Log in

Koude woningen, koude overheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 41 tot 47

Energieongelijkheid is één van de meest verborgen kloven onder de oppervlakte en heeft vele gezichten. De Vlaamse overheid probeert werk te maken van de strijd tegen energiearmoede, maar in de praktijk benadelen Mattheüseffecten en valkuilen mensen in energiearmoede. Toch valt er wel degelijk iets aan te doen. Om de woonkwaliteit te verbeteren, strekken begeleid renoveren, hergebruik en duurzaam ontwerpen van woningen tot de aanbevelingen.

BELGIË, LAND VAN VERBORGEN KLOVEN

Is België wel zo’n paradijs van inkomensgelijkheid?
Wim Van Lancker
Onze vermogens­verdeling? Alles kan beter
Sarah Kuypers
Koude woningen, koude overheid
Jill Coene
Ongelijk gezond en wel
Annick De Donder en Jan De Maeseneer
’t Is nog niet in de sacoche
Sofie De Graeve
Inclusief digitaal is het nieuwe normaal
Ilse Mariën
De strijd om mobiliteit is een strijd om gelijkheid
Dirk Lauwers en Thomas Vanoutrive
Laat de sociale mix in scholen niet los
Mieke Van Houtte
Meer voorschoolse voorzieningen, minder ongelijkheid?
Michel Vandenbroeck

DE HARDE FEITEN

De cijfers spreken boekdelen. Uit de nieuwste energiearmoedebarometer (Delbeke & Meyer, 2018) blijkt dat 14,5% van de Belgische gezinnen in 2016 te veel uitgaf aan energie in verhouding tot hun inkomen na aftrek van de woonkosten. Daarnaast gaf 4,3% minder dan de helft uit aan energie van wat een vergelijkbaar gezin spendeerde (de zogenaamde 'verborgen energiearmoede'). In Vlaanderen gaat het respectievelijk om 11,4% en 2,9%.

Ook de statistieken van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt geven inzicht in de omvang van het probleem. Bij de commerciële leveranciers van gas en elektriciteit is er een sterke toename van het aantal opgestarte afbetalingsplannen tussen 2015 en 2016 (VREG, 2017). Het aantal budgetmeters elektriciteit (40.768) en aardgas (27.830) bleef eind 2016 relatief stabiel ten opzichte van eind 2015. Beide vertegenwoordigen ongeveer 1,5% van de aansluitingen van huishoudelijke afnemers. 1.184 toegangspunten elektriciteit werden in 2016 afgesloten na advies van een lokale adviescommissie (+6%), bij aardgas ging het om 1.567 toegangspunten (-6%). Meestal is wanbetaling hiervan de oorzaak.

Oorzaken

Onderzoek wijst op drie belangrijke oorzaken van energiearmoede: een gebrekkig inkomen, een ontoereikende woningkwaliteit en stijgende energieprijzen.

Met een laag inkomen zijn de kosten voor wonen en energie zwaar om dragen: zo gaven de 25% gezinnen met de laagste inkomens in Vlaanderen in 2016 bijna 41% van hun totale consumptie-uitgaven uit aan wonen en energie.ii Hoewel er een grote overlap is met inkomensarmoede, is niet iedereen die leeft in inkomensarmoede energiearm en, omgekeerd, is niet iedereen die leeft in energiearmoede inkomensarm (Delbeke & Meyer, 2018).

In Vlaanderen is 37% van de woningen van ontoereikende kwaliteit. Bij sociale en private huurwoningen loopt dat op tot 44% en 47% (Vanderstraeten & Ryckewaert, 2015). Huurwoningen scoren ook minder goed als het gaat over de aanwezigheid van dubbel glas, dak- en muurisolatie of efficiënte verwarmingsketels (Ceulemans & Verbeeck, 2015). Het inkomensniveau, het opleidingsniveau en de activiteitsstatus van gezinnen blijken bepalend voor de aanwezigheid van isolatie. Er is dus sprake van grote ongelijkheid: wie arm is, leeft vaker in een minder goede woning en ziet zijn energiekosten stijgen.

