Abonneer Log in

Haal discriminatiebestrijding weg bij het Centrum

50 jaar migratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 28 tot 32 en pagina 41

‘Het Centrum’ heet voluit het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR). Het laatste woord van die ronkende titel is waar ik het in deze tekst over wil hebben. Over racismebestrijding - en over alle andere vormen van discriminatiebestrijding waar het Centrum ook voor bevoegd is. Mijn stelling is dat het Centrum die strijd niet voert. De strijd tegen discriminatie is bij hen niet in de juiste handen. Geef die aan het middenveld!

50 JAAR MIGRATIE

De contouren van de etnische muziek
Pieter-Paul Verhaeghe
Maak van diversiteit een schoolvak
Patrick Loobuyck
Een oorlog herdenken
Rachida Lamrabet
Krachtlijnen voor een divers basisonderwijs
Armand De Meyer
Integratiebeleid 2.0
Milica Petrovic
Represent! Over diversiteit en vertegenwoordiging
Floor Eelbode
Ondermijnt arbeidsmigratie de arbeidsvoorwaarden?
Paul de Beer
Haal discriminatiebestrijding weg bij het Centrum
Dajo De Prins
Proefbruidjes- en bruidegoms
Birsen Taspinar
Nooit volwaardig Belg
Rachida Aziz

CENTRUM VOOR SUSSEN VAN DISCRIMINATIE

Het Centrum sust discriminatie, maar bestrijdt haar niet. En zij zal dat ook in de toekomst niet doen. Je kunt immers van een overheidsinstelling met een ‘pluralistisch’ samengestelde raad van bestuur niet verlangen dat zij op de barricades klimt om te vuur en te zwaard discriminatie te bekampen. Zoiets kun je alleen verwachten van vrije verenigingen die opgericht zijn om het specifieke belang van een bepaalde groep te verdedigen. Dat soort verenigingen is wel bereid om de maatschappelijke vrede tijdelijk te verstoren door een publiek proces; een proces dat partijen met getrokken (juridische) messen tegenover elkaar plaatst op grond van groepskenmerken zoals zogenaamd ras, godsdienst of seksuele geaardheid. Omdat dergelijke strijdbare houding van het Centrum niet verwacht kan worden, moet haar de bevoegdheid voor discriminatiebestrijding - met bijhorende financiële middelen – ontnomen worden. En moeten deze overgedragen worden aan het middenveld.

Klopt de premisse van de vorige alinea wel? Dat het Centrum niet zou strijden tegen discriminatie? Was het niet het Centrum dat meteen na zijn oprichting in 1993 energiek ten strijde trok tegen racistische meningsuitingen, en dat als bekroning op zijn werk het Vlaams Blok in 2004 op de knieën dwong voor het Gentse Hof van Beroep? Was dat geen juridische strijd in de meest ware zin van het woord? Was dat geen kruistocht?
Zeker wel! Het CGKR heeft zijn rol van censor in de tweede helft van de jaren 1990 en de eerste helft van de jaren 2000 met overgave vervuld. Maar het laten bestraffen van discriminerende uitingen is maar één aspect van het bestrijden van discriminatie. Het andere aspect is de bestrijding van discriminerende handelingen.
En dat was precies de hoofdreden voor het aannemen van de fameuze antidiscriminatiewetten van 2003. Die wetten wilden aan de mensen die het grootste risico lopen om discriminerend behandeld te worden een afdwingbaar recht verschaffen om zich daartegen te verweren. Die wetten wilden ervoor zorgen dat vrouwen, homo’s, personen met een donkere huidskleur, aanhangers van een bepaalde religie, personen met een handicap, ouderen gelijk behandeld worden op de werkvloer, in hun zoektocht naar banen, woningen, leningen of ontspanning in fitnessclubs en discotheken.
De idee achter die wet was dat bepaalde gebieden van het leven zo belangrijk zijn voor het welzijn van elke mens (werk, wonen, toegang tot goederen en diensten) dat discriminatie op dié gebieden niet door de vingers gezien kan worden. Op die gebieden verdienen slachtoffers van discriminatie het recht op toegang tot een rechter. Zo worden alle personen die in een positie zitten waarin zij kunnen discrimineren erop attent gemaakt dat er een norm bestaat die dat verbiedt. Desnoods moet dat attent maken gebeuren via sancties en het inboezemen van angst.
Een rechtsvordering voor slachtoffers van discriminatie dus. Maar dergelijke procedures zijn duur en buitengewoon technisch op het juridische vlak. Daarom kloppen slachtoffers van discriminatie die daar iets willen tegen ondernemen bijna altijd aan bij het Centrum. Meldingen zijn daar gratis. Expertise is in overvloed voorhanden. Het CGKR moedigt meldingen trouwens aan via campagnes. Het netwerk van lokale discriminatiemeldpunten maakt de drempel voor slachtoffer nog kleiner. Nodeloos te zeggen dat die lokale meldpunten in veel gevallen doorverwijzen naar het Centrum.
Kortom, het Centrum heeft vandaag het quasi-monopolie op de gerechtelijke handhaving van het wettelijk verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming; leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, geloof of levensbeschouwing, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, politieke overtuiging, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een fysieke of genetische eigenschap, en sociale afkomst.

