Log in

Morgen iedereen coöperant?

DE ARBEID VAN DE TOEKOMST

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 4 (april), pagina 38 tot 41

Telkens de economie sputtert, grijpen zowel burgers als lokale, nationale en supranationale overheden terug naar de coöperatieve oplossing. Nochtans vormt de geglobaliseerde economische realiteit, gestoeld op het dogma van de vrije markt, telkens zowel de voedingsbodem als de ondergang van productiecoöperatieven. Zelfs met een uitgebreide nationale wetgeving (o.a. in Frankrijk, Italië, Spanje) en onder de beschermende vleugels van de sociale economie, slagen productiecoöperatieven er niet in de druk van de globalisering op democratische arbeids- en eigendomsverhoudingen te weerstaan. Het verhaal van de Baskische Mondragon-coöperatieven is exemplarisch. Willen we in 2030 allen deel uitmaken van een solidaire coöperatieve economie, moeten we lessen trekken uit haar faillissement.

DE ARBEID VAN DE TOEKOMST

Help, de robots komen
Jurgen Masure
Welk onderwijs voor de jobs van morgen?
Dirk Van Damme
Jongeren in onzekere banen
Fabian Dekker
Arbeid in dienst van de gemeenschap
Bart Verhaeghe
Werk van betekenis
Mieke Van Gramberen
1 mei : Dag van de Arbeidsduurvermindering
Jeroen Lievens
Vreugdevol werk maken van gedeelde tijd
Dirk Holemans
De Circulaire City-economie
Fons Leroy
Morgen iedereen coöperant?
Amanda Latinne
Diversiteit in de neoliberale arbeidsmarkt
Patrizia Zanoni
Sociale bescherming in onzekere tijden
Valeria Pulignano en Nadja Doerflinger
Sociale zekerheid in tijden van robotisering
Bea Cantillon, Linde Buysse en Wim Van Lancker

Coöperatieven streven in hun waarden naar een meer democratische en solidaire ondernemingsvorm. Ze werden dan ook reeds in de 19de eeuw beschouwd als een uitdrukking van een meer sociale economie.

Nadat de burgerij, als overwinnaar van de Franse Revolutie, de oude gildenverbanden succesvol had bestreden, kon ze arbeid flexibel inzetten waar nodig. Economen onderbouwden deze behandeling van arbeid als koopwaar met een verheerlijking van de vrije markt en de comparatieve voordelen. De proletarisatie van grote delen van de bevolking werd een feit.

Op sociale grondrechten gebaseerde coöperatieven ontwikkelden zich als antwoord op door het kapitalisme veroorzaakte sociaaleconomische crisissen. Consumentencoöperatieven stelden zich tot doel de arbeiders van kwaliteitsvolle kledij, voeding en huishoudproducten te voorzien tegen een lagere prijs dan de marktprijs. Productiecoöperatieven produceerden die consumptiegoederen en realiseerden hiermee het recht op arbeid. Coöperatieve banken voorzagen in de nodige kredieten. Mensen als Owen en Gide droomden van een coöperatieve republiek waarin alles - productie, consumptie, landbouw, woningen, banken - gecoöperativiseerd zou zijn. In een dergelijke samenleving zou men enkel nog produceren hetgeen men werkelijk nodig had. Overproductie, en de ermee gepaard gaande crisissen, zouden definitief tot het verleden behoren.

In afwachting van een dergelijke gouden toekomst functioneren coöperatieven echter naast gewone ondernemingen in het paradigma van de vrije markt. Het is precies daar waar het schoentje wringt. Als de consument-coöperant een goedkoop product geboden dient te worden, lijkt het niet onredelijk dat de arbeider-coöperant aan dezelfde voorwaarden blijft werken als zijn collega’s in een niet-coöperatieve onderneming. Indien men de arbeider-coöperanten betere condities biedt, maakt men de arbeid immers duurder dan de in de markt gangbare voorwaarden en zal dit zijn gevolg hebben op de prijsstelling van het product voor de consument. Deze discussie werd reeds aan het einde van de 19de eeuw gevoerd en, het zal geen verbazing wekken, beslecht in het voordeel van de consumenten-coöperanten.

