Abonneer Log in

Wat U kan doen aan klimaatverandering

KLIMAATTOP PARIJS

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 79 tot 82

De elektriciteitsproductie draagt 40% bij aan de energie gerelateerde CO2-uitstoot. Elektriciteit is evenwel geen gewoon product: je kunt het niet opslaan en wat je opwekt moet in dezelfde seconde gebruikt worden. De elektriciteit zelf is dus nooit anders, maar wel de manier waarop je deze opwekt. Net op dat vlak heeft de elektriciteitsverbruiker, U dus, potentieel een grote invloed op het bestrijden van klimaatverandering. Besparingen op het elektriciteitsverbruik staat met stip boven aan. Daarnaast doet de verbruiker er goed aan bewust te kiezen voor duurzame elektriciteit om zijn of haar CO2-voetafdruk te verkleinen.

KLIMAATTOP PARIJS

Onze afspraak met de geschiedenis
Kathleen Van Brempt
Slechts een (veel te kleine) stap voorwaarts
Wendel Trio
Wat U kan doen aan klimaatverandering
Peter Niermeijer
Europa en de mythe van de onzichtbare overheid
Tomas Wyns
Revolutie met recht
Mil Kooyman

HET VERLAGEN VAN DE CO2-VOETAFDRUK

Het antwoord op de vraag wat de elektriciteitsverbruiker kan doen aan klimaatverandering is simpel. Twee zaken. Een. Het allerbeste is natuurlijk om helemaal geen, of veel minder, elektriciteit te gebruiken. Werken aan energiebesparing, dus, ook voor het elektriciteitsverbruik. Vriend en vijand is het eens met deze stelling. Twee. Zijn alle besparingsopties uitgevoerd dan heeft de elektriciteitsverbruiker de mogelijkheid een elektriciteitsproduct te kiezen met een lage emissiefactor.

De vraag is echter: hoe weten we nu dat de elektriciteitsverbruiker de juiste keuzes heeft gemaakt? Om dit transparant en controleerbaar te maken, zal de elektriciteitsverbruiker in de eerste plaats periodiek zijn elektriciteitsverbruik moeten rapporteren. De stakeholders kunnen zo volgen of het gelukt is de elektriciteitsvraag naar beneden te brengen. In de tweede plaats zal de verbruiker periodiek zijn CO2-voetafdruk moeten rapporteren als maat voor zijn bijdrage aan klimaatverandering. Deze is: het elektriciteitsverbruik vermenigvuldigd met de emissiefactor van de ingekochte elektriciteit. Ook hier kunnen de stakeholders volgen wat de vorderingen zijn. De CO2-voetafdruk kan dus naar beneden door twee zaken: door minder elektriciteit te verbruiken of door bewust te kiezen voor stroom met een lagere emissiefactor. Transparanter kan niet.

Er bestaan echter nauwelijks of geen wetten die voorschrijven hoe bedrijven moeten rapporteren over de milieueffecten in het algemeen en elektriciteitsverbruik en uitstoot van broeikasgassen in het bijzonder. In de praktijk zien we echter een duidelijke ontwikkeling. Op wereldschaal en op vrijwillige basis worden standaarden ontwikkeld waaraan de bedrijven zich engageren. Deze vrijwillige afspraken zijn altijd gebaseerd op twee pijlers, (1) transparantie en (2) toetsing en verificatie door derden. Al mag het natuurlijk niet zo zijn dat de slager zijn eigen vlees keurt.

HET TONEN VAN LEIDERSCHAP ALS BEDRIJF

Om de vergelijkbaarheid over de hele wereld te garanderen, is een wereldwijde standaard ontwikkeld voor het rapporteren van de milieueffecten van bedrijven. Deze standaard wordt beheerd door Global Reporting Initiative (GRI). Voor energie, en in het bijzonder de effecten voor klimaatverandering, verwijst GRI naar andere wereldwijde standaards. Voor klimaatverandering en water is CDP (voorheen Carbon Disclosure Project) de belangrijkste. Zo’n 80% van de ‘Fortune 500 bedrijven’ rapporteert aan CDP. Voor het berekenen van de CO2-voetafdruk, als maat voor klimaatverandering, maakt CDP gebruik van het zogenaamde Green House Gas Protocol (GHG-P), de wereldwijde guideline for carbon footprinting, uitgegeven door World Research Institute (WRI) in samenwerking met de World Business Council for Sustainable Development (WBSD).

