Abonneer Log in

Teloorgang van de traditionele partijen

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 55 tot 61

De drie traditionele partijen – sp.a, CD&V en Open VLD – behaalden in 1950 samen meer dan 90% van de stemmen; vandaag is dat nog geen 40%. Deze daling is echter geen uniek Vlaams fenomeen. In heel West-Europa zien we de teloorgang van de traditionele partijen – met het Verenigd Koninkrijk als grote uitzondering.

BUITENLAND

Het Scandinavisch model bestaat niet
Pieter Stockmans
Teloorgang van de traditionele partijen
Jasmien Luypaert
Energie­democratie for the many
Dries Goedertier
Vrij Links, echt links
Mario Van Essche
Somos presidente
David Verstockt

Bij de Vlaamse verkiezingen van 26 mei belanden de drie traditionele partijen samen op een historisch dieptepunt: sp.a haalt nog 10,1%, CD&V 15,4% en Open VLD 13,1% van het stemmenaandeel – samen nog geen 40%. Het fenomeen van de teloorgang van traditionele partijen is echter niet uniek in Vlaanderen. Over heel West-Europa hebben ze te kampen met electorale verliezen, vaak ten voordele van meer radicale partijen.

Deze daling blijft niet zonder gevolgen. Doordat electorale steun voor extremistische partijen dikwijls een stevig aantal proteststemmen bevat, hebben deze partijen een minder loyaal kiezerskorps. Dat brengt de politieke stabiliteit in het gedrang. Het zorgt ook voor versnippering van de zetels, wat de regeringsvorming bemoeilijkt: er zijn meer partijen in de regering nodig dan vroeger, en die beschikken bovendien vaak ook over een krappere meerderheid dan voorheen. Ook op het Europees niveau heeft dit consequenties: de nichepartijen hebben een aanzienlijk aantal zetels in nationale parlementen. Hiermee zetten ze druk op nationale regeringsleiders, wat op zijn beurt de Europese consensus ondermijnt. Hierdoor wordt het moeilijker om voor Europese kwesties, zoals bijvoorbeeld de migratiecrisis van 2015, effectieve oplossingen te vinden (Hobolt & Tilley, 2016). Tot slot gaat de teloorgang van de traditionele partijen gepaard met een uiting van wantrouwen in het politieke systeem en de democratie in haar geheel (Eatwell, 2000).

In deze bijdrage gaan we dieper in op deze daling. Door middel van een vergelijkende analyse van nationale verkiezingsuitslagen van 12 West-Europese landen krijgen we een beter zicht op dit verschijnsel.1 Vervolgens worden partijen in België, Nederland, Duitsland en Verenigd Koninkrijk van naderbij bekeken. We eindigen met een vergelijkende analyse tussen partijfamilies. Ter verduidelijking, traditionele partijen worden hier verstaan als partijen die zich in de jaren 1950 op een centrumlinkse, centrum en centrumrechtse positie van het politieke spectrum bevonden, en die op dat moment electoraal dominant waren (dus samen een groot stemmenpercentage haalden).2 Bij het toepassen van deze definitie bekomen we een classificatie van 2 tot 4 traditionele partijen per land.

DE ACHTERUITGANG VAN DE TRADITIONELE PARTIJEN

FIGUUR 1 toont het gemiddelde stemmenaandeel van traditionele partijen bij nationale verkiezingen in West-Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. We stellen vast dat er een duidelijke daling heeft plaatsgevonden. Vanaf 1960 dalen de samengetelde gemiddelden van de stempercentages van de traditionele partijen elk decennium opnieuw. Het resultaat is een verschil van 25,7 procentpunten tussen de stemmenaandelen van 1950 en die van vandaag.

FIGUUR 1 laat ook zien dat alhoewel de dalende trend gradueel is, ze niet elk decennium even sterk is. In 1950 behaalden de traditionele partijen hun hoogtepunt met 83,2%. De daling begint zwak vanaf 1960 met een achteruitgang van 1,6 procentpunten om geleidelijk aan te versterken. In de jaren 1990 kennen de traditionele partijen een sterkere daling (meer bepaald van 7,0 procentpunten). Op dat moment halen deze partijen samen gemiddeld nog maar 70% in de nationale verkiezingen. Tussen de periode 2009 en 2019 daalt het gemiddelde nóg meer, deze keer met 9,1 procentpunten. Hierdoor zitten de West-Europese traditionele partijen momenteel op een historisch dieptepunt met nog maar 58% van de stemmen.

