikeinse gelijkheid voorgestaan, gebaseerd op de erkenning van het recht van eenieder om deel te nemen aan de collectieve beslissingen. Op voorwaarde dat hij over intellectuele onafhankelijkheid beschikte (vandaar de problematiek rond het cijnskiesrecht of het capaciteitskiesrecht die rees gedurende de hele eerste eeuw van het systeem van volksvertegenwoordiging). Er was de bolsjewistische parenthesis (1917-1991) die druk uitoefende op de kapitalisten in de hele wereld opdat ze toegevingen zouden doen aan de eisen van de arbeiders binnen een keynesiaanse logica. Achteraf kan men die betitelen als op zichzelf gerichte economische groei, waaruit op zijn beurt het fordisme is voortgekomen. Dat is niets anders dan de patronale versie, de spiegel van het reformisme en de sociaaldemocratie. In die periode groeide de levensverwachting, de scholingsgraad, het subjectieve welzijn en de consumptie van de arbeidersklasse tegelijk met een gevoel van individuele vrijheid, terwijl het samenhorigheidsgevoel van de arbeiders afnam.

Met de verrijking - André Renard zou gezegd hebben de verburgerlijking - van de arbeidersklasse, met de verandering van een industriële samenleving in een tertiaire (waarin de meerwaarde in de nationale boekhouding meer door diensten wordt geproduceerd dan door de secundaire sector) en met de opkomst van een soort nieuwe kleine burgerij ten dienste van de staat zowel als van de privébedrijven (die de meerwaarde herverdelen zoals banken, verzekeringsmaatschappijen, communicatiebedrijven, enz.) verwaterde de politieke socialistische identiteit. Haar rekruteringsdomein stortte in, onder druk van de sociale bewegingen die de verdeling van de meerwaarde mee bewerkstelligden.
Sindsdien zijn er twee tegengestelde interpretaties: ofwel moeten de socialistische partijen opnieuw meer linkse partijen worden (en dit was de Franse gedeeltelijke en slecht georganiseerde poging na de catastrofale verkiezingen van 2002), ofwel moeten de socialistische partijen ‘realistischer’ worden op economisch vlak, investeerders aantrekken en het patronaat helpen meerwaarde te produceren om zo werkgelegenheid te creëren (wat de poging was om een derde weg te creëren door theoreticus Anthony Giddens en practicus Tony Blair en de Scandinavische partijen).

Bij de socialistische partij in Brussel en Wallonië botsen deze beide stromingen onuitgesproken, krijgt het theoretische debat nauwelijks follow-up en krijgen de leiders de antwoorden van de basis slechts met horten en stoten. Deze zomer waren er, tussen de stellingnames van de intellectuelen in verband met de collectieve identiteit (Belgisch, francofoon of Waals) door, eindelijk enkele verklaringen in de zogenaamde nationale pers. Met name die van Marc Bolland zullen we hier toelichten.2 Ze geeft immers blijk van een malaise bij de militanten. In grote lijnen zou de malaise veroorzaakt worden door de overdreven interne technocratie. Daarbij wordt de inbedding bij de mensen vergeten, worden de zwakken geminacht en wordt de inzet van de militanten ondergeschikt aan een openstelling naar buiten. Dit alles wordt als frustrerend ervaren door degenen die de radertjes vormen in de band met de kiezers. Daarenboven weigert die technocratie uiteindelijk ook de democratische verantwoordelijkheid voor de verkiezingsnederlaag van de leiders op te nemen.

De verkiezing van de partijvoorzitter op 11 juli was, net zoals de herschikking van de Waalse gewestregering, een poging tot antwoord op de malaise.
Bij de verkiezing van de voorzitter waren 78.365 partijleden stemgerechtigd, op een totaal van 82.000 leden. Er werden 23.747 stemmen uitgebracht. Dat betekent dus dat 30% van de stemgerechtigden hun stem uitbrachten. Er gingen 20.654 geldige stemmen naar Elio Di Rupo en 2.425 naar Jean-Pierre De Clercq. Deze laatste was in de ogen van de meeste Walen wellicht de verpersoonlijking van de ziekte van Charleroi, met een vaststaand cliëntelisme en een vermoedelijke corruptie. Hij vormde wellicht geen geloofwaardig politiek alternatief voor de militanten. Het feit dat 10% van de militanten voor hem koos wijst op een relatief grote malaise binnen de partij. Maar de interne zalving door de verkiezing van Elio Di Rupo is voortaan onbetwistbaar. Althans voor een tijdje.

De herschikking van de Waalse gewestregering bekrachtigt de Henegouwse machtsgreep op de beslissingsorganen van de partij: Rudy Demotte wordt minister-president en Paul Magnette, politicoloog van de ULB die als bemiddelaar had gefungeerd bij de oplossing van het probleem Charleroi in de lente, bleef in functie in de plaats van Christianne Vienne. Naast die zwaargewichten uit de Waalse politiek is Marc Tarabella nog verschenen, burgemeester van een plattelandsdorp en Europees parlementslid. Hij zal zich op de voorgrond moeten werken tegen de verkiezingen in 2009.
De Waalse regering en de zomeruniversiteit van de partij willen de klemtoon leggen op werk als producent van meerwaarde, als zingeving aan het leven en als motor voor sociale deelname. Vanuit dat opzicht zou de confrontatie met de vakbonden, beschuldigd van contraproductief corporatisme, wel eens echte vragen naar de definitie van links en rechts voor de komende jaren kunnen stellen.

Pierre Verjans
Politicoloog, Universiteit Luik

Noten
1/ Hotterbeex Marcel (1990), Les élections en Wallonie. 1919-1985, Presses universitaires de Liège, 443 p.
2/ Marc Bolland, ‘Défaite du PS : il n’y a pas que Charleroi !’, In: La Libre Belgique, 15 juni 2007, p. 22.

PS - verkiezingen - Wallonië

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 41 tot 49