De prijs voor energie is afhankelijk van het verbruik, de energiebron (elektriciteit, aardgas, huisbrandolie, enzovoort), de keuze van energieleverancier en het type contract. Het verbruik wordt niet alleen bepaald door individueel gedrag, maar ook door het type huisvesting, het arbeidsstatuut, de leeftijd en gezondheid (werklozen, zieken, invaliden en gepensioneerden brengen meer tijd binnenshuis door), de kwaliteit van de huishoudtoestellen, het klimaat en de woonplaats (Huybrechs, Meyer, & Vranken, 2011). Gezinnen met een laag inkomen gebruiken vaker duurdere bronnen, zoals verwarmen op elektriciteit. Wat de keuze voor leverancier betreft, zien we veel 'slapende klanten'. Een leverancierswissel is relatief eenvoudig, maar we zien diverse barrières voor mensen in armoede. Om de V-test van de VREG uit te voeren om prijzen te vergelijken, is een internetverbinding nodig en moet men ook weten dat deze mogelijkheid bestaat. Onlinecontracten bieden de scherpste prijzen, maar niet iedereen heeft regelmatige toegang tot internet. Sommige leveranciers vragen een waarborg vooraleer er een contract kan worden getekend. Voor mensen in armoede is een waarborg van honderden euro's een grote drempel. Protesteren tegen fouten in een factuur en weerstand bieden aan deur-aan-deurverkoop van energiecontracten, het blijkt niet altijd gemakkelijk (Delbeke & Coene, 2017).

Gevolgen

Een gebrekkige toegang tot energie, zeker in combinatie met ontoereikende huisvesting, heeft gevolgen voor de gezondheid. Koude, schimmelvorming en vocht in de woning verhogen het risico op astma en luchtwegklachten en een versnelde afname van de longfunctie. Slecht werkende geisers of kachels en schoorstenen die onvoldoende trekken, kunnen leiden tot koolmonoxidevergiftiging. In een onvoldoende verwarmde woning is in de winter de kans op overlijden door hartproblemen groter. Verwarmen met een houtkachel of verlichten met kaarsen kan leiden tot brand (De Schrijver & Van Hal, 2017).

Mensen in energiearmoede ontwikkelen overlevingsstrategieën om met deze situatie om te gaan (Lahaye, Sibeni & Bartiaux, 2016). Om de woning een beetje opgewarmd te krijgen, gaan ze bij warmen met energieverslindende losstaande toestellen. Spleten en gaten worden afgedekt, extra kleding en dekentjes moeten enig comfort bieden. Om te vermijden dat de factuur te hoog oploopt, beperken sommigen hun energieverbruik (Delbeke & Meyer, 2018). Zo wordt soms maar een deel van de woning verwarmd of wordt de verwarming kortstondig opgezet, bijvoorbeeld wanneer de kinderen thuis zijn (Lahaye, Sibeni & Bartiaux, 2016). Men bespaart op andere levensdomeinen, zoals vervoer of alledaagse producten. Gevoelens van onmacht, onrechtvaardigheid, uitsluiting en schaamte steken vaak de kop op.

MATTHEÜSEFFECTEN EN VALKUILEN

De overheid maakt werk van de strijd tegen energiearmoede. In 2016 keurde de Vlaamse regering een Energiearmoedeprogramma goed met een heel aantal acties, waaronder het verbeteren van de energie-efficiëntie van woningen. Toch zijn er kanttekeningen te maken. Er spelen ook Mattheüseffecten; de vaststelling dat 'een aantal voordelen van sociaal overheidsbeleid - meestal onbedoeld - meer naar hogere dan naar lagere sociale categorieën' gaan (Cantillon & Buysse, 2016, p.395).

De prijs van elektriciteit voor een gemiddelde klant (inclusief heffingen) steeg tussen januari 2007 en december 2016 gemiddeld met 69,5% (in België). De aardgasprijs steeg in dezelfde periode gemiddeld met 2,5% (CREG, 2017b). De toename is voor een groot deel toe te schrijven aan overheidsbeleid: zo werden een aantal heffingen verhoogd (zo werd het btw-tarief op elektriciteit opgetrokken van 6% naar 21%) en werd de gratis kWh elektriciteit afgeschaft.

