Abonneer Log in

De valse stabiliteit van de middenklasse in België

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 28

De stabiliteit van de middenklasse in België is deels valse schijn. Een steeds grotere groep binnen de maatschappij heeft het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. De kansen voor de lagere inkomensklassen om zich een eigen woning te verwerven zijn dramatisch geslonken, en daarmee ook hun bescherming tegen een verdere afkalving van hun levensstandaard bij tegenslag. Meer dan vroeger worden de lagere inkomensklassen gekenmerkt door een fundamentele kwetsbaarheid.

WAAR GAAT GIJ HEEN, MIDDENKLASSE?

Wie is de middenklasse en wat denkt ze?
Koen Abts, Bart Meuleman en Marc Swyngedouw
De valse stabiliteit van de middenklasse in België
Matthias Somers
Magere middenklasse, magere democratie
Lars Vande Keybus
Migrantenondernemers in België: een succesverhaal?
Kevin Van Hove
De precarisering van de creatieve middenklasse
Pascal Gielen
De middenklasse, een vormeloze verzamelterm
Maarten Hermans
Het populisme van een middenklassenrevolutionair
Jean-Marie De Baene
De electorale strijd om de middenklasse
Marc Hooghe
Zonder geëngageerde middenklasse geen ecologische transitie
Dirk Holemans

Het verhaal is genoegzaam bekend: globalisering en technologisering richten een ravage aan onder de middenklasse in de westerse landen, de 'oude' industriële basis van de wereldeconomie. Indien jobs al niet verdwijnen richting nieuwe economieën, worden ze wel geautomatiseerd. Het resultaat: de middenklasse kalft af, de samenleving polariseert. Het verhaal is genoegzaam bekend, maar daarom nog niet zonder meer correct. Niet in elk land staat de middenklasse in dezelfde mate onder druk, bewuste beleidskeuzes kunnen in belangrijke mate de impact van als ongrijpbaar voorgestelde fenomenen sturen. Bovendien verdonkeremaant een eenzijdige focus op globalisering en technologisering andere mogelijke verklaringen voor verschuivingen in de maatschappij die hun invloed hebben op de positie van de middenklasse.

Denktank Minerva en Decenniumdoelen gaven het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KULeuven) de opdracht om de lage middenklasse in België in kaart te brengen. Hoe groot is deze groep, en wie behoort er toe? Hoe verhoudt de lage middenklasse zich tot de laagste inkomensklasse in de samenleving? Hoe is dat geëvolueerd de laatste dertig jaar? En welke factoren hebben op deze veranderende samenstelling een beslissende invloed gehad? Laure-lise Robben, Aaron Van den Heede en Wim Van Lancker gingen met deze vragen aan de slag. In dit artikel stel ik in vogelvlucht enkele belangrijke resultaten van dit beschrijvend onderzoek voor. De studie is online te raadplegen via: www.denktankminerva.be/studies/middenklasse.

De resultaten die ik er in dit artikel uitlicht, tonen de ingrijpende impact van een belangrijke shift in ons samenlevingsmodel. Heel wat evoluties binnen de lagere inkomensgroepen in de beschouwde periode (1985-2016) die in beeld komen in het onderzoek van Robben, Van den Heede en Van Lancker kunnen worden verklaard vanuit de steeds centralere plaats die 'betaald werk' inneemt in de vorm van onze maatschappij: dat toont zich vooral in de verschuiving van het kostwinnersmodel naar het tweeverdienersmodel, maar ook in de toenemende nadruk op de idee dat 'werken moet lonen' of, zoals dat in de beleidspraktijk dan weleens vertaald wordt, dat niet werken niet mag lonen.

VIJF INKOMENSKLASSEN

Ter wille van het onderzoek wordt de bevolking op basis van het beschikbare inkomen, na aftrek van belastingen en toekenning van sociale transfers, verdeeld in vijf inkomensklassen: arm (met een inkomen lager dan 60% van het mediaaninkomen), lage middenklasse (60%-80%), kernmiddenklasse (80%-120%), hoge middenklasse (120%-200%) en rijk (meer dan 200% van het mediaaninkomen). Het centrale concept in het bepalen van deze verschillende inkomensklassen is het equivalent beschikbaar mediaaninkomen. Iedereen in België wordt als het ware gerangschikt op inkomen: het inkomen van de persoon die zich precies in het midden van deze rangschikking bevindt, is het mediaaninkomen; de ene helft van de bevolking beschikt over een lager inkomen, de andere helft over een hoger inkomen.

