Abonneer Log in

Mondiale vrije markt vraagt een mondiaal sociaal beleid

SOCIALE BESCHERMING VOOR IEDEREEN

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 8 (oktober), pagina 14 tot 17

Met Fiesta Social op 3 oktober kwam de campagne van 11.11.11, ngo’s, vakbonden en ziekenfondsen, ‘Sociale bescherming voor iedereen’, in een stroomversnelling. Eén van de campagne-eisen is ‘een systeem van internationale financiering voor sociale bescherming’. De idee is niet nieuw. In de academische wereld leeft het al langer. Als uitgesproken voorstander van een mondiale sociale bescherming ben ik bijzonder blij dat de 20 partners van deze campagne dit idee meenemen en het aldus uit de academische ivoren toren halen. Wat zijn de voornaamste argumenten?

SOCIALE BESCHERMING VOOR IEDEREEN

Het politieke momentum grijpen
Liesbet Vangeel, Karolien Debel en Annuschka Vandewalle
België voorbeeldland?
Bogdan Vanden Berghe
Mondiale vrije markt vraagt een mondiaal sociaal beleid
Gorik Ooms
Hoe fiscale ruimte creëren?
Kalaivani Karunanethy, Matthew Cummins en Isabel Ortiz
Hoe arbeidsrechten afdwingen?
Koen Vanbrabandt
Arm maakt ziek, ziek maakt arm
Thomas Rousseau
Reproductieve rechten alleen zijn niet genoeg
Marleen Temmerman en Dirk Van Braeckel
Europees nabuurschap op een kruispunt
Conny Reuter
Bericht uit het Zuiden: Zimbabwe
Last Tarabuku

PRAKTISCH ARGUMENT

Ten eerste is er het praktische argument van financiële betaalbaarheid en efficiëntie van ontwikkelingshulp. Sociale bescherming kost geld. Voor de armste landen is het vrijwel onmogelijk om een systeem van sociale zekerheid uit te bouwen op eigen kracht. Zo is het bruto nationaal product van Burundi een kleine 300 euro per inwoner per jaar. Zelfs als de overheid daarvan 25% zou kunnen innen via belastingen en verplichte bijdragen, en dan de helft daarvan zou besteden aan sociale bescherming, dan hebben we het over een budget van minder dan 40 euro per inwoner per jaar voor gezondheidszorg, onderwijs, voedselzekerheid - zonder te denken aan een gewaarborgd inkomen voor elk gezin of pensioenen. Wat je met een dergelijk budget zou kunnen leveren, is zo minimalistisch dat het bijzonder moeilijk is om mensen te overtuigen dat bijdragen zinvol is - niet enkel een wettelijke en morele plicht, maar ook een slimme manier om risico’s te spreiden. Sociale bescherming ‘geraakt niet van de grond’. Veel ontwikkelingshulp dient dan als plaatsvervangende - eerder dan ondersteunende - oplossing, of organisaties experimenteren met zeer lokale initiatieven waarvan de armste mensen moeten worden uitgesloten om de initiatieven leefbaar te houden. Een langetermijnperspectief van internationale medefinanciering onder voorwaarden zou veel efficiënter kunnen zijn.

PRINCIPIEEL ARGUMENT

Ten tweede is er een principieel argument. Dit is afgeleid van het feit dat sociale bescherming niet alleen een mensenrecht op zichzelf is, maar ook het middel bij uitstek om andere sociale mensenrechten te realiseren. Zo staat of valt, in België, de verwezenlijking van ons recht op gezondheid met onze sociale bescherming. Het is moeilijk om op een zinvolle manier na te denken over rechten, zonder na te denken over samenhangende plichten. Hetzelfde voorbeeld: uw en mijn recht op gezondheid heeft slechts zin als iemand - in dit geval de maatschappij - een plicht heeft om bij te dragen aan de inspanningen die nodig zijn om uw en mijn gezondheid te beschermen. Wanneer we dan van een bepaald recht zeggen dat het een mensenrecht is, volgt daaruit dan niet dat de samenhangende plicht op de collectieve schouders van de mensheid rust? Dus, als we het erover eens kunnen zijn dat gezondheid een mensenrecht is, ook voor de inwoners van Burundi, kunnen we dan nog volhouden dat de samenhangende plicht enkel rust op de schouders van de inwoners en de overheid van Burundi?