De sociale openbare dienstverplichtingen bevatten een arsenaal aan maatregelen, zoals sociale maximumprijzen voor gezinnen die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Ongeveer 9% van de klanten elektriciteit en 9% van de klanten aardgas had eind 2017 recht op zo'n sociaal tarief (CREG, 2017a). Sociale organisaties vragen al jaren dat de doelgroep van het sociaal tarief zou worden uitgebreid (bijvoorbeeld naar personen in collectieve schuldbemiddeling).

De procedure bij wanbetaling moet gebruikers beschermen tegen afsluiting, maar kent heel wat knelpunten (zie Van Hootegem, 2016). Wie zijn facturen bij de leverancier niet meer kan betalen (en dus al schulden heeft), kan worden 'gedropt' en komt bij de distributienetbeheerder terecht die de consument verder belevert. De energieprijs bij deze netbeheerder ligt voor niet-beschermde klanten hoger dan de marktprijs (om mensen te stimuleren zo snel mogelijk terug de stap richting markt te zetten). Schulden brengen bovendien aanmaningskosten en verwijlinteresten met zich mee. Een ander voorbeeld is de minimale levering van aardgas tijdens de winter. Niet alle steden en gemeenten doen hieraan mee en de maatregel wordt ook niet overal op dezelfde manier toegepast.

Het gebruik van premies en subsidies voor energiebesparende maatregelen (de Vlaamse premie voor dakisolatie, de premies van de netbeheerders voor energiebesparende investeringen en de federale belastingvermindering voor energiebesparende investeringen) hangt samen met sociaaleconomische kenmerken zoals het opleidingsniveau, het arbeidsstatuut en het inkomen (Ceulemans & Verbeeck, 2015). Er is sprake van een sterk Mattheüseffect. Het vergaren, analyseren en opvolgen van informatie vormt een bijkomende hindernis. Nochtans wonen sociaaleconomisch zwakkere gezinnen vaker in woningen van minder goede kwaliteit en zouden juist zij dus meer baat hebben van premies en subsidies. Een deel van hen is eigenaar (zoals gepensioneerden met een laag pensioen en 'noodkopers' die geen woning op de huurmarkt kunnen vinden en daarom een relatief goedkope woning van slechte kwaliteit kopen). Eigenaars met onvoldoende kapitaal (zowel eigenaar-bewoners als eigenaar-verhuurders) kunnen energiebesparende maatregelen meestal niet voorfinancieren en vallen dus uit de subsidieboot. Huurders zijn afhankelijk van de goodwill van de verhuurder om investeringen te doen, maar vaak ontbreekt de stimulans omdat de winst van energie-efficiëntie terechtkomt bij de huurder (in de vorm van een lagere energiefactuur) (Vanhille, Verbist, & Goedemé, 2017). Sociale dakisolatieprojecten, spouwmuurisolatie en hoogrendementsbeglazing voor woningen op de private huurmarkt die bewoond worden door kwetsbare huurders kunnen een deel van de oplossing zijn, mits de verhuurder meewerkt. Helaas gelden voor huurwoningen waar de huurder niet in de afgebakende categorieën voor kwetsbare huurders valt, geen van de premies waar eigenaar-bewoners wel gebruik van kunnen maken. In de sociale huisvestingssector werd lang ingezet op beperkte renovatie, terwijl totaalrenovatie werd uitgesteld (Vanhille, Verbist, & Goedemé, 2017).

Een valkuil is dat energiebesparende ingrepen niet altijd de gewenste besparing opleveren: ontwerp- en installatiefouten worden niet altijd opgespoord en eindklanten hebben soms onvoldoende kennis om een installatie ten volle te benutten (Verhaert, 2017). Zo wordt het berekende rendement van comfortinstallaties niet altijd bereikt. Inzetten op sensibilisering en navorming van technici en studiebureaus is een eerste stap. Nog beter is het om installatiebedrijven en ontwerpers een financiële incentive te geven zodat goede installaties beloond worden (Verhaert, 2017).