WAT DOET HET CENTRUM MET DAT MONOPOLIE?

Uit het Jaarverslag Discriminatie/Diversiteit 2012 en het Jaarverslag Algemene Werking van 2012 blijkt dat het CGKR 4.226 meldingen van discriminatie ontving. 1.315 van die meldingen waren voldoende ernstig om hierover een individueel dossier te openen. In 2 van de 5 dossier vindt het Centrum ‘dat er echt sprake is van discriminatie’, dat wil zeggen in ongeveer 526 dossiers.
In 46 dossiers kwam het Centrum tot ‘een onderhandelde oplossing’. In 5 dossiers begon het een rechtszaak. Het ging om twee gevallen van homofoob geweld, een nieuwe zaak tegen Sharia4Belgium, een zaak over discriminatie op grond van handicap en één over raciale discriminatie bij aanwerving.
Het eerste wat bij deze cijfers opvalt, is dat het Centrum niet buitengewoon sterk geneigd is tot procederen. Het Centrum gelooft dat er in ongeveer 500 gevallen echt sprake is van discriminatie, en start in 5 gevallen een procedure op. Dat is één rechtszaak per honderd discriminaties. Alle andere zaken worden in stilte en in der minne geregeld. Door een dialoog met daders en slachtoffers die niet aan de oppervlakte komt.
Daar moet nog eens aan toegevoegd worden dat in de zaken van het homofoob geweld en in het proces tegen Sharia4Belgium het Openbaar Ministerie sowieso opgetreden was en het Centrum slechts een bijrol speelde. Alleen de zaak over discriminatie op grond van handicap en die over discriminatie op grond van ras bij aanwerving, waren zuivere antidiscriminatiezaken die ook werkelijk door het CGKR opgestart werden. Geen van beide zorgden voor veel deining in de media. De juridische strijd tegen discriminatie aan twee kleine zaken per jaar.

WAAROM STRIJDT HET CENTRUM NIET?

Waarom wordt een wet die toch echt bedoeld was om slachtoffers juridisch te wapenen en om potentiële daders te intimideren, zo weinig toegepast? Te oordelen aan onderzoeken die peilen naar discriminatoire attitudes bij Belgen en Vlamingen, zal het niet liggen aan een gebrek aan discriminatie. Ook het aantal meldingen lijkt die rooskleurige hypothese tegen te spreken. Een andere mogelijke oorzaak voor het uiterst lage aantal rechtszaken is de moeilijkheid om discriminatie te bewijzen. Het Centrum vermeldt dit ook uitdrukkelijk. Maar ook dat overtuigt niet. De wet voorziet in een versoepeling van de bewijslast voor eisers en laat interessante experimenten toe op het gebied van bewijs. Ook daar zien we weinig animo, initiatief, creativiteit of durf.

Waar is zij aan gelegen, deze procedurele passiviteit?