Voor de duidelijkheid: ik pleit niet voor één enkel mondiaal systeem van sociale bescherming. Om zowel praktische als principiële redenen - denk aan democratische besluitvorming - heeft het zin om nationale systemen te behouden, en daar een systeem van mondiale medefinanciering aan toe te voegen. In de meeste landen heeft het bestaande systeem van sociale bescherming nu al vele lagen met verschillende geografische reikwijdte. Als inwoner van Gent betaal ik belastingen en bijdragen aan de stad Gent, Vlaanderen, België en Europa (en ook aan de mutualiteit van mijn keuze): elk van die bijdragen voedt een netwerk van sociale bescherming waarvan de deelnemers verschillend zijn. Een systeem van internationale financiering voor sociale bescherming, zoals deze campagne voorstelt, zou een laagje toevoegen: een brede (de mensheid) maar dunne laag, bijvoorbeeld in overeenstemming met de oude belofte om 0,7% van ons bruto nationaal product aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Ook denk ik dat het om zowel praktische als principiële redenen zinvol zou zijn om sociale mensenrechten op te splitsen in ‘kernrechten’ - waarvoor dan de mensheid de collectieve verantwoordelijkheid draagt - en meer breder uitgebouwde rechten, waarover land per land wordt beslist, en waarvoor de bevolking van elk land de verantwoordelijkheid draagt.

ARGUMENT VAN WELBEGREPEN EIGENBELANG

Ten slotte is er een argument van welbegrepen eigenbelang. Tenminste voor de inwoners van de landen die momenteel een degelijk uitgebouwd systeem van sociale bescherming hebben - en dat graag willen behouden. Om dat uit te leggen moet ik even terugkeren naar de vraag waarom die landen ooit met de uitbouw van dat systeem begonnen zijn. Beknopt: omdat de vrije markt voor steeds toenemende en onhoudbare ongelijkheid zorgde.

Probeert u zich even voor te stellen dat u woont in een maatschappij waarin iedereen precies evenveel talenten en middelen heeft. U en uw medeburgers spreken af dat jullie gaan samenwerken, zonder inmenging van een overheid: jullie gaan samen voedsel produceren, huizen bouwen, kleding maken, enzovoort. Dan gaan jullie van elkaar goederen en diensten kopen. Telkens wanneer twee of meer mensen gaan samenwerken of dingen van elkaar kopen, spreken ze af wie wat bijdraagt, hoe de opbrengsten worden verdeeld, enzovoort. In de eerste fase van deze samenwerking zullen de afspraken nogal evenwichtig zijn: iedereen heeft immers evenveel talenten en middelen, iedereen is gebaat bij samenwerking. Maar aan het eind van de eerste fase zullen de enen wat meer overhouden dan de anderen - al was het om zuiver toevallige omstandigheden. Nu hebben diegenen die wat meer overhielden een klein beetje voorsprong op de anderen: iets meer middelen, waarvan ze een deel kunnen gebruiken om hun talenten - of die van hun kinderen - verder te ontwikkelen. In de tweede fase van de samenwerking zullen de afspraken al wat minder evenwichtig zijn: wie meer kan inbrengen, zal een ruimer deel van de opbrengst opeisen. Waardoor het verschil steeds groter wordt. Na enkele generaties zullen uw kleinkinderen deel uitmaken van een samenleving waarin een deel van de bevolking het leeuwendeel van de middelen controleert, en bovendien ook toegang heeft tot beter onderwijs, betere gezondheidszorg, enzovoort. Dat was de situatie waarin de meeste landen van Europa en Noord-Amerika zich bevonden aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw - zonder ooit door de ideale fase van absolute gelijkheid van kansen gegaan te zijn, overigens. Dat was de situatie waarin onze sociale bescherming werd uitgebouwd.

