Abonneer Log in

Wie is de middenklasse en wat denkt ze?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 16 tot 23

Over de toestand van de middenklasse wordt almaar vaker een somber beeld geschetst. De middenklasse zou krimpen ten voordele van de boven- en onderkant, en haar relatieve positie zou verslechteren. Zeker in Amerikaanse tijdsdiagnoses doemt het beeld op dat 'de middenklasse' geleidelijk zou verdwijnen en almaar meer begint te lijken op de onderkant. Deze studies wijzen vooral op de toenemende bestaansonzekerheid van de middenklasse. Aan de ene kant stelt de lagere middenklasse de eisen naar beneden bij; aan de andere kant maakt de hogere middenklasse zich niet zozeer zorgen over de eigen financiële toekomst, maar des te meer over de toekomst van de kinderen (Cooper, 2014). Ook in West-Europese context argumenteren tal van auteurs dat na vijftig jaar een definitief einde is gekomen aan het vooruitgangsdenken van de middengroepen – ook zij ervaren hun sociale status, baan en inkomen als kwetsbaar en zijn bewust van het risico op sociale daling (Chauvel, 2006).

Recent Nederlands onderzoek schetst echter een minder somber beeld en ontwaart een 'stabiele en kwetsbare middenklasse' (Engbersen, Snel & Kremer, 2017a). Het middensegment is nog steeds in de meerderheid en weet zich goed staande te houden, ofschoon deze groepen almaar meer inspanningen moeten doen om hun levensstandaard te handhaven. Dankzij de verzorgingsstaat maakt de middenklasse geen sterke achteruitgang mee, maar ze dient wel harder te werken in meer onzekere omstandigheden. Middenklassers moeten in tijden van toenemende flexibiliteit op de arbeidsmarkt, van versobering van de verzorgingsstaat, van diploma-inflatie en van toenemende kwetsbaarheid van primaire relaties steeds meer statusarbeid verrichten – lees, meer én bewuster investeren in economisch én cultureel kapitaal om de eigen positie en die van hun kinderen veilig te stellen. Of prozaïscher gesteld: 'Net als wielrenners moeten ze blijven trappen, zeker bij tegenwind, anders raken ze achterop of vallen ze uiteindelijk om' (Engbersen, Snel & Kremer, 2017b: 39). Het is 'hollen om stil te staan' (Salverda, 2017), wat gepaard gaat met toegenomen gevoelens van kwetsbaarheid, onzekerheid en onbehagen. In de ogen van menig middenklasser krijgen andere groepen meer dan ze verdienen, of alvast zonder dezelfde moeite te moeten doen, en leeft de indruk dat de overheid te weinig naar het midden omkijkt (Abts, 2012; Engbersen, Snel & Kremer, 2017a: 15). In de ruimte der relatieve posities groeit alzo het tekort bij de middenklasse.

WIE IS DE MIDDENKLASSE?

Hoewel vaak over de middenklasse en haar besognes wordt gesproken, blijft men vaak vrij vaag over wie tot 'de middenklasse' behoort, en hoe ze zich verhoudt tot de arbeidersklasse en hogere klasse. In de literatuur worden alvast heel wat verschillende definities en operationaliseringen gebruikt om 'de middenklasse' af te bakenen.

Een eerste benadering richt zich op de 'objectieve klassepositie' die direct verbonden wordt met iemands inkomen, opleiding of beroep. Economen stellen de middenklasse gelijk aan de middeninkomensgroepen – diegenen met een 'modaal inkomen', waarbij iemand tot de middenklasse behoort als het gezinsinkomen tussen de 60 en 200% van de mediaan zit. Voor een alleenstaande betekent dit een maandelijks netto-inkomen van 1.373 à 3.433 euro; voor een gezin met twee kinderen jonger dan 14 jaar wordt dat 2.163 à 7.210 euro (Marx, in Knack, 9/11/2016). U merkt het al, in termen van inkomensspreiding is 'de middenklasse' een heel ruime groep.

Sociologen kijken op hun beurt eerder naar sociale status in termen van opleiding en beroep om de middenklasse af te bakenen. Op basis van beroep, de mate van autoriteit en autonomie en het soort arbeidscontract rekent men de (on)geschoolde handarbeiders tot de arbeidersklasse; de lagere administratieve beroepen en ambtenaren, alsook mensen met routineuze hoofdarbeid tot de middenklasse; en de professionals, hogere administratieve beroepen en ambtenaren tot de hogere klasse. Volgens deze indeling behoort 54% van de Belgen tot de middenklasse, 34% tot de arbeidersklasse en 12% tot de hogere klasse (Belgisch Verkiezingsonderzoek 2014, ISPO-KU Leuven). Ook hier valt op dat heel uiteenlopende beroepsgroepen worden toegewezen aan de middenklasse.

