Abonneer Log in

Integratiebeleid 2.0

50 jaar migratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 18 tot 21

Soms is het verwonderlijk dat het integratie- en diversiteitsdebat vandaag, anno 2014, nog zo omstreden en verdeeld is na decennia van zowel geplande als ongeplande immigratie. Niet enkel in de grootsteden maar ook in verschillende centrumsteden is de diversiteit groeiende, en soms zelfs al een inherent en algemeen kenmerk van de meerderheid van de plaatselijke bevolking, vooral bij de jongsten.

50 JAAR MIGRATIE

De contouren van de etnische muziek
Pieter-Paul Verhaeghe
Maak van diversiteit een schoolvak
Patrick Loobuyck
Een oorlog herdenken
Rachida Lamrabet
Krachtlijnen voor een divers basisonderwijs
Armand De Meyer
Integratiebeleid 2.0
Milica Petrovic
Represent! Over diversiteit en vertegenwoordiging
Floor Eelbode
Ondermijnt arbeidsmigratie de arbeidsvoorwaarden?
Paul de Beer
Haal discriminatiebestrijding weg bij het Centrum
Dajo De Prins
Proefbruidjes- en bruidegoms
Birsen Taspinar
Nooit volwaardig Belg
Rachida Aziz

Toch gaan we vandaag met een krampachtige en kortzichtige manier om met die diversiteit. Mogelijkheden genoeg om de oorzaken hiervan te achterhalen - de economische crisis en groeiende globalisering die individuen en gemeenschappen doen terugplooien op zichzelf zijn gangbare verklaringen - maar deze nemen niet weg dat velen vandaag nog steeds het bestaan van het zonlicht ontkennen. De etnische, culturele, linguïstieke, religieuze en genderdiversiteit is de absolute realiteit vandaag - en groeiende.

De vraag of we met diversiteit rekening moeten houden, stelt zich dus niet. De vraag hoe we met deze groeiende diversiteit succesvol omgaan in onze samenleving des te meer. Diversiteit wordt vandaag nog te veel gezien als een bedreiging op het goede functioneren van de samenleving, terwijl het net de onderbenutting ervan is die ervoor zorgt dat we als maatschappij niet optimaal presteren. Het is in het belang van de hele samenleving dat integratie ‘lukt’.

GEEN EENHEIDSWORST

Het Vlaamse integratiebeleid is intussen tien jaar oud maar getuigt nog steeds te veel van een kortetermijn- en ad-hocaanpak. Sinds 2013 vallen het proces en beleid van inburgering en integratie samen onder één decreet, in de hoop dat een gecentraliseerde en zeer doelgerichte aanpak de huidige en toekomstige uitdagingen beter zal kunnen aanpakken.

Maar niets is minder waar. Eerst en vooral hebben vele, maar lang niet alle mensen met een migratieachtergrond een achterstand of problemen om volledig te kunnen participeren en functioneren in deze maatschappij. Ten tweede hebben mensen met een migratieachtergrond die wel bepaalde barrières ondervinden of behoeften hebben, niet noodzakelijk dezelfde behoeften. Niet alle nieuwkomers hebben ook dezelfde soort ondersteuning nodig. Taal is de essentie, absoluut, maar niet iedereen verwerft hem op dezelfde manier. En ook maatschappelijke oriëntatie betekent niet voor iedereen hetzelfde, of is voor iedereen even noodzakelijk.
De kern van het probleem is dat integratie als een apart fenomeen beschouwd wordt, en dat is het niet. Mensen ondervinden geen problemen om te integreren an sich. Hun problemen manifesteren zich in heel concrete situaties: moeilijkheden om te slagen in het onderwijs, om een goede en gepaste job te vinden, om een degelijke woonst te betrekken, om aanvaard te worden in de buurt. Maar tegelijkertijd zijn het niet enkel mensen met een migratieachtergrond die barrières ervaren in deze situaties.

We denken dus best niet enkel aan kleur, afkomst of cultuur als we het hebben over diversiteit. Diversiteit vertaalt zich vandaag - en des te meer in de toekomst - vooral in een diversiteit aan behoeften en noden. Dat vraagt om een gediversifieerde beleidsaanpak en geen eenheidsworst. Net zoals niet alle migranten arm of laaggeschoold zijn, zo is er ook geen homogene migrantengemeenschap waarop één integratiebeleid kan inspelen.

MEER DIFFERENTIËREN, MEER DIFFUSEREN

Het integratiebeleid zal in de toekomst dus veel meer moeten differentiëren en diffuseren, en wel op twee samenhangende manieren. Ten eerste moeten integratie- en diversiteitsprioriteiten aangepakt worden in de relevante beleidsgebieden, en niet enkel door een centraal departement voor ‘integratie’. Een aantal concrete voorbeelden: een algemene verplichte taaltest voor alle leerlingen die beginnen aan het lager onderwijs is een goed voorbeeld in het onderwijsbeleid van hoe we elke vorm van taalachterstand tijdig kunnen opsporen en aanpakken om nog meer achterstand te vermijden. Tegelijkertijd moeten alle leerkrachten van alle vakken opgeleid worden om te kunnen lesgeven aan een divers publiek, beginnende van in de kleuterklas. Leerkrachten zullen meer en meer de concrete tools nodig hebben om in een diverse klas te kunnen functioneren, wat op zijn beurt ervoor zal zorgen dat meer leerlingen en studenten meekunnen. In Duitsland is zo’n taaltest bijvoorbeeld in alle Länder ingevoerd, en investeert men in toenemende mate in de hervorming van het secundair onderwijs en de lerarenopleiding.