Gelukkig geeft het Centrum zelf tekst en uitleg in zijn Jaarverslag: ‘Het Centrum geeft altijdvoorkeur aan verzoening, aan onderhandelde oplossingen en alternatieve maatregelen.’ Naar het gerecht trekken, daar is het Centrum toch wat vies van: ‘door zijn multidisciplinaire benadering kan de dienst oplossingen vinden buiten de gerechtelijke procedures die door de Antidiscriminatiewet en de Antiracismewet zijn bepaald. Het Centrum streeft eerst en vooral naar buitengerechtelijke oplossingen. In de meest ernstige en flagrante gevallen, of wanneer een dialoog onmogelijk blijkt en de zaak een belangrijke maatschappelijke relevantie heeft, kiest het voor gerechtelijke weg’. Eigenlijk is alles al gezegd met de leuze onder het Jaarverslag 2012: ‘voorrang aan debat en dialoog’. De leuze lijkt losjes gebaseerd te zijn op de baseline die het Belgische leger hanteerde in zijn lokale informatiepunten: ‘voorrang aan vrede’.
Het Centrum verkiest dus dialoog en debat boven juridische strijd. Alleen als het niet anders kan stapt het naar de rechter als ultimum remedium. Die op maatschappelijke vrede en harmonie gerichte basishouding hoeft niet te verbazen. Het Centrum is en blijft een overheidsinstelling, bevolkt door ambtenaren en geleid door bestuurders die benoemd zijn door de verschillende politieke partijen. Uiteraard willen zij de kerk in het midden houden en liefst zo weinig mogelijk rimpels veroorzaken op het wateroppervlak. Gerechtelijke procedures die gevoerd worden door bijvoorbeeld een werknemer van vreemde origine tegen een winkelketen, door een moslima die een hoofddoek draagt tegen de minister van onderwijs of door een vereniging die de belangen verdedigt van personen met een handicap tegen een gemeentebestuur, veroorzaken wél een rimpeling.
Toen het Centrum strijd voerde tegen het Vlaams Blok en zijn napraters, was dat een heel andere zaak. Toen wilde men het publieke debat zuiveren van ordeverstorende racistische uitspraken. Bedoeling van het Centrum was niet om amok te maken, maar om de amokmakers in de pas te laten lopen. Racistische uitspraken mochten niet langer aan de oppervlakte komen en zichtbaar zijn voor iedereen, zij moesten worden onderdrukt. Spanningen tussen door de discriminatiewetten beschermde groepen moesten onder de grond.
Bij de bestrijding van discriminerende handelingen wordt echter van het Centrum iets heel anders gevraagd: het moet etnische, religieuze en andere gevoelige spanningen gebaseerd op groepskenmerken naar de oppervlakte stuwen om deze op een publiek forum te laten uitvechten: de rechtszaal. En om ervoor te zorgen dat het discriminatieverbod (de norm) ook werkelijk bekend en gevreesd wordt in hoofde van de mensen die zouden kunnen discrimineren, hoort het Centrum bovendien te streven naar media-aandacht voor datzelfde juridische conflict. Beide vormen van openbaarmaking gaan diep in tegen de aard van het Centrum. Haar aard is het om onfatsoenlijke uitspraken te verbieden en dus ondergronds te houden en om onoorbare handelingen onder de oppervlakte te regelen door persoonlijke gesprekken. Het Centrum sust discriminatie, het bestrijdt haar niet.

WAAROM SUSSEN NIET GENOEG IS

Is dat wel een slechte zaak? Is het inderdaad niet beter om dergelijke gevoelige conflicten onder de oppervlakte te houden, zodat er voor het blote oog geen rimpeling te bespeuren valt op de waterspiegel? Moet strijd en zelfs juridische strijd niet zoveel mogelijk vermeden worden?
Het is zeker waar dat tolerantie, harmonieus samenleven van diverse groepen en gelijke kansen niet ontstaan door juridische strijd. De praktijk van dagelijks samenleven op school, in de straat of op de werkvloer, de opkomst van populaire figuren in films, entertainment of sport, de sociale en economische opgang van leden van beschermde groepen, het ontstaan van vriendschappen en verliefdheden over de grenzen van groepen heen, spelen hierin allen een veel grotere rol. Met strijd alleen bouw je geen tolerante samenleving. Integendeel.
Maar lijdzaam aanvaarden dat sommige werkgevers, verhuurders, scholen, cafés, discotheken, verzekeringen, vastgoedkantoren en overheidsdiensten een onderscheid maken tussen mensen op grond van huidskleur, achternaam, godsdienst, handicap, seksuele geaardheid, leeftijd of geslacht is nog veel erger. In dat soort gevallen is juridische strijd wel aangewezen.
Het is trouwens de Belgische wetgever die beslist heeft dat die strijd aangewezen is. Net als de Vlaamse en Europese wetgever. En bijvoorbeeld de Nederlandse, Engelse, Amerikaanse en Canadese parlementen. Al deze wetgevers wilden individuen juridische wapens aanreiken om zich te verzetten tegen één van de meest frustrerende en vernederende menselijke gedragingen: discriminatie. Wapens voor wie niet toegelaten wordt tot een discotheek omdat hij een donkere huid heeft, voor wie geen promotie krijgt omdat zij een vrouw is, voor wie op de werkvloer gepest wordt omdat hij homoseksueel is, voor wie niet achter een loket mag zitten omdat zij een hoofddoek draagt, voor wie als slechthorende in de schoolbanken moet zitten zonder doventolk, voor wie geweigerd wordt als huurder omdat hij een Arabisch klinkende achternaam heeft...
Dergelijke mensen een rechtsvordering gunnen, en hen ook werkelijk toegang verlenen tot een rechtbank, is geen roekeloosheid of dwaasheid. Het betekent niet dat je de samenleving op de rand van de burgeroorlog brengt.
Het betekent alleen dit: dat de wetgever gelijke behandeling op de arbeidsmarkt, de woonmarkt, in het onderwijs... zo belangrijk vindt dat hij op deze gebieden niet wil wachten tot tolerantie en gelijke behandeling op natuurlijke wijze groeien. Op deze gebieden - zo geloven de Europese, Belgische en Vlaamse wetgever - moeten de zaken een beetje geforceerd worden. En wel door mensen die de toegang tot bepaalde goederen en diensten controleren - zoals de toegang tot werk, woningen, ontspanning - te confronteren met een afdwingbaar discriminatieverbod. De hoop van de wetgever is dat de meeste werkgevers, verhuurders, eigenaars van cafés en discotheken ... alleen al uit wens normconform te handelen, aan dat verbod zullen gehoorzamen. En dat de hardleersen uit angst voor veroordelingen en sancties hetzelfde zullen doen.
En dat impliceert inderdaad dat er juridische strijd geleverd moet worden. Dat impliceert dat wanneer er sprake is van discriminatie, er ook werkelijk vorderingen ingesteld worden voor de rechtbank, en dat er gestreefd moet worden naar een voor iedereen zichtbare veroordeling. Hoe anders zou de norm versneld kunnen postvatten in de geesten van werkgevers, overheden en dienstverleners? Hoe anders kan dat gebeuren als zij het discriminatieverbod niet kennen of vrezen.