Verklaringen voor deze dalingen kan men vinden in veranderend stemgedrag door het vervagen van sociale klassenstructuren, meer kiezersvolatiliteit, de opkomst van issuepolitiek in plaats van traditionele breuklijnen en de versnippering van het partijlandschap. Bovendien wordt dit vanaf 2008 versterkt door de financiële en economische crisis in de eurozone. Door economische achteruitgang gaan kiezers de zittende partijen straffen door niet meer op hun te stemmen. Omdat de economische crisis groter was dan anders, waren bijgevolg de verliezen voor traditionele partijen groter dan anders. Bovendien werden in deze periode ook de traditionele partijen die in de oppositie zetelden afgestraft (denk maar aan sp.a). Volgens Hobolt en Tilley (2016) komt dit omdat er onder traditionele partijen een Europese consensus bestaat over de aanpak van thema's die voortvloeien uit de crisis zoals migratie, integratie en besparingen. Bijgevolg zien kiezers nichepartijen als enige, echte alternatief voor deze consensus.

VERGELIJKING MET DE BUURLANDEN

De vraag blijft waar België staat in vergelijking met andere West-Europese landen. Het gecombineerd gemiddelde van de Belgische traditionele partijen blijft gedurende de periode 1960-2009 telkens dicht bij het West-Europese gemiddelde. Enkel in de periodes 1950-1959 en 2010-2019 vertoont België grote verschillen met het West-Europese gemiddelde. De Belgische traditionele partijen waren in de jaren 1950 de derde dominantste van de 12 West-Europese landen die we hier vergelijken. Met een gecombineerd gemiddelde van 92,5%, deden enkel het Verenigd Koninkrijk (93,9%) en Zweden (95,7%) het nog beter. In de periode 2010-2019 gebeurt het omgekeerde: België behaalt met 52,9% het derde laagste gemiddelde van alle landen. Enkel Nederland (51,0%) en Zwitserland (46,5%) doen het momenteel slechter.

Uit Figuur 2 blijkt ook dat de daling in België niet geleidelijk aan plaatsvond, maar zich vooral de laatste jaren sterk doorzette. Gedurende de periode 1970 tot en met 2009 daalt het gemiddelde licht, maar blijft wel iets boven de 70% schommelen. Opmerkelijk is ook het opwaartse stemmenaandeel tijdens de periode 2000-2009, wat waarschijnlijk te maken heeft met de strategische campagnekeuzes van de traditionele partijen. In 2003 was dit de blokvorming van de sociaaldemocraten (en het kartel met Spirit) en liberalen tegen de ecologische partijen, in 2007 de kartelvorming van CD&V met N-VA. Hiertegenover brachten de vervroegde verkiezingen van 2010 rond 'Brussel-Halle-Vilvoorde' verliezen voor alle traditionele partijen, behalve PS. Bij de laatste verkiezingen van mei 2019 daalt het stemmenaandeel van de traditionele partijen met 11,6 procentpunten, ten voordele van Vlaams Belang en PVDA-PTB. Het is dus vooral deze recente daling die de lage positie van het Belgische gemiddelde ten opzichte van andere West-Europese landen verklaart.

Nederland
Niet enkel bij de laatste verkiezingen tonen de traditionele partijen in Nederland en België sterke gelijkenissen, maar ook over de algemene trend. Uit FIGUUR 2 blijkt dat de traditionele partijen in Nederland (PvdA, CDA en VVD) zich in de jaren 1950 met 90% van de stemmen nog tot de populairdere groep van traditionele partijen in West-Europa konden rekenen. In het laatste decennium daarentegen behalen deze partijen samen nog maar 51% van de stemmen. Vooral de laatste parlementsverkiezingen in 2017 hadden verregaande gevolgen voor de drie traditionele partijen – ze verloren meer dan 20 procentpunten en PVV werd de tweede grootste partij. Met een totaal van 39,4% in 2017, zijn de Nederlandse traditionele partijen veruit de kleinste van het West-Europese politieke landschap. De tweede kleinste traditionele partijen vindt men nog dichter bij huis, namelijk in België met 44,9%.