Een kritiek op de 'objectieve klassepositie' benadering is echter dat deze weinig rekening houdt met het klassenbewustzijn of de 'klasse-als-sociale-identiteit'. Mensen hebben immers een idee van hun plaats in de stratificatie-orde. Op basis van gedeelde ervaringen, belangen en waarden zien ze zichzelf als lid van een bepaalde klasse (D'Hooge, 2016). Om die reden pleit een tweede benadering ervoor om te peilen naar iemands 'subjectieve klassepositie', i.c. diens subjectieve inschatting van zijn of haar sociale klasse (Savage, 2001). Uit het ISPO-verkiezingsonderzoek van 2014 blijkt dat 29% van de Belgen zichzelf als lid van de arbeidsklasse ziet, terwijl 37% respectievelijk 33% zich tot de lagere dan wel hoger middenklasse rekent. Nauwelijks 1% ziet zichzelf als deel van de hogere klasse. Dit resultaat is om tweeërlei redenen interessant. Vooreerst omschrijft een overgrote meerderheid zichzelf als 'de middenklasse': niet minder dan 7 op 10 Belgen voelen zich middenklasse. Daarnaast blijkt het maatschappelijk midden niet één en onverdeeld, maar redelijk heterogeen te zijn. Zo is er binnen de middenklasse ook nog sociale hiërarchie: ongeveer de helft definieert zichzelf immers als 'lage middenklasse', terwijl de andere helft zichzelf als 'hogere middenklasse' ziet.

Een belangrijke vraag blijft evenwel welke groepen zichzelf omschrijven als middenklasse en wat zij zoal denken over de eigen positie en samenleving. Voor onze analyses baseren we ons op gegevens van het Belgisch Nationaal Verkiezingsonderzoek uitgevoerd door het ISPO-KU Leuven naar aanleiding van de verkiezingen van 2014.1 Meer concreet gaan we na (1) hoe 'subjectieve middenklassepositie' zich verhoudt tot inkomen, opleiding en beroepspositie; en (2) hoe deze lage en hoge middenklassers denken over sociale, culturele en politieke kwesties.

WIE REKENT ZICH TOT DE (LAGERE EN HOGERE) MIDDENKLASSE?

Uit onderzoek blijkt dat objectieve klasseposities (Klasse an sich) en subjectieve klasseposities (Klasse für sich) niet noodzakelijk overeenkomen. Een ruwe analyse van het structurele profiel van de zelfverklaarde middenklassers geeft enkele interessante inzichten. Iemands subjectieve klassepositie hangt weliswaar relatief sterk samen met diens inkomen, opleiding en beroep, maar dit verband is verre van perfect. Hoe hoger het inkomen, opleiding en beroepspositie, hoe groter de kans dat men zich tot een hogere sociale klasse rekent. Zo rekent bijna 90% van de rijkste Belgen (inkomensquintiel 5) zich tot de middenklasse, en dan vooral tot de hogere middenklasse. Wel is het opvallend dat ook ongeveer de helft van de laagste inkomensgroepen (quintiel 1 en 2) zichzelf ook als middenklasse catalogeert. Figuur 1 illustreert dat de subjectieve middenklasse op het vlak van inkomens relatief heterogeen is en al zeker niet eenduidig terug te brengen is tot de 'modale' inkomensgroepen.

De band tussen subjectieve sociale klasse enerzijds en opleiding en beroepsgroep anderzijds is meer uitgesproken. Zo blijkt de meerderheid van de (on)geschoolde arbeiders en laaggeschoolden zichzelf te rekenen tot de arbeidersklasse, terwijl kaders en bedienden zichzelf in overgrote mate als middenklasse omschrijven. Treffend is dat het onderscheid tussen lage en hoge middenklasse heel sterk spoort met het opleidingsniveau: mensen met een hoger onderwijsdiploma voelen zich uitgesproken 'hogere middenklasse', terwijl mensen met een middelbaar diploma zich ofwel tot de 'lagere middenklasse' dan wel arbeidersklasse rekenen.