De ontwikkelingen rondom het Green House Gas Protocol (GHG-P) van de laatste vijf jaar zijn interessant. In februari 2015 verscheen een herziene versie van het GHG-P. Centraal stond de vraag of het gebruik van ‘attribute tracking certificates’, die in Europa bekend staan als ‘Garanties van Oorsprong’ (GvO), toegestaan zijn voor het benoemen van de emissiefactor van geleverde elektriciteit en dus de te claimen CO2-voetafdruk. Tegenstanders waren van mening dat er gewerkt moest worden met de gemiddelde emissiefactor van alle geproduceerde elektriciteit (vaak aangeduid met de term ‘productiemix’). Voorstanders brachten naar voor voren dat blijkbaar bekend is wat de emissies zijn van bestaande productie-eenheden en dat je veel fijnmaziger de bekende emissies met de ‘Garanties van Oorsprong’ (GvO) kunt toebedelen (alloceren) aan specifieke verbruikers (vaak aangeduid met de term ‘consumptiemix’). Voorwaarde is wel dat in die situatie de andere verbruikers die geen bewuste keuze maken voor een elektriciteitsproduct met een bekende emissiefactor en dus de GvO niet hebben gebruikt, de gemiddelde emissiefactor toebedeeld krijgen van de overgebleven elektriciteit die niet met een GvO is toebedeeld aan specifieke verbruikers (vaak aangeduid met de term ‘residual mix’). De uitkomst van deze heftige, zij het technische, discussie is dat het GHG-P voorschrijft dat verbruikers hun CO2-voetafdruk rapporteren met beide benaderingen: de ‘productiemix’ en de ‘consumptiemix’.

Deze duale rapportering geeft met name in Noorwegen een interessante uitkomst. Daar is nagenoeg de totale productie duurzaam, maar exporteren de Noren 80% van hun duurzame elektriciteit. In de plaats komt fossiele en nucleaire elektriciteit terug, de zogenaamde ‘residual mix’ (deze is in Noorwegen in de wet vastgelegd en kent een relatief hoge emissiefactor). Als bedrijven rapporteren op basis van de productiemix, dan hebben alle verbruikers een CO2-voetafdruk van 0. Maar als bedrijven rapporteren op basis van de consumptiemix, dan hebben alleen die bedrijven die bewust kiezen voor duurzame elektriciteit en dus gebruik hebben gemaakt van de GvO een CO2-voetafdruk van 0. Alle andere bedrijven, die geen bewuste keuze maken voor een elektriciteitsproduct, hebben dan een relatief hoge CO2-voetafdruk. Het is de verwachting dat deze laatste groep bedrijven hierop zal worden aangesproken en zal worden gevraagd waarom zij niet bewust gekozen hebben voor duurzame elektriciteit.

HET TONEN VAN LEIDERSCHAP ALS VERBRUIKER

De centrale vraag is echter: creëert een verbruiker, U dus, toegevoegde waarde door bewust te kiezen voor duurzame elektriciteit? Deze vraag kan positief en negatief beantwoord worden. Positief omdat bewust kiezen natuurlijk beter is dan geen keuze maken: als iedereen voor duurzaam opgewekte stroom zou kiezen, kunnen we de kolencentrales sluiten. Negatief omdat zowel het toepassen van de productiemix als het toepassen van de consumptiemix niets verandert aan de productiezijde. Dit kan ook niet anders omdat je met het berekenen van een CO2-voetafdruk de bestaande emissies aan productiezijde toebedeelt (alloceert) aan de verbruikers. De totale capaciteit duurzame elektriciteit verandert niet door de reeds geproduceerde elektriciteit toe te bedelen aan verbruikers.