Om deze rangschikking zinvol te maken, moet echter ook rekening gehouden worden met de gezinssamenstelling. Het gezinsinkomen van een koppel moet immers hoger zijn dan dat van een alleenstaande om zich van eenzelfde levensstandaard te kunnen verzekeren, maar ook weer niet dubbel zo hoog, omdat bepaalde kosten kunnen worden gedeeld. In de omrekening van gezinsinkomen naar het 'equivalent' inkomen dat toelaat de ganse bevolking volgens een eenduidig inkomensconcept te rangschikken, wordt daarom standaard gerekend dat voor een bijkomende volwassene in een huishouden het beschikbare inkomen met de helft moet stijgen om een gelijke levensstandaard te bekomen; voor een kind moet het beschikbare inkomen met een factor 0,3 vermeerderd worden. Volgens deze omrekening hebben een alleenstaande met een inkomen van 1.000 euro, een koppel met een gezamenlijk inkomen van 1.500 euro, en een alleenstaande met één kind en een inkomen van 1.300 euro dus allen eenzelfde 'equivalent beschikbaar inkomen': alle leden van deze verschillende gezinnen bevinden zich op dezelfde plek in een verdeling naar inkomensklasse; zij kunnen zich met het inkomen waarover zij beschikken verzekeren van een gelijke levensstandaard.

VAN KOSTWINNERS- NAAR TWEEVERDIENERSMODEL

Een goed begrip van dit concept staat ons meteen toe de impact te begrijpen van de verschuiving van een kostwinnersmodel naar een tweeverdienersmodel op de levensstandaard van verschillende gezinstypes. En het is precies deze verschuiving die zich duidelijk laat aflezen uit de resultaten van het onderzoek van Robben, Van den Heede en Van Lancker.

In 1985 had minder dan zes op tien mensen op actieve leeftijd (25-64 jaar) een inkomen uit arbeid, in 2016 drie op vier. En misschien nog opvallender: zelfs in de kernmiddenklasse haalde slechts 57% een inkomen uit arbeid, tegen nu 79%. De massale instroom van vrouwen in betaald werk is verantwoordelijk voor deze gigantische omslag. Belangrijk voor ons in dit artikel is wat dit betekent voor het kostwinnersmodel. In dat model volstaat één inkomen, traditioneel dat van de man, om een gezin te onderhouden en tot de kernmiddenklasse te behoren; de vrouw mag (moet) thuis blijven om voor de kinderen te zorgen. Naarmate in meer gezinnen ook de vrouw aan het werk gaat, naarmate het kostwinnersmodel dus plaats moet ruimen voor het tweeverdienersmodel, stijgt ook het inkomen waarover meer en meer gezinnen beschikken, en dus ook de levensstandaard die men als 'middenklasse' kan bestempelen. Of nog: in het tweeverdienersmodel ligt het equivalent beschikbaar mediaaninkomen heel wat hoger dan in het kostwinnersmodel. Maar dat heeft natuurlijk wel wat gevolgen voor de relatieve levensstandaard van wie in dat nieuwe samenlevingsmodel om welke reden dan ook maar over één inkomen uit arbeid kan beschikken: de levensstandaard van een middenklasse met een dubbel inkomen is voor hen een steeds verder verwijderd droombeeld.

Tegelijk met deze evolutie naar een tweeverdienersmodel zien we net deze groep sterk toenemen. Het aantal huishoudens gevormd door alleenstaanden is tussen 1985 en 2016 verdubbeld, het aantal alleenstaande ouders met kinderen meer dan verdubbeld. En het mag niet verbazen: deze alleenstaanden en alleenstaande ouders met kinderen zijn sterk oververtegenwoordigd in de lagere inkomensklassen, meer dan in 1985. Zeker voor een alleenstaande ouder met kinderen is de toestand zorgelijk: terwijl zij maar 6% van de totale bevolking uitmaken, bedraagt hun aandeel in de armste inkomensklasse meer dan 15%.