De bevinding dat de subjectieve middenklasse ruimer is dan wat we op basis van beroep, inkomen of opleiding zouden verwachten, illustreert dat 'de middenklasse' een vaag catch-all concept is. Het poogt heel wat diverse groepen onder één noemer te vangen, terwijl de werkelijkheid heel wat minder eenduidig is. In de hoofden van de mensen blijkt er toch een scheidslijn tussen lage en hoge middenklasse te bestaan die deels wortelt in de sociale structuur. Dat het onderscheid tussen laag en hoog niet uit de lucht gegrepen is, blijkt tevens uit het feit dat naast de arbeidersklasse ook een substantieel deel van deze zelfverklaarde lage middenklasse aangeeft zich economisch kwetsbaar te voelen. Van de Belgen die aangeeft makkelijk te kunnen sparen, rekent twee derde zichzelf tot de hogere middenklasse en 18% tot de lagere middenklasse. De groep die aangeeft moeite te hebben om rond te komen bestaat voor 39% uit lagere middenklassers en voor 6% uit hogere middenklassers (zie Figuur 3). Dit resultaat geeft aan dat de scheidslijn niet zomaar tussen arbeidersklasse en middenklasse te trekken valt, maar dat het gevoel van onzekerheid en kwetsbaarheid zowel bij arbeidersklasse én lagere middenklasse relatief wijdverbreid is – terwijl dit soort inkomensprecariteit vrijwel niet leeft bij de hogere middenklasse.

WAT DENKT DE (LAGERE EN HOGERE) MIDDENKLASSE?

Denken burgers anders over sociale en politieke kwesties naargelang hun subjectieve positie op de sociale ladder? Om deze vraag te beantwoorden gaan we na in welke mate 'de (lage en hoge) middenklasse' verschilt van de arbeidersklasse op het vlak van een aantal relevante sociale ervaringen en maatschappelijke houdingen (telkens gemeten op een 0 tot 10 schaal).

Uit de resultaten volgen enkele interessante vaststellingen. Ten eerste blijkt maatschappelijk onbehagen steevast het sterkst te leven bij de arbeidersklasse. Maar het is vooral treffend dat ook nogal wat lagere middenklassers last hebben van machteloosheid, sociaal wantrouwen, relatieve deprivatie en statusonzekerheid (zie Figuur 4). Deze kwetsbare middenklasse heeft de indruk de controle over het eigen leven en de samenleving te verliezen en voelt zich onrechtmatig benadeeld dan wel onvoldoende gewaardeerd in vergelijking met andere groepen. Het gaat dan wel niet om een verbitterd ressentiment, maar deze groep lijkt bovenal onzeker en ongerust over de toekomst (van hun kinderen) en de richting die de samenleving uitgaat. Dit geeft aan dat sociale veranderingen niet alleen winnaars en verliezers produceren, maar ook een tussengroep van bezorgde kwetsbaren die het almaar minder eenvoudig vinden om hun sociale status te handhaven.

Ten tweede blijkt dat culturele thema's de verschillende sociale klassen meer verdelen dan sociaaleconomische thema's. Er zijn relatief kleine verschillen tussen arbeidersklasse en beide segmenten van de middenklasse als het gaat over de houding ten aanzien van arbeidsethiek, sociale herverdeling, de vrijmaking van de markt of de vakbonden (Figuur 5). Op de culturele en politieke breuklijn (Figuur 6) is er echter beduidend meer verdeeldheid. De arbeidersklasse wordt gekenmerkt door een uitgesproken etnocentrisme, autoritarisme, recht-en-orde denken en politiek cynisme: het politieke establishment wordt verweten wereldvreemd en hypocriet te zijn, en de multiculturele samenleving en afwijkend gedrag worden krachtdadig afgekeurd. De arbeidersklasse heeft een grotere kans om een cynische minachting ten aanzien van de politiek te koppelen aan een radicaal autoritair en etnocentrische wereldbeeld. Relevanter is echter dat ook de lage middenklasse heel wat moeite heeft met de globaliserende, individualiserende en permissievere samenleving. Onze resultaten geven aan dat de lagere middenklasse een tussenpositie inneemt, waarbij het de lagere middenklasse zelfs eerder lijkt aan te sluiten bij het ideologische profiel van de arbeidersklasse dan dat van de hoge middenklasse. In het algemeen mondt de bezorgde kwetsbaarheid van de lage middenklasse niet zozeer in een rabiate verwerping van de sociale veranderingen, maar wel in een sceptische houding ten aanzien van het huidige politieke bedrijf en de multiculturele samenleving. Ook lage middenklassers hebben de indruk dat vreemdelingen en afwijkende Anderen een buitensporige druk leggen op de publieke orde, dat ze te weinig moeite doen om zich aan te passen aan de gevestigde normen en waarden en dat ze te weinig bijdragen aan de sociale zekerheid, terwijl hun kritiek zich tevens richt op de politiek die dit zomaar laat gebeuren én te weinig de waarden en belangen van correcte en hardwerkende middenklasse zou behartigen.