Het hanteren van de consumptiemix, en dus het gebruik van de ‘Garanties van Oorsprong’ (GvO), heeft echter wel de potentie om toegevoegde waarde te creëren. Iets wat het gebruik van de productiemix nooit zal hebben.

In de eerste plaats is het natuurlijk zo dat hoe meer verbruikers kiezen voor duurzame elektriciteit, hoe meer bijkomend geïnvesteerd zal worden in productie van elektriciteit door middel van duurzame bronnen. Je kan dit een collectieve toegevoegde waarde noemen. Vergelijk dit met andere markten: het aanbod zal zich richten naar de vraag. Het bewust kiezen van duurzame elektriciteit is op zich al een vorm van leiderschap, zou je kunnen zeggen. In dat verband tonen de verbruikers in Noorwegen die bewust kiezen voor groene elektriciteit een vorm van leiderschap. Uit cijfers blijkt dat er evenveel ‘leiders’ zijn in Noorwegen als in België of in Nederland, om maar een paar voortrekkerslanden te noemen.

In de tweede plaats kan je als verbruiker leiderschap tonen door voor meerdere jaren afspraken te maken voor de inkoop van duurzame elektriciteit. Met een goed zicht op de prijzen in de toekomst komen nieuwe projecten gemakkelijker van de grond. Vergeet niet dat als een verbruiker eenmaal gekozen heeft voor inkoop van duurzame elektriciteit deze er min of meer voor altijd aan vast zit. Op het moment dat de verbruiker overgaat op inkoop van de residual mix, en dus geen bewuste keuze maakt, loopt de CO2-voetafdruk meteen op. In het huidige tijdsgewricht zal de verbruiker hier direct op worden aangesproken door de stakeholders.

Een andere vorm van leiderschap is het kiezen voor duurzaam opgewekte elektriciteit die de elektriciteitsklant als duurzamer beoordeelt dan andere duurzame elektriciteit. Elektriciteit uit een windturbine die in een vogelbroedgebied staat is duidelijk minder ‘duurzaam’ dan elektriciteit uit een windturbine die de biodiversiteit niet aantast. Natuurlijk zou regelgeving moeten verhinderen dat windmolens geplaatst worden in vogelbroedgebieden. In dit specifieke voorbeeld blijkt niet elk Europees land op dezelfde manier om te gaan met duurzaamheidscriteria. De criteria van een milieukeur zijn daarom in een aantal landen bovenwettelijk. In Europa is het initiatief genomen voor Europees brede criteria voor duurzaamheid. We verwijzen naar EKOenergy, een Europees keurmerk voor elektriciteit. Door te kiezen voor elektriciteit met een keurmerk toon je als verbruiker ook leiderschap.

Het moge duidelijk zijn: ook de elektriciteitsverbruiker, U dus, heeft potentieel een grote invloed op het bestrijden van klimaatverandering.

INTERFERENTIE MET ANDERE KLIMAATINSTRUMENTEN

Maar er zijn ook andere klimaatinstrumenten. De bekendste daarvan is het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Dit is een handelssysteem voor emissierechten tussen producenten van elektriciteit. Daarnaast zijn markten ontstaan voor projecten die aantoonbaar wereldwijde CO2-emissies hebben gereduceerd. Denk daarbij aan het planten van bomen, waar dan ook ter wereld, die de CO2 uit de lucht nemen en vastleggen in hout. Deze emissiereductie-projecten worden gebruikt voor compensatie van de eigen emissies. Het is een soort afkoopregeling: je hebt wel een zeker CO2-voetafdruk, maar tegelijkertijd zorg je ervoor dat die emissies worden gecompenseerd en je dus netto klimaatneutraal bent. Al deze CO2-instrumenten hebben echter geen interactie met het vraagstuk over hoe je de feitelijke koolstofemissies bij productie van elektriciteit moet toebedelen aan de verbruikers van die elektriciteit.

Peter Niermeijer
Secretaris-generaal van RECS International, non-profit organisatie die streeft naar een open pan-Europese hernieuwbare energie markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 79 tot 82