De shift van kostwinners- naar tweeverdienersmodel oefent een neerwaartse druk uit op de inkomenspositie van wie geen, of geen twee, inkomens uit arbeid kan verwerven, zoals alleenstaanden en alleenstaande ouders met kinderen; zij hebben het steeds moeilijker om aan te sluiten bij de levensstandaard van de middenklasse en zijn sterk oververtegenwoordigd in de allerlaagste inkomensklasse. Omgekeerd heeft deze verschuiving in het samenlevingsmodel er echter wel voor gezorgd dat ouderen veel minder dan vroeger getroffen worden door armoede. In 1985 was armoede onder ouderen nog bijzonder problematisch: meer dan één op vijf personen in armoede was ouder dan 65 jaar, terwijl ze nauwelijks meer dan 13% van de bevolking uitmaakten. Hun aandeel in de totale bevolking is in 2016 met meer dan vijf procentpunt gestegen; toch is hun aandeel in de armste inkomensklasse gedaald. Deels is de sterke daling van het armoederisico bij ouderen het gevolg van de bewuste beleidskeuze om de pensioenminima te verhogen, maar belangrijker is het feit dat nu, in tegenstelling tot de situatie in 1985, heel wat meer vrouwen in de groep 65-plussers zelf een langere periode loonarbeid hebben verricht en dus ook zelf pensioenrechten hebben opgebouwd. Ook hier werkt de verschuiving van kostwinners- naar tweeverdienersmodel door. Het gevolg van deze shift is dat ouderen nu sterk oververtegenwoordigd zijn in de lagere inkomensklasse.

WONINGBEZIT ALS VIERDE PENSIOENPIJLER

Het is hier belangrijk erop te wijzen dat de levensstandaard van ouderen wanneer ze tot een bepaalde inkomensklasse behoren niet noodzakelijk vergelijkbaar is met de levensstandaard van personen op actieve leeftijd binnen dezelfde inkomensklasse. Dat geldt zeker voor de lagere inkomensklassen, en wordt erg duidelijk wanneer we kijken naar het antwoord op de vraag of iemand een eigen woning bezit, dan wel huurt.

In België wordt sterk ingezet op het woningbezit: de woning vormt de belangrijkste vorm van vermogen, die bovendien wijdverspreid is, en ook beschouwd wordt als een soort vierde pensioenpijler. Het woningbezit wordt door het beleid ook expliciet aangemoedigd, alsof het een vorm van bescherming tegen neerwaartse sociale mobiliteit vormt. In 2016 woonden bijna drie op vier mensen in de eigen woning, een lichte stijging ten opzichte van 1985. Wie die woningen bezit, is echter grondig veranderd op dertig jaar tijd. Bij 65-plussers is het woningbezit inderdaad relatief goed gespreid: dat was zo in 1985, dat is nog meer zo in 2016. Zelfs in de armste inkomensgroep bezit meer dan zeven op tien 65-plussers een eigen woning, en dat loopt op tot bijna negen op tien voor de rijkste inkomensgroep. Bij de bevolking op actieve leeftijd zien we echter een heel ander beeld: daar is het woningbezit voor mensen die tot de armste inkomensklasse behoren tussen 1985 en 2016 geïmplodeerd, van meer dan de helft naar minder dan één op drie. Zij slagen er niet meer in om een woning te verwerven. En ook bij de lage middenklasse boert het woningbezit achteruit; minder dan zes op tien mag zich eigenaar noemen. Bij de kernmiddenklasse, de hoge middenklasse, en de rijken is het woningbezit er wél sterk op vooruitgegaan: bij de laatste groep zelfs met meer dan twintig procentpunt. Eerder dan van een gelijkmatige spreiding, is hier dus meer en meer sprake van een sterke polarisatie. En dat betekent ook dat de generaties die nu op actieve leeftijd zijn en tot de lagere inkomensklassen behoren, niet meer op dezelfde manier beschermd worden tegen tegenslag door het bezit van een eigen woning als de voorgaande generaties: zij zijn veel kwetsbaarder voor een verdere afkalving van hun levensstandaard dan vroegere generaties.

