Abonneer Log in

Onze afspraak met de geschiedenis

KLIMAATTOP PARIJS

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 72 tot 74

Het belang van de klimaattop in Parijs (30 november - 11 december) kan moeilijk worden onderschat. Het is een van de laatste momenten voor de internationale gemeenschap om een uit de hand lopende klimaatontregeling op deze planeet te stuiten. Om een zichzelf versterkende opwarming tegen te gaan, moet de opwarming beperkt blijven tot maximaal 2°C boven het pre-industriële niveau. Daarvoor moet de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met zo’n 40 tot 70% worden teruggedrongen en moeten we tegen het einde van de eeuw afscheid nemen van fossiele brandstoffen. Parijs is onze afspraak met de geschiedenis.

KLIMAATTOP PARIJS

Onze afspraak met de geschiedenis
Kathleen Van Brempt
Slechts een (veel te kleine) stap voorwaarts
Wendel Trio
Wat U kan doen aan klimaatverandering
Peter Niermeijer
Europa en de mythe van de onzichtbare overheid
Tomas Wyns
Revolutie met recht
Mil Kooyman

KAN PARIJS HET TIJ KEREN?

Slagen we er niet in de opwarming te beperken tot maximaal 2°C, dan mogen we ons verwachten aan een cascade van milieurampen, een eroderende biodiversiteit, smeltende ijskappen, stijgende zeespiegels, verdere woestijnvorming, meer en heviger overstromingen en tornado’s, mislukte oogsten en oprukkende ziektes... Deze milieucatastrofes zullen gepaard gaan met massale volksverhuizingen waartegen de huidige stroom oorlogsvluchtelingen klein bier is. Op enkele decennia tijd kan deze stroom aangroeien tot 200 miljoen mensen. Een ecologische, economische en maatschappelijke ontwrichting dus die het (over)leven op onze planeet sterk zal aantasten.

Kan Parijs dit tij keren? Eerdere spraakmakende klimaatconferenties leverden vaak grote teleurstellingen op. Denk maar aan Kopenhagen. Het protocol van Kyoto en enkele uitvoeringsakkoorden die daarop volgden, werden weliswaar een diplomatiek succes genoemd, een echt keerpunt in de wereldwijde koolstofvervuiling brachten ze niet. Sinds 1990 is de wereldwijde CO2-uitstoot met liefst 58% gestegen.

HAASJE-OVER

De zaken liggen nu anders. Het protocol van Kyoto draagt nog de stempel van de economische wereldorde van de jaren 1990. Toen was de wereld opgedeeld in twee categorieën: ontwikkelingslanden en industrielanden. Enkel die laatsten engageerde zich tot bindende afspraken. Vandaag is deze tweedeling vervaagd. Meer dan de helft van de uitstoot is afkomstig van opkomende economieën zoals China, India, Zuid-Afrika, Brazilië. De bedoeling van Parijs is om een nieuwe klimaatarchitectuur uit te tekenen waarbij alle landen binnen de eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden klimaatinspanningen aangaan. Alle landen werden uitgenodigd nationale beleidsplannen met doelstellingen (de zogenaamde Intended Nationally Determined Commitments - INDC’s) neer te leggen bij de VN. Meer dan driekwart van de landen - goed voor bijna 90% van de wereldwijde broeikasgasuitstoot - hebben dat ook gedaan. Waar opkomende economieën zich lange tijd het recht voorbehielden om zonder enige beperking op een vuile manier door te groeien - zoals de westerse wereld hen dat voordeed - zien we een omslag in beleid en denken. Snel goedkoper wordende schone technologieën en lokale problemen met luchtvervuiling maken dat landen als China en India - de eerste en derde grootste vervuiler ter wereld - in hun verdere ontwikkeling haasje-over springen. Landelijke gebieden worden bijvoorbeeld meteen via lokale hernieuwbare bronnen van stroom voorzien, zonder de vervuilende tussenstap van centrale productie op basis van steenkool.

KLIMAATFINANCIERING

Dat neemt niet weg dat de ‘oude’ industriële wereld nog altijd een historische verantwoordelijkheid draagt in de opwarming van het klimaat. Het leeuwendeel van de CO2-concentraties in de atmosfeer is afkomstig van fossiele brandstoffen die wij hebben opgestookt. Deze ecologische schuld moeten wij nog afbetalen. In Kopenhagen (2009) werd dan ook afgesproken dat de industrielanden tegen 2020 zo’n 100 miljard dollar per jaar zouden ophoesten om klimaatacties in ontwikkelingslanden te financieren. Dat wordt een hele uitdaging. De sociaaldemocraten dringen er al langer op aan om alternatieve financieringsbronnen aan te boren. Het gaat onder meer over een financiële transactietaks, een afroming van de opbrengst van de veiling van uitstootrechten in een hervormd emissiehandelsysteem of een belasting op de uitstoot van het internationale lucht- en scheepvaartverkeer. Het belasten van de uitstoot van het lucht- en scheepvaartverkeer kan helpen om ook deze transportsectoren te vergroenen. Dat is nodig omdat ze evenveel uitstoten als Duitsland en Zuid-Korea samen en nog sterk gaan groeien tegen 2050.