Sindsdien is de vrije markt wereldwijd uitgebouwd, en steeds dieper geïntegreerd. Sociale bescherming heeft die beweging niet gevolgd. Sociale bescherming is nationaal gebleven. Het ongelijkheid bevorderende effect van de vrije markt is mondiaal gegaan - de noodzakelijk correctie niet. Al in de jaren 1950 voorspelde Gunnar Myr-dal de gevolgen: de rijkste landen zouden rijker worden, de armste landen armer. Die voorspelling is uitgekomen, tenminste tot het eind van de 20ste eeuw. Vanaf het begin van de 21ste eeuw zien we een inhaalbeweging: de ongelijkheid tussen landen blijft bijzonder groot, maar neemt lichtjes af (tenminste als we het gemiddeld bnp per inwoner als graadmeter nemen). Maar achter die façade van afnemende ongelijkheid tussen de ‘gemiddelde inwoners’ van alle landen schuilt een toenemende ongelijkheid binnen zowat elk land van de wereld.

De verklaring is eenvoudig: de armere landen gaan de concurrentie aan met de rijkere landen door zo goedkoop mogelijke productievoorwaarden aan te bieden, en wanneer de economie aantrekt groeit de sociale bescherming niet (of niet even snel) mee. De rijkere landen zijn er lang in geslaagd om te compenseren door een steeds toenemende productiviteit - via steeds hoger en beter opgeleide werknemers - na te streven, maar beginnen nu ook door de knieën te gaan. Achter een ogenschijnlijk neutraal begrip als ‘loonkostenhandicap’ schuilt een voornemen om de loonkost te doen afnemen (of trager te doen groeien dan elders) en dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor de sociale bescherming. In een mondiale vrije markt zijn bindende afspraken tussen landen nodig over sociale bescherming. Op het eerste gezicht botst dat met het principe van de soevereine staat en het streven naar democratische besluitvorming, volgens dewelke elk land zelf moet kunnen beslissen hoe sterk of hoe zwak sociale bescherming zou moeten zijn. Fundamenteel is het echter niet anders dan afspreken dat er geen loodhoudende verf in kinderspeelgoed mag zitten: elk land kan dat soeverein naast zich neerleggen, maar moet dan aanvaarden dat andere landen geen speelgoed van dat land meer willen invoeren.

Wat heeft dat allemaal te maken met ‘een systeem van internationale financiering voor sociale bescherming’? In de huidige situatie, met nog steeds bijzonder grote ongelijkheid tussen landen, is het niet vanzelfsprekend dat bijvoorbeeld de Europese Unie van India eist dat de sociale bescherming daar substantieel moet toenemen, als voorwaarde in een toekomstig vrijhandelsverdrag. De overheid van India zal opwerpen dat het Europa enkel te doen is om het beschermen van haar concurrentiepositie, niet om de sociale bescherming van inwoners van India. Faire internationale afspraken over sociale bescherming vereisen dat de achterliggende principes ook internationaal worden toegepast: dat de inwoners van Europa en India ook solidair zijn met elkaar.

MONDIAAL MAATSCHAPPELIJK DEBAT

De idee roept meer vragen op dan momenteel beantwoord kunnen worden. Moeten er tussen nationale systemen en een mondiaal systeem ook regionale systemen komen? Streven we naar een enkel mondiaal systeem, of naar verschillende systemen: één voor gezondheid, één voor onderwijs, één voor pensioenen, enzovoort? Hoe ver gaan we in het koppelen van verschillende mensenrechten: verliest een land waar mensenrechtenactivisten (mond)dood worden gemaakt ook het recht op steun uit een mondiaal systeem voor sociale zekerheid? En vooral: wie gaat dit soort beslissingen nemen? Antwoorden op die vragen zullen echter pas worden gevonden wanneer voldoende mensen beseffen dat een mondiale vrije markt een mondiaal sociaal beleid vraagt. Deze campagne-eis wordt hopelijk het startpunt van een mondiaal maatschappelijk debat.

Gorik Ooms
Algemeen directeur van Protection International

sociale bescherming - sociaal beleid - vrije markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 8 (oktober), pagina 14 tot 17