BESLUIT

Onze resultaten bevestigen deels de conclusies uit Nederlandse onderzoek (Engbersen, Snel & Kremer, 2017a; 2017b), maar tonen wel krachtiger de diepgang van het latente onbehagen van de lage middenklasse aan. De kwetsbaarheid en het onbehagen van de lage middenklasse mag niet worden onderschat. De ervaren kwetsbaarheid heeft vooral betrekking op de toekomst. De precariteit en dreiging die men ervaart, is in de eerste plaats een potentialis, waarbij men de mogelijke gevolgen van de sociale veranderingen vreest. Het is niet alleen het gevoel dat men vandaag 'moet hollen om stil te blijven staan'. Er is tevens de angst dat men morgen bij het minste windje ook 'overboord kan slaan', en dat alle middenklassenaspiraties (een eigen huis, een baan met extralegale voordelen, wat spaargeld) in rook opgaan. Daarnaast wordt duidelijk dat niet alleen de overheid aansprakelijk gesteld wordt voor de toenemende onzekerheid maar dat dit ook bij de lage middenklassers gepaard met een – weliswaar minder rabiate – aanklacht tegen de allochtonen en afwijkende Anderen die te weinig gehoorzaamheid aan de 'algemeen aanvaarde regels' aan de dag leggen.

Voorts blijkt dat de middenklasse geen collectieve homogeniteit is. Ze herbergt daarentegen een brede variëteit aan profielen wat betreft beroep, opleiding en inkomen. De middenklasse is daarnaast ook intern gedifferentieerd in een lage middenklasse die zich bedreigd voelt en heel wat kanttekeningen bij de politiek en de multiculturele samenleving plaatst, en een hogere middenklasse die een ander ideologisch profiel heeft. Het begrip middenklasse is dan ook een containerbegrip waarmee naar zowat alle lagen van de bevolking verwezen kan worden. Sociologisch gesproken is de middenklasse een lege betekenaar. Deze referentie kan echter handig door politieke actoren worden ingezet waarbij de indruk wordt gegeven dat men aan de 'doorsnee en modale' meerderheid van de bevolking appelleert. Een partij als N-VA bespeelt dit register handig, waarbij het zichzelf zowel 'bruin' (Theo Franken) als 'blauw' (Philippe Muyters, Johan Van Overtveldt) kan profileren door naar de 'fatsoenlijke, keurige, hardwerkende en belastingbetalende middenklasse' – die de Vlaamse grondstroom zouden representeren – te verwijzen.

Referenties

Abts, K. (2012). 'Maatschappelijk onbehagen en etnopopulisme: laatmoderniteit, burgers, ressentiment, migranten, politiek en Vlaams Belang stemgedrag'. Faculteit Sociale Wetenschappen KULeuven, pp. 1-1294.

Cooper, M. (2014). 'Cut adrift. Families in insecure times'. University of California Press.

D'Hooge, Lorenzo (2016). 'Objectieve klasse, inschatting van klasse en stemgedrag in Nederland'. Sociologie, 12(1), pp. 97-121.

Engbersen, G., E. Snel en M. Kremer (red.) (2017a). 'De val van de middenklasse? Het stabiele en kwetsbare midden'. Den Haag: WRR.

Engbersen, G., E. Snel & M. Kremer (2017b). 'De Nederlandse middengroepen als wielrenner'. Sociologie (13) 1, pp. 37-44(8).

Salverda, W. (2017). 'Hollen om stil te staan? Tweeverdieners en de Nederlandse middenklasse sinds 1990'. In: Engbersen, G., E. Snel en M. Kremer (red.) (2017a). 'De val van de middenklasse? Het stabiele en kwetsbare midden'. Den Haag: WRR.

Savage, M. (2001). 'Class Identity in Contemporary Britain: The Demise of Collectivism'. In: G. Van Gyes, H. De Witte en P. Pasture (red.). 'Can class still unite? The differentiated work force, class solidarity and trade unions'. Aldershot: Ashgate.

Voetnoot

  1. Het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO) KU Leuven kon deze studie maar uitvoeren dankzij de financiële steun van de Nationale Loterij België, KU Leuven onderzoeksraad, FWO-Vlaanderen, ABVV en ACVLB

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 16 tot 23