KERNMIDDENKLASSE ONDER DRUK

Dat is natuurlijk een nefaste ontwikkeling, zeker omdat de kernmiddenklasse in België wel degelijk onder druk staat. Behoorde in België halfweg de jaren 1980 nog bijna vier op tien mensen tot de kernmiddenklasse, nu is dat nog maar één op drie. Ten dele ging deze afname van de kernmiddenklasse gepaard met een toename van het aandeel van de hogere inkomensgroepen in de samenleving, maar lang niet volledig. Integendeel: het aandeel van de lagere inkomensgroepen in de samenleving — die nu dus minder beschermd zijn tegen een verdere afkalving van hun levensstandaard dan vroeger — is tussen 1985 en 2016 dubbel zo snel toegenomen als het aandeel van de hogere inkomensgroepen. Deze groei van de lagere inkomensklassen is volledig toe te schrijven aan de helaas spectaculaire toename van het aandeel mensen met een inkomen onder de armoedegrens: van 10% naar 16% van de bevolking op dertig jaar tijd. Bovendien hinkt het inkomen van wie tot de armste klasse van de samenleving ook steeds verder achterop op dat van de andere inkomensgroepen: niet alleen zijn steeds meer mensen arm, ze zijn verhoudingsgewijs ook steeds armer; de inkomenskloof tussen mensen in armoede en de rest van de samenleving wordt steeds dieper.

HERVERDELING MINDER EFFECTIEF

Een stijgend aandeel van de bevolking behoort tot de lagere inkomensklassen, de kloof tussen de laagste inkomensgroep en de rest van de samenleving verdiept zich, de lagere inkomensklassen zijn steeds minder beschermd tegen een verdere afkalving van hun levensstandaard dan vroeger, enzovoort: schiet de overheid tekort?

Een opmerkelijk resultaat van het onderzoek is alleszins dat de overheid er veel minder dan vroeger in slaagt om door herverdeling mensen op actieve leeftijd uit de lagere inkomensklassen te doen opklimmen. In 1985 trok overheidsverdeling 72% van wie op basis van zijn inkomen vóór herverdeling tot de laagste inkomensklasse zou behoren, op naar een hogere inkomensklasse; 38% van wie tot de lagere middenklasse zou behoren, steeg door herverdeling door naar de kern- of zelfs de hogere middenklasse (omgekeerd verloor 17% van hen hun positie in de lagere middenklasse, en zakten ze na herverdeling af tot een inkomen onder de armoedegrens). Hoe anders is het beeld in 2016: nu wordt nog maar de helft van wie vóór herverdeling arm zou zijn, door herverdeling opgetild uit armoede naar een hogere inkomensklasse. Voor de lage middenklasse is het beeld zo mogelijk nog problematischer: daar duwt herverdeling bijna evenveel mensen een klasse omlaag als dat het mensen een klasse omhoog tilt.

Dat wil niet zeggen dat de overheid minder zou herverdelen dan vroeger, wel dat door de veranderende socio-demografische kenmerken van de bevolking en de veranderende economische context de manier waarop er herverdeeld wordt minder effectief geworden is. We wezen al op de impact van de shift van een kostwinners- naar een tweeverdienersmodel, en wat dit betekent voor de evolutie van de levensstandaard van de middenklasse en voor de levensstandaard van wie niet kan rekenen op twee inkomens uit arbeid. We kunnen ook wijzen op het belangwekkende feit, ook in kaart gebracht in dit onderzoek, dat het gemiddelde uurloon in de beschouwde periode sterker steeg naarmate men hoger op de inkomensladder staat, en dat wie lager geschoold is, steeds moeilijker aan de bak raakt. Het gevolg van dit alles is dat de ongelijkheid en de armoede vóór herverdeling sterk is toegenomen: de herverdelingsmachine moet dus steeds harder draaien voor eenzelfde resultaat. Omgekeerd blijven de vervangingsinkomens voor mensen op actieve leeftijd steeds sterker achter op de levensstandaard van de middenklasse, mede vanuit de idee dat werken lonend moet zijn, of beter, dat niet werken niet mag lonen. Wie geen werk vindt, is gezien.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 28