Door meer dan 99 procent van alle discriminatiemeldingen in der minne en in stilte op te lossen, blijft het discriminatieverbod onbekend en vooral ongevreesd. Slachtoffers van discriminatie koesteren nauwelijks nog enige illusie dat hun melding tot een rechtszaak zal leiden. Werkgevers weten dat zij nauwelijks iets te vrezen hebben.
Dat de zeer strenge Belgische en Vlaamse antidiscriminatiewetgeving in de praktijk behoorlijk onschadelijk is, kan ten overvloede afgeleid worden uit de houding van de meer conservatieve en rechtse opiniemakers: bij de totstandkoming van de wetten schreeuwden zij moord en brand. Het einde van de vrijheid en de democratie. Nu zij zien hoe poezelig die wetten in de praktijk toegepast worden, geven zij vandaag geen krimp meer.

GEEF DE STRIJD TEGEN DISCRIMINATIE AAN HET MIDDENVELD

Het mag duidelijk zijn dat de strijd tegen discriminatie bij het Centrum niet in de juiste handen is.
Daarom moeten wij het centrum ontheffen van haar wettelijke verplichting om discriminatie te bestrijden. Deze taak moet worden toevertrouwd aan organisaties die wel het belang en het vuur hebben om elk geval van discriminatie dat een kans maakt voor de rechter te brengen: aan het middenveld.

Koepelverenigingen die opkomen voor de belangen van groepen die beschermd worden in de antidiscriminatiewetgeving moeten een budget krijgen om rechtszaken te voeren ter handhaving van het discriminatieverbod. Zij moeten volkomen vrij zijn de gevallen te kiezen waarmee zij naar de rechter trekken, ook al gaat het om een procedure tegen de overheid.
Verder zou de rechtsontwikkeling ermee gediend zijn dat er een proefprocessenfonds voor discriminatiebestrijding opgericht werd dat jaarlijks één of twee zaken voor de rechter brengt die belangrijk zijn voor de rechtsontwikkeling. Vandaag blijven, bij gebreke aan voldoende rechtszaken, concepten als indirecte discriminatie of de verdeling van de bewijslast onderontwikkeld. Dit doet afbreuk aan de mate waarin burgers beschermd zijn tegen discriminatie.
Tot slot nog dit. Dit is geen pleidooi voor de afschaffing van het CGKR. Integendeel. Het Centrum levert uitstekend en onmisbaar werk op het gebied van opleidingen van de overheid, op het gebied van discriminatie en diversiteit, het in kaart brengen van migratiestromen, het ijveren voor gelijkheid en redelijke aanpassingen voor personen met een handicap, het verrichten en begeleiden van onderzoeken en de publicatie van verslagen, handleidingen en rapporten, enzovoort.
Maar de bestrijding van discriminatie, geef dat aan het middenveld!

Dajo De Prins
Studiedienst sp.a, maar de auteur schrijft deze bijdrage in eigen naam.

50 jaar migratie - diversiteit - discriminatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 28 tot 32 en pagina 41