Voorts kan men vragen stellen bij het E-peil, een maat voor de energieprestatie van een woning en de vaste installaties in standaardomstandigheden. Deze hangt af van de thermische isolatie, de luchtdichtheid, de compactheid, de oriëntatie, de bezonning van het gebouw en van de vaste installaties (voor verwarming, warmwatervoorziening, ventilatie, koeling en verlichting). Hoe lager het E-peil, hoe energiezuiniger de woning. De overheid verstrengt geleidelijk de normen om een lager E-peil te bekomen. Het E-peil kan echter geen zinvolle uitspraken doen op het niveau van een individuele woning omdat de berekeningswijze onvoldoende rekening houdt met de werkelijke context, het werkelijke gedrag en de noden van de bewoner (Van Rompaey & Vallet, 2017). Daardoor worden mensen in armoede benadeeld: hun woning wordt geclassificeerd als slecht presterend op vlak van energieprestatie, maar verbruikt in realiteit soms minder energie dan men uit de berekening van het E-peil zou vermoeden. Het werkelijk energieverbruik moet dan ook in rekening worden gebracht.

AANBEVELINGEN

Op korte termijn zijn er een aantal sporen die de situatie van mensen in energiearmoede kunnen verbeteren. Het uitbreiden van het sociaal tarief is één mogelijkheid. Een andere is het herbekijken van de prijs bij de netbeheerder: kan deze voor budgetmeterklanten naar omlaag zodat zij die het al moeilijk hebben niet nog meer financiële problemen krijgen?De prijs van energie nam de voorbije periode vooral toe doordat Vlaamse en federale heffingen en bijdragen stegen. Een derde mogelijkheid is om deze heffingen los te koppelen van de energieprijs en ze te financieren met algemene middelen.

Op lange termijn is het vooral een kwestie van de woningkwaliteit te verbeteren. We bekijken enkele voorstellen naderbij.

Renoveren en begeleiden

Vanhille, Verbist en Goedemé (2017) verkenden pilootprojecten die inzetten op energie-efficiëntie. Belangrijk is een financiering die het gezinsbudget zo weinig mogelijk belast. Premies zijn weinig geschikt om gezinnen zonder eigen financiële middelen te overhalen om hun woning beter te isoleren. Meer innovatieve aanpakken zijn noodzakelijk, zoals renteloze leningen, volledige voorfinanciering door een 'rollend fonds' of lokale coöperatieve, of een systeem van subsidieretentie waarbij de subsidie terugvloeit op het moment dat de woning van eigenaar verandert. Het Energiearmoedeprogramma belooft in te zetten op deze sporen, het is afwachten of voldoende middelen zullen worden vrijgemaakt en de ambities hoog genoeg liggen.

Aangepaste begeleiding (zowel sociaal als bouwtechnisch) van begin tot einde van het renovatieproces door een neutraal tussenpersoon is cruciaal. Een gebrek aan informatie blijkt immers een knelpunt. Een one-stop-shop-benadering (een loket waar alle informatie over energiezuinig wonen en renoveren gebundeld wordt) kan een oplossing zijn (Vanhille, Verbist en Goedemé, 2017). Een buurtgerichte aanpak leidt tot meer succes. Het Gentse project Dampoort knapT OP! integreerde een systeem van subsidieretentie, begeleiding van de bewoners en een buurtwerking doordat meerdere woningen in een wijk tegelijk werden gerenoveerd en de bewoners met elkaar in contact werden gebracht (Debruyne & Hertogen, 2016).

Sociale verhuurkantoren (SVK) kunnen werken met renovatiehuurovereenkomsten. Hier neemt het SVK de coördinatie en voorfinanciering van de renovatie op zich en verhuurt de vernieuwde woning als sociale woning voor minimum negen jaar. De huurinkomsten van de woning worden vervolgens gebruikt om de investering terug te betalen. Omdat veel afhangt van de draagkracht van het SVK, moeten voordelige kredietmogelijkheden op maat worden uitgewerkt. Daarnaast kunnen coöperatieve initiatieven leegstaande panden van sociale huisvestingsmaatschappijen aankopen en renoveren via sociale tewerkstelling (Vanhille, Verbist, & Goedemé, 2017).