Ook de geschiedenis van de Mondragon-co­operatieven weerspiegelt de nefaste gevolgen van de globalisering. Ze leidden in 2013 uiteindelijk tot het faillissement van de oudste coöperatieve van de groep. De krachtige Baskische groep, die in 2013 een transnationale tewerkstelling van 74.060 mensen en een omzet van meer dan 12 miljard euro realiseerde, werd reeds door velen bestudeerd en geprezen als een succesvolle alternatieve onderneming. Als we echter werkelijk een andere, solidaire en coöperatieve economie willen, moeten we verder kijken dan het democratische imago en lessen trekken uit deze geschiedenis.

HET ONTSTAAN

In 1959 startten vijf ondernemende jonge mannen, geïnspireerd door hun parochiepriester Arizmendiarrieta, een coöperatieve fabriek voor gasfornuizen. In de gesloten, op autarkie gerichte, economie van het Franco-regime ontwikkelde zich vervolgens een netwerk van coöperatieve winkels, scholen en werkplaatsen, aangestuurd door een coöperatieve bank die als incubator voor nieuwe coöperatieven fungeerde en hen bijstond met kapitaal, kennis en bedrijfsstrategie. Opvallend is dat de coöperatieven dezelfde productieorganisatie en productiemethoden volgden als conventionele ondernemingen. Hun producten weerspiegelden de American Way of Life. Hun ambities die van de opkomende Fordistische middenklasse.

De algemene vergadering van werknemers verkoos om de vier jaar een bestuur dat vervolgens een management aanstelde. In samenspraak met de coöperatieve bank stuurde deze managers de coöperatieven aan. Ze bepaalden ook de plaats van werknemers in het jobclassificatiesysteem en daarmee hun verloning en stemmenaantal in de algemene vergadering. De verloning kon variëren in een verhouding van 1: 4,5 tussen het laagste en hoogste loon. Tot in 1971 bestond bovendien een meervoudig stemrecht in de algemene vergadering dat rechtstreeks gerelateerd was aan de plaats die een werknemer in het jobclassificatiesysteem innam.

Het overheersende managementstandpunt werd nauwelijks gerelativeerd door een sociale raad die in ondergeschikte positie stond. Tot vandaag vormt de sociale raad de enige belangenbehartiging van de coöperant als werknemer. De Mondragon-groep weigert immers een vakbondsvertegenwoordiging voor de coöperanten.

MONDRAGON EN DE WERELD

Vanaf de jaren 1970 volgde de groep een meer commerciële strategie. Coöperatieven werden gegroepeerd om kosten te optimaliseren en eventuele verliezen te neutraliseren. Na de toetreding van Spanje tot de Unie in 1986 werd deze groeperingsstrategie nog verfijnd om de Europese markt beter te kunnen bespelen. De nationale regering haastte zich met R&D-fondsen om de coöperatieven toe te laten meer innovatieve producten en productieprocessen te ontwikkelen die ook in de rest van de westerse wereld ingang vonden.

Via headhunting haalde men managers weg uit de niet-coöperatieve bedrijven, wat tot gevolg had dat het verschil tussen de laagste en hoogste lonen evolueerde naar 1:6 en hoger. Bovendien evolueerde de democratie, door die groepering van de coöperatieven, van direct naar representatief. Steeds meer beslissingen werden top down en verder van de basisco­operatieven genomen.

In 1991 werd een gewone niet-coöperatieve onderneming gesticht om wereldwijde investeringen mogelijk te maken. De markten waarin de coöperatieven zich bewogen, waren immers zeer competitief. De markt voor elektrische huishoudelijke apparaten bijvoorbeeld werd beheerst door enkele grote spelers die elk op overnamepad gingen om hun marktaandeel veilig te stellen. Zo kocht het oorspronkelijke coöperatief Fagor een concurrerend merk op in Polen, een aankoop die werd gevolgd door drastische herstructureringen zowel in Polen als in het Baskische moedercoöperatief. Daarbij werden de Poolse arbeidsomstandigheden gebruikt als drukkingsmiddel tegen eventuele Baskische looneisen. Toen in 2008 in Polen een staking uitbrak, werd die bijzonder repressief onderdrukt.