Naast onderwijs staat werk als een evengrote uitdaging. Mensen met een migratieachtergrond zijn vandaag nog steeds oververtegenwoordigd in de werkloosheid. Sommige van de oorzaken zijn structureel en kunnen dus beleidsmatig worden aangepakt. Eén daarvan kan op grote schaal doorgevoerd worden: maak van de diversiteit - in de brede zin - op de werkvloer een wettelijke verplichting voor alle werkgevers, niet enkel binnen de overheid. Concrete minimumquota voor bedrijven van een zekere grootte kunnen verplicht worden om de reële diversiteit in de maatschappij te weerspiegelen. Men hoeft niet eens te investeren. Het beleid kan het niet nakomen van bepaalde quota financieel sanctioneren door zwaarder te belasten. Dit is al jaren een gangbare praktijk in Frankrijk, waar bedrijven niet alleen een diversiteitslabel kunnen ontvangen na een grondige doorlichting maar waar diversiteitsquota bij wet geregeld en verplicht zijn.

Van diversiteit een prioriteit maken brengt ons ook bij de structuur van ons beleid. Terwijl er in Vlaanderen een specifieke minister voor integratie is, ontbreekt deze functie in Brussel en Wallonië. Binnenkort wordt het merendeel van de integratiesector in Vlaanderen opgenomen en gecentraliseerd in een Extern Verzelfstandigd Agentschap (EVA), terwijl dit in Wallonië en Brussel verspreid zit over meerdere portefeuilles waaronder gelijke kansen en sociale zaken. Beide aanpakken houden een risico in, respectievelijk van verkokering en van een gebrek aan responsabilisering of aansprakelijkheid.
Er is nood aan meer dan één minister of één departement voor integratie. Er is nood aan een agenda voor integratie die specifieke prioriteiten en doelstellingen in elk beleidsdomein voorlegt, niet enkel in één apart decreet. Dat wil ook zeggen dat er veel regelmatiger en op een structurele manier moet worden gecoördineerd tussen de verschillende beleidsdomeinen én -niveaus.

Om te vermijden dat deze soort verdeling van verantwoordelijkheden synoniem wordt van verwatering is er politiek toezicht nodig op de naleving van de vooropgestelde doelstellingen, liefst op het allerhoogste niveau. In verschillende buurlanden bestaan er voorbeelden van zo’n aanpak. In het Verenigd Koninkrijk bestaat integratie niet onder dezelfde definitie als hier, maar zet men heel hard in op sociale cohesie. Enkele van de Britse instrumenten zijn de interministeriële commissies voor sociale mobiliteit en voor gelijke kansen. Die zien er op toe dat de prioriteiten die gemainstreamd zijn in alle beleidsdomeinen ook effectief opgevolgd en nageleefd worden. In Duitsland is er dan weer een Federale Commissaris voor migratie en integratie, die deel uitmaakt van het kabinet van de Bondkanselier - een ambt die de politieke urgentie en prioriteit van dit thema benadrukt. Daarnaast hebben alle deelstaten een bevoegde minister of commissaris, die regelmatig samenzitten met zowel de Federale Commissaris als met het lokale beleidsniveau. In beide gevallen is zo’n structurele en institutionele organisatie de veruitwendiging van een expliciet discours dat de beleidsgrenzen overschrijdt; van een algemene politieke en maatschappelijke wil en urgentie om diversiteit te laten slagen, voor iedereen.

ELKE MINISTER, MINISTER VAN INTEGRATIE

Ook hier in ons land is het tijd om de grote middelen in te zetten en voor een keerpunt in het discours te zorgen. Het wordt tijd dat beleidsmakers beseffen dat inzetten op diversiteit, inzetten op het succes van de hele samenleving betekent. Elke minister moet dus minister van integratie zijn. Daarnaast hebben onze politici de verantwoordelijkheid om deze boodschap compromisloos uit te dragen naar het brede publiek, want dit gaat iedereen aan. Dit kan geen randbeleid meer zijn. De toekomst zal immers divers zijn of zal niet zijn - men hoeft maar een willekeurige kleuterklas binnen te stappen.

Milica Petrovic
Beleidsadviseur Migration Policy Institute Europe
(Elizabeth Collett, Milica Petrovic. 2014. The future of immigrant integration in Europe: Mainstreaming approaches for inclusion. Brussels: Migration Policy Institute Europe. Te verschijnen)

50 jaar migratie - diversiteit - integratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 3 (maart), pagina 18 tot 21