Hergebruik en duurzaam ontwerpen van woningen

De certificaten om in aanmerking te komen voor premies en subsidies vormen een hindernis voor het gebruik van alternatieve of duurzame en milieubewuste innovaties (Van Rompaey & Vallet, 2017). Enkel isolatiematerialen met een gecertifieerde prestatiewaarde komen in aanmerking, waardoor altijd nieuwe bouwmaterialen en installaties moeten worden gebruikt. Goedkopere gerecycleerde bouwmaterialen en installaties uit de circulaire economie komen niet in aanmerking voor certificatie en dus ook niet voor subsidies. Als dit wel toegelaten zou zijn, komt energie-efficiëntie in het bereik van precaire eigenaars terwijl tegelijk wordt ingezet op ecologische doelen. Bedrijven uit de sociale economie, die via een circulaire of op recyclage gerichte wijze werken, zouden moeten worden toegelaten tot de certificering. Dit zou ook een gunstig effect op tewerkstelling kunnen hebben (Van Rompaey & Vallet, 2017).

Het ontwerp van de woning en de woonomgeving moeten centraal staan in een energiezuinig architecturaal ontwerp. Kleiner, compacter en dichter bij elkaar wonen, vermindert de energiebehoefte. De zon op de gevel of een windafscherming door beplanting leiden tot een verlies of winst aan warmte. Door slim gebruik te maken van het microklimaat van de binnenstad of het voorzien van collectieve wind- en zonweringen in de directe omgeving van woonhuizen is minder energie nodig (Van Rompaey & Vallet, 2017).

Om de kost van hernieuwbare energie te verminderen, kan benutting van restwarmte of hernieuwbare warmte best op grote schaal worden toegepast via warmtenetten (Verhaert, 2017). Zo'n systeem is niet voor morgen. Collectieve verwarmingsinstallaties (bijvoorbeeld in sociale woningen) zijn wel een haalbare optie. De meerkost om zonnepanelen te integreren, is daardoor veel lager en de opbrengst hoger (Verhaert, 2017).

Een radicale omschakeling zou zijn om de industrie aan te zetten om 'diensten' (warmte, comfort) te leveren in plaats van 'producten' (gas, elektriciteit, verwarmingsinstallaties) (Verhaert, 2017). Zo hoeft de investering in energie-efficiëntie niet van gezinnen te komen. Als leveranciers een bepaald comfortniveau moeten leveren (bijvoorbeeld 21°C in de leefruimtes) aan een vast tarief, hebben zij er belang bij om dit op een zo efficiënt mogelijke manier te doen. Zo wordt efficiënte technologie beschikbaar voor minder koopkrachtige gezinnen. Deze piste vereist nog heel wat denkwerk.

TOT SLOT

Het aanpakken van energiearmoede moet gebeuren langs verschillende sporen. Deze tekst licht een tipje van de sluier. Meer onderzoek naar sommige van deze voorstellen is nodig. We mogen daarbij niet vergeten dat 'energiearmoede' deels samenhangt met (inkomens)armoede. Armoedebestrijding in brede zin zal dus ook de strijd tegen energiearmoede ten goede komen.

Referenties

Cantillon, B., & Buysse, L. (2016). 'De staat van de welvaartsstaat', Leuven/Den Haag: Acco.

CREG (2017a). 'Maandelijkse boordtabel elektriciteit en aardgas - december 2017', via http://www.creg.be/nl/professionals/marktwerking-en-monitoring/boordtabel-infografieken-en-internationale-nota#h2_0 .

CREG (2017b). 'Studie over de componenten van de elektriciteits- en aardgasprijzen', Brussel: Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas.

Ceulemans, W. & Verbeeck, G. (2015). 'Grote Woononderzoek 2013. Deel 6. Energie', Leuven: Steunpunt Wonen.