Ook in andere landen volgde men dezelfde politiek. Ondanks het feit dat de intentieverklaringen regelmatig verwezen naar te realiseren coöperatieve tewerkstelling of minstens zoals in China naar standaarden van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), werden nergens concrete sancties voorzien. Daardoor bleek het grote verschil in arbeidskosten te verleidelijk om te weerstaan. In een algemeen neoliberaal klimaat werd deze internationalisatie bovendien door diverse regeringsniveaus (Spaans, Europees) ondersteund met subsidies en fiscale voordelen. Ook de Baskische regering stond de coöperatieven bij met juridisch maatwerk. Immers, toen de intercoöperatieve transfer van werknemers niet meer volstond om de economische schokken op te vangen, voorzag men in hogere toegelaten percentages (tijdelijke) niet-coöperanten/werknemers en in een speciale categorie tijdelijke coöperanten.

Toen in 2008 de crisis uitbrak, belandde het oudste coöperatief Fagor in noodweer. Ondanks zware bezuinigingen door de Baskische coöperanten en afdankingen van die speciale categorie tijdelijke coöperanten bleek het oudste coöperatief niet meer te redden. De krachtige Baskische groep, die zich door innovatie en buitenlandse mergers and acquisitions niet van menig conventionele multinational onderscheidde, werd in 2013 geconfronteerd met het failliet van haar oorspronkelijke kernactiviteiten: de productie van elektrische huishoudapparaten. Zelfs met aanzienlijke fiscale voordelen en een delokalisatie van het overgrote deel van de productie naar lagelonenlanden en onder niet-coöperatieve (lees: goedkopere) voorwaarden, bleek de Baskische coöperatieve kern weerloos tegen de race to the bottom van de vrije markt.

LESSEN UIT MONDRAGON

Meestal wordt de neergang van coöperatieven toegewezen aan een degeneratie van de co-operatieve waarden. Zelden wordt een dergelijke evolutie geplaatst in het breder kader van vermarkting die zich ook in niet-coöperatieve omgevingen laat voelen. Waar de theorie van degeneratie vooral wordt gebruikt om aan te tonen dat conventionele economische initiatieven de voorkeur verdienen (en dus via deze weg om het liberaal gedachtegoed verder door te drukken), weerspiegelt de mislukking van productiecoöperatieven volgens mij een diepere malaise.

Nader onderzoek van het reilen en zeilen van productiecoöperatieven toont aan dat de markt niet vrij is en dat er hoegenaamd geen sprake is van een equal level playing field. Daardoor hebben coöperatieven net zo goed als conventionele ondernemingen enkel de keuze tussen stoppen of meedoen aan de opgelegde race to the bottom, alle kaders van sociale economie ten spijt. In die zin is elke oproep voor een toekomst met meer sociaal verantwoord ondernemerschap (of dit nu gebeurt onder de vorm van een coöperatieve of onder een andere structuur) immoreel zolang deze oproep niet gepaard gaat met een doordachte afscherming van dergelijke initiatieven van de vrije markt. Nieuwe, aangepaste Europese wetgeving ter zake is gewenst.

Als we terugkoppelen naar de grondrechten waarmee dit coöperatief discours begon, dienen we het huidige primaat van de vrijhandel in vraag te stellen en om te keren in een primaat van deze grondrechten op de vrijhandel en het vrij verkeer. Eerder dan een debat of productiecoöperatieven wel of niet aan de voorwaarden voldoen om gerekend te worden tot de sociale economie, moet elke economische handeling worden onderworpen aan een kritische reflex die in de eerste plaats de mens centraal stelt. Alleen zo kunnen we de economie in zijn geheel socialiseren. Alleen zo kunnen we in 2030 allen deel uitmaken van een solidaire coöperatieve economie.

Amanda Latinne
Doctoraal onderzoeker UAntwerpen

Bibliografische referentie
- A. Latinne, The Mondragon Cooperatives. Workplace Democracy and Globalization, Cambridge, Intersentia, 2014.

arbeid - arbeidsmarkt - coöperaties - Mondragon

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 4 (april), pagina 38 tot 41