Duitsland
Uit FIGUUR 2 blijkt dat Duitsland een opvallende trend vertoont. Alhoewel het merendeel van de West-Europese traditionele partijen zijn populairste periode in de jaren 1950 kende, bereikten ze in Duitsland hun hoogtepunt pas in 1970 met 91%. Desalniettemin kennen ze vanaf dan ook een daling. De daling is minder gradueel in vergelijking met andere landen: op vier decennia tijd dalen de Duitse traditionele partijen (CDU/CSU en SPD) met meer dan 30 procentpunten. Enkel in Oostenrijk daalden de traditionele partijen met 38,5 procentpunten meer dan in Duitsland. Bij de laatste verkiezingen verloren de traditionele partijen samen meer dan 13 procentpunten en ook hier lijkt dit verlies ten voordele van een radicaal-rechtse partij te gaan, namelijk AfD. Omdat de stemmenpercentages van de Duitse traditionele partijen pas later zijn beginnen dalen dan in andere landen, staan ze momenteel nog iets hoger dan traditionele partijen in andere landen.

Het Verenigd Koninkrijk: de antithese?
Net zoals in België schommelt het gemiddelde stemmenaandeel van de Britse traditionele partijen tot 2009 rond het West-Europees gemiddelde. Toch is het Verenigd Koninkrijk er als enige land in geslaagd om recent de daling van de traditionele partijen een duidelijke halt toe te roepen. Alhoewel de twee traditionele partijen (Labour en de Conservatieven) er tot 2015 een dalende trend vertoonde, kenden ze tijdens de vervroegde verkiezingen van 2017 samen een stijging van 15,1 procentpunten. Beide partijen samen behaalden 82,5% van het stemmenaandeel, wat hun hoogste gecombineerde score is sinds 1970. Een verklaring voor de terugkeer van de dominantie van deze twee partijen ligt waarschijnlijk in het duidelijke programmaverschil tussen beiden. Het overheersende campagnethema van 2017 was het verdere verloop van de Brexit. Het electoraat kon kiezen tussen een 'harde' brexit voorgesteld door de toenmalige eerste minister Theresa May, of het 'antibesparingsdiscours' van Jeremy Corbyn. Niet enkel de terugkeer van de traditionele partijen was opvallend, maar ook de opkomst van 69% was de hoogste sinds 1997 (Heath & Goodwin, 2017). Dit opvallend hoge gecombineerde stemmenaandeel voor de traditionele partijen in het Verenigd Koninkrijk is het hoogste van de 12 landen die hier vergeleken werden.

VERSCHILLEN TUSSEN DE PARTIJFAMILIES

Ten slotte nemen we de traditionele partijfamilies apart onder de loep.3 FIGUUR 3 toont gemiddeldes van drie traditionele partijfamilies per decennium. Hieruit blijkt dat de West-Europese sociaal- en christendemocraten duidelijk in verval zitten.

De sociaaldemocraten kennen een geleidelijke daling. Zij kenden hun hoogtepunt gedurende de periode 1950-1969 met bijna 35% van het stemmenaandeel. Dit werd gevolgd door eerst een zwakke daling tot 1999 (waar ze nog 30% van het stemmenaandeel behaalden) en dan een sterkere daling gedurende de laatste twintig jaar. In het laatste decennium halen ze nog maar 23,6% van het stemmenaandeel. De Belgische sociaaldemocraten, sp.a/PS, blijven vanaf de jaren 1960 telkens onder het West-Europees gemiddelde. In de jaren 1990 is het verschil tussen het West-Europese en het Belgische gemiddelde het grootst met 6,7 procentpunten. Ook in de voorbije jaren (sinds 2010) blijven ze het gemiddeld slechter doen dan hun West-Europese tegenhangers, maar het verschil is nu met 3,7 procentpunten wel minder groot.