Debruyne, P. & Hertogen, N. (2016). 'Inclusieve wijkontwikkeling in de Gentse Dampoort: participatieve woonrenovatie op maat van kwetsbare bewoners', In: S. Oosterlynck, P. Raeymaeckers, J. Coene, B. Delbeke, P. Debruyne & T. Ghys (red.) 'Armoede en Sociale Uitsluiting, Jaarboek 2016, Blik op energiearmoede', Antwerpen: OASeS.

Delbeke, B., & Coene, J. (2017). 'Wat is energiearmoede? Een definitie en stand van zaken', In: T. Goedemé, J. Coene, B. Hubeau, & R. van Damme (red.). 'Armoede, energie en wonen: creatieve ideeën voor een toekomst zonder energiearmoede', Antwerpen: USAB.

Delbeke, B. & Meyer, S. (2018). 'Barometer Energiearmoede (2009-2016)', Brussel: Koning Boudewijnstichting

De Schrijver, K., & Van Hal, G. (2017). 'Woning, energie, woonomgeving en gezondheid', In: T. Goedemé, J. Coene, B. Hubeau, & R. van Damme (red.). 'Armoede, energie en wonen: creatieve ideeën voor een toekomst zonder energiearmoede', Antwerpen: USAB.

Huybrechs, F., Meyer, S., & Vranken, J. (2011). 'Energiearmoede in België, finaal rapport december 2011', Brussel/Antwerpen: CEESE (ULB) & OASeS (Universiteit Antwerpen).

Lahaye, Sibeni & Bartiaux, 2016 In: S. Oosterlynck, P. Raeymaeckers, J. Coene, B. Delbeke, P. Debruyne & T. Ghys (red.) 'Armoede en Sociale Uitsluiting, Jaarboek 2016, Blik op energiearmoede', Antwerpen: OASeS.

Vanderstraeten L., & Ryckewaert M. (2015). 'Grote Woononderzoek 2013. Deel 3. Technische woningkwaliteit', Leuven: Steunpunt Wonen.

Vanhille, J., Verbist, G. & Goedemé, T. (2017). 'Energie-efficiënt wonen, ook voor gezinnen in armoede? Beleidspistes gericht op private huurders, sociale huurders en precaire eigenaars', In: T. Goedemé, J. Coene, B. Hubeau, & R. van Damme (red.). 'Armoede, energie en wonen: creatieve ideeën voor een toekomst zonder energiearmoede', Antwerpen: USAB.

Van Hootegem, H. (2016). 'Het recht op energie: lessen uit een dialoog', In: S. Oosterlynck, P. Raeymaeckers, J. Coene, B. Delbeke, P. Debruyne & T. Ghys (red.) 'Armoede en Sociale Uitsluiting, Jaarboek 2016, Blik op energiearmoede', Antwerpen: OASeS.

Van Rompaey, J. & Vallet, N. (2017). 'Armoede, energie en architectuur … Waar een wil is, is een weg', In: T. Goedemé, J. Coene, B. Hubeau, & R. van Damme (red.). 'Armoede, energie en wonen: creatieve ideeën voor een toekomst zonder energiearmoede', Antwerpen: USAB.

Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (2017). 'Sociaal rapport 2016', Brussel: VREG, via http://www.vreg.be/sites/default/files/document/rapp-2017-03.pdf.

Verhaert, I. (2017). 'Is de energietransitie klimaatneutraal voor kwetsbare groepen? Is de slimme meter daar wel slim genoeg voor?', In: T. Goedemé, J. Coene, B. Hubeau, & R. van Damme (red.). 'Armoede, energie en wonen: creatieve ideeën voor een toekomst zonder energiearmoede', Antwerpen: USAB.

Voetnoten

  1. De auteur dankt Bart Delbeke en Tim Goedemé voor hun input. De tekst is vooral gebaseerd op publicaties van de Universitaire Stichting voor Armoedebestrijding (Goedemé, Coene, Hubeau & Van Damme, 2017) en Centrum OASeS (Oosterlynck, Raeymaeckers, Coene, Delbeke, Debruyne & Ghys, 2016).
  2. Zie https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/huishoudbudget#figures, waarbij we de kosten voor woning, water, elektriciteit, gas en andere brandstoffen afzetten tegenover de totale consumptie.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 41 tot 47