DE EUROPESE AVANT-GARDE

Europa moet alvast niet met blozende kaken aan de onderhandelingstafel verschijnen. Integendeel. De Europese doelstelling van 20% minder uitstoot tegen 2020 (t.o.v. 1990) halen we met de vingers in de neus. De Europese uitstoot ligt nu al 23% lager en dit terwijl onze economie sinds 1990 de helft groter is geworden. Het 20/20/20-beleid vormde de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de Europese cleantech-industrie die ondertussen meer dan 4,2 miljoen mensen tewerkstelt en ook tijdens de Europese crisis is blijven groeien.

Maar het Europees wereldmarktleiderschap in schone technologieën is niet verworven. In 2013, bijvoorbeeld, investeerde China meer in hernieuwbare energie dan de hele EU samen. Om de voortrekkersrol van de Europese cleantech-industrie veilig te stellen en een ambitieus akkoord in Parijs meer kansen te geven, moeten de ambities van het Europees klimaat- en energiebeleid opnieuw worden aangescherpt. Daartoe hebben we ook opgeroepen in de door het Europees Parlement aangenomen resolutie van onze sociaaldemocratische collega Gilles Pargneaux. Een ambitieuzer Europees beleid moet ervoor zorgen dat de sterk opgelopen laag-rentende spaartegoeden en de enorme pool aan on(der)-benutte talenten aan het werk gezet worden in een nieuwe golf van innovatieve en duurzame investeringen die ons doen afkicken van onze olie- en gasverslaving. Geld uitgeven aan het onderzoek, de ontwikkeling en de ontplooiing van hernieuwbare energie en energiebesparing, in plaats van aan de invoer van fossiele brandstoffen die erdoor worden uitgespaard, is niet alleen goed voor onze handelsbalans, ons klimaat en onze luchtkwaliteit. Het brengt ook extra jobs op en nieuwe technologieën die kunnen worden geëxporteerd. Nieuwe technologieën moeten ons afscheid doen nemen van het koolstoftijdperk. Niet omdat we door de voorraden aan steenkool, aardgas en aardolie zouden zitten, maar omdat er schonere en goedkopere alternatieven voor in de plaats komen. Het stenen tijdperk is ten slotte ook niet opgehouden omdat de stenen op waren.

NAAR EEN ‘TRAGEDY OF THE ATMOSPHERIC COMMONS’?

Dat elke natiestaat via eigen nationale beleidsplannen (de INDC’s) zijn bijdrage levert, heeft zijn voordelen. De plannen komen bottom-up tot stand en worden niet van bovenaf door de VN gedicteerd zoals bij Kyoto. Dit creëert ownership, zorgt voor een mentale betrokkenheid en verhoogt de kans op realisatie. Maar deze benadering heeft ook veel weg van een ‘rondje met de pet’, waarbij aan elke deelnemer een ‘vrijwillige bijdrage’ wordt gevraagd. Zelden wordt genoeg opgehaald om het feestje te betalen. Ook hier dreigt de som van de vrijwillige bijdrages tekort te schieten om de klimaatopwarming effectief een halt toe te roepen. Uit een hoorzitting in het Europees Parlement met Christiana Figueres, de grote baas van het klimaatsecretariaat van de VN, bleek alvast dat alle op dat moment ingediende plannen tot een opwarming van 3°C zouden leiden. Dat is uiteraard al beter dan de 4,5°C opwarming die zou volgen zonder Parijs, maar nog ver af van de 2°C die de wetenschap en het klimaat ons vragen. Het akkoord van Parijs wil dit oplossen met periodieke aanscherpingen van de nationale inspanningen om de vijf jaar. Of dit zal werken, is nog maar de vraag.

Ons Westfaals natiestaatsysteem, waarbij sinds de Vrede van Westfalen de natiestaat het hoogste soeverein gezag vormt en geen enkele natie kan worden gedwongen deel te nemen aan een internationaal verdrag, wordt hier op zijn limieten getest. Als nationale realpolitik of geopolitiek - met zijn neiging tot vrijbuitersgedrag - ons blijft opzadelen met een mondiale ‘tragedy of the atmospheric commons’ heeft dit systeem zijn failliet bewezen. Dan rest ons enkel nog een institutionele revolutie die werk maakt van een ‘biosfeerpolitiek’ gestoeld op een soevereiniteit van de aarde. Het is vijf voor twaalf. Paris s’ éveille.

Kathleen Van Brempt
Europarlementslid en vice-voorzitter Socialists & Democrats (S&D) bevoegd voor duurzaamheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 72 tot 74