Het gecombineerde stemmenaandeel van de West-Europese christendemocraten kende een nog duidelijkere daling. Deze partijfamilie bereikte haar hoogtepunt in de jaren 1950. In deze periode zijn ze met gecombineerd gemiddelde van bijna 40% de grootste traditionele partijfamilie die West-Europa ooit heeft gekend. Ook in België waren de christendemocraten toen de populairste partijfamilie. Met 45,1% reiken ze zelfs nog boven het West-Europese gemiddelde. Dat gemiddelde is sindsdien fors gedaald – tot 1989 nog gradueel, daarna sterker met in de jaren 1990 een daling van meer dan 7 procentpunten. Opvallend is wel dat deze daling zich niet voort lijkt te zetten in het nieuwe millennium, aangezien ze in de jaren 2000 met 1,5 procentpunten licht stijgen. De stabilisatie is echter van korte duur gezien ze sinds 2010 weer dalen, en vandaag nog maar 23,6% van het West-Europese stemmenaandeel kunnen veroveren. De Belgische christendemocraten kennen een sterkere daling in vergelijking met het West-Europees gemiddelde van de partijfamilie. Alhoewel ze in de jaren 1950 nog meer dan 5 procentpunten boven het West-Europees gemiddelde staken, behalen ze in het laatste decennium 8,4 procentpunten minder. Enkel hun Nederlandse (11,5%) en Zwitserse (12%) collega's doen dit nog slechter.

Meest opvallend aan FIGUUR 3 is misschien wel de positie van de liberale partijfamilie. Ondanks dat de sociaaldemocraten en christendemocraten sterk aan populariteit verliezen, blijken de West-Europese liberalen er in te slagen om hun stemmenaandeel min of meer constant te houden rond de 17%. Bovendien bereiken ze hun hoogtepunt veel later dan de andere partijfamilies. Zowel de West-Europese als de Belgische liberalen zijn het populairst in de jaren 2000. De Belgische liberalen behalen vanaf de jaren 1980 telkens een hoger stemmenaandeel dan het West-Europese gemiddelde. Toch daalt het verschil tussen het West-Europese gemiddelde en de Belgische liberalen. In de jaren 2000 was er nog een verschil van 6,5 procentpunten ten voordele van de Belgische liberalen, terwijl dit het laatste decennium nog geen procentpunt (0,75) meer is.

CONCLUSIE

De daling van de traditionele partijen in België is geen uniek fenomeen. We vinden ze ook in 11 andere West-Europese landen terug. Enkel het Verenigd Koninkrijk lijkt recent een omgekeerde trend te vertonen. De Belgische traditionele partijen trekken samen één van de laagste percentages kiezers aan in West-Europa. Enkel Nederland doe het bij de laatste verkiezingen nog slechter. Op niveau van de partijfamilies zijn de christendemocraten de grootste verliezers. Hun verlies kwam al eerder naar voren (vooral in de jaren 1990) in vergelijking met de sociaaldemocraten (die vanaf de jaren 2000 kind van de rekening werden). De West-Europese liberalen zijn de enige partijfamilie die erin slaagt om hun stemmenaandeel constant te houden. Net zoals in België, zijn de electorale verliezen voor de traditionele partijen in de buurlanden ten voordele van extremistische partijen.

VERWIJZINGEN

Eatwell, R. (2000). 'The rebirth of the 'extreme right' in Western Europe?'. Parliamentary affairs, 53(3), pp. 407-425.
Heath, O., & Goodwin, M. (2017). 'The 2017 general election, Brexit and the return to two‐party politics: An aggregate‐level analysis of the result'. The political quarterly, 88(3), pp. 345-358.
Hobolt, S. B., & Tilley, J. (2016). 'Fleeing the centre: the rise of challenger parties in the aftermath of the euro crisis'. West European Politics, 39(5), pp. 971-991.
Meguid, B. M. (2005). 'Competition between unequals: The role of mainstream party strategy in niche party success'. American Political Science Review, 99(3), pp. 347-359.

VOETNOTEN

  1. De verkiezingsuitslagen van na de Tweede Wereldoorlog tot nu worden besproken. Het moderne partijsysteem kende zijn opkomst na WOII, om definitief vorm te krijgen in de jaren 1950.
  2. De definitie van traditionele partij is gebaseerd op eerder onderzoek van Meguid (2005). De auteur voegt daarentegen niet het startpunt van 1950 toe. Een startpunt dringt zich echter op aangezien de lang historisch dominante partijen door de teloorgang vandaag niet meer electoraal dominant zijn.
  3. Figuur 3 is geen volledig overzicht van alle traditionele partijfamilies in West-Europa. Om een compleet overzicht te bekomen dient men nog de conservatieve en agrarische families toe te voegen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 55 tot 61