Abonneer Log in

Slechts een (veel te kleine) stap voorwaarts

KLIMAATTOP PARIJS

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 75 tot 78

De kans is groot dat we in Parijs weliswaar duidelijke engagementen gaan krijgen van alle landen, maar dat deze allicht niet langer bindend zullen zijn. Voor niemand. Het is maar de vraag of ze ambitieus genoeg zullen zijn om de ergste impact van de klimaatwijziging te voorkomen, en of ze voldoende rechtvaardig zullen zijn om de armsten en meest kwetsbare gemeenschappen te ondersteunen in hun strijd tegen de impact van de klimaatwijziging. In deze bijdrage bekijken we de internationale klimaatonderhandelingen vanuit ngo-perspectief.

KLIMAATTOP PARIJS

Onze afspraak met de geschiedenis
Kathleen Van Brempt
Slechts een (veel te kleine) stap voorwaarts
Wendel Trio
Wat U kan doen aan klimaatverandering
Peter Niermeijer
Europa en de mythe van de onzichtbare overheid
Tomas Wyns
Revolutie met recht
Mil Kooyman

DE AANLOOP

Begin december verzamelen duizenden onderhandelaars, ministers en regeringsleiders op de klimaattop in Parijs, om een bijkomende stap te zetten in de uitbouw van een rechtvaardig, ambitieus en dwingend intergouvernementeel systeem om de opwarming van de aarde te bestrijden. De eerste bijdrage was het Protocol van Kyoto (1997) dat dwingende emissiereductiedoelstellingen voorzag voor de rijkere landen tegen 2012. In Kopenhagen (2009) wilde men een tweede spoor opzetten, voor de periode tot 2020, met ook dwingende doelstellingen voor de ontwikkelingslanden. Dat is echter niet gelukt. Na de teleurstellende top in Kopenhagen zitten we met een dubbel systeem: een verderzetting van dwingende doelstellingen voor de Europese Unie en een paar andere landen in ‘Kyoto-bis’ en eerder vrijblijvende doelstellingen voor alle andere geïndustrialiseerde landen en een belangrijk deel van de ontwikkelingslanden voor de periode 2013 tot 2020.

PARIJS IS GEEN KOPENHAGEN

Niettegenstaande dit lijkt het zeer waarschijnlijk dat de top in Parijs, in tegenstelling tot die van Kopenhagen, niet als een mislukking zal worden gekenmerkt. Dat heeft vele redenen. De belangrijkste is waarschijnlijk de inspanning van het Franse voorzitterschap van de top, maar ook van de meeste landen, om de verwachtingen sterk te temperen. Het politieke realisme overheerst; het idealisme is zeer beperkt. Ook voor de niet-gouvernementele organisaties die de klimaatonderhandelingen opvolgen, is het belangrijk dat erkend wordt dat Parijs het klimaatprobleem niet zal kunnen oplossen. Het is voor de klimaatbeweging essentieel om duidelijk te maken dat het werk niet stopt in Parijs, dat er ook daarna nog veel werk op de plank ligt, dat het belangrijk is om te blijven mobiliseren en er voor te zorgen dat wat er ook uit Parijs komt een stimulans moet zijn voor verdere actie op nationaal niveau.

En er is uiteraard de realiteit op het terrein. Sinds 2009 zit hernieuwbare energie in de lift. En in vele gevallen is de kostprijs van wind- en zonne-energie zodanig verlaagd dat deze kost-competitief zijn met fossiele brandstoffen. Dit zorgt voor een nieuwe kijk op de transitie, weg van de koolstofeconomie. De laatste maanden zagen we een hele reeks bedrijven, groot en klein, zich duidelijk uitspreken ten voordele van de transitie van steenkool, gas en olie naar een energiesysteem gebaseerd op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie.

EINDE VAN DE FOSSIELE BRANDSTOFFEN

Voor ngo’s moet Parijs dan ook het einde inluiden van het tijdperk van de fossiele brandstoffen. Een duidelijke ondersteuning door alle VN-leden van de noodzaak om af te stappen van het gebruik van fossiele brandstoffen, is het minimum dat van de top mag worden verwacht. De G7 in juni 2015, onder impuls van Angela Merkel, besliste al om fossiele brandstoffen te bannen tijdens het tweede helft van de 21ste eeuw. Als we de ergste gevolgen van de klimaatwijziging willen voorkomen, zal het zelfs nog sneller moeten. Als we een fatsoenlijke kans willen maken om de opwarming van de aarde onder de symbolische grens van de 2 graden Celsius te houden, moeten we het gebruik van fossiele brandstoffen stopzetten voor het midden van deze eeuw. Voor een beperking van de temperatuur beneden de 1,5 graad Celsius zoals de meeste ontwikkelingslanden willen (nota bene, zij die het meest kwetsbaar zijn voor de impact van de klimaatwijziging), zal het zelfs nog sneller moeten.

VOORLOPIG NIET SNEL GENOEG

In de aanloop naar de Top hebben het overgrote deel van de landen hun doelstellingen voor 2025 en/of 2030 geformuleerd. Dit zullen allicht vrijblijvende doelstellingen blijven. De Verenigde Staten verzetten zich sterk tegen het bindend maken van deze doelstellingen. Het blijft dus de vraag of deze doelstellingen überhaupt volledig zullen worden uitgevoerd.

Maar zelfs indien al deze doelstellingen volledig zouden worden uitgevoerd, dan nog komen we voorlopig niet ver genoeg. Berekeningen van diverse instanties leren ons dat in het meest optimistische geval, de huidige doelstellingen ons een traject opleveren dat de temperatuurwijziging tot 2,7 graden Celsius zou beperken. Volgens vele wetenschappers is dit een rampscenario waarvan we de gevolgen voorlopig niet kunnen inschatten.

Op zich is het niet verwonderlijk dat de huidige voorstellen onvoldoende zijn. Wanneer landen op puur vrijwillige basis hun engagement bepalen, is het weinig waarschijnlijk dat ze het onderste uit de kast halen. Daarom is een herziening van deze engagementen nodig. Bij voorkeur zou dit voor Parijs moeten gebeuren. Het is immers nu dat er een momentum is, in de wetenschap dat alle landen zich engageren, om de nationale engagementen te herzien. Voor de Europese Unie betekent dit dat ze hun vrij bescheiden engagement om 40% van de uitstoot te beperken tegen 2030 substantieel verhogen. Allicht zit de EU al aan -30% in 2020, met een gemiddelde uitstootbeperking van 2% of meer per jaar in het huidige decennium. Het engagement van -40% zou een gevoelige verzwakking zijn van het huidige tempo, terwijl we net een verhoging van de inspanning nodig hebben.

NIET ALLEEN UITSTOOT BEPERKEN

Het is belangrijk dat er in Parijs niet alleen een akkoord komt over hoe de uitstoot van broeikasgassen te beperken, maar ook dat er afspraken worden gemaakt over hoe ontwikkelingslanden zullen worden ondersteund in het voorkomen van de negatieve impacten en zullen worden geholpen om de schade van de klimaatsimpacten te herstellen. Het is voor ontwikkelingslanden uiterst belangrijk dat deze twee thema’s adequaat worden behandeld. De armste landen, die het minst hebben bijgedragen aan het klimaatprobleem, worden vaak het hardst getroffen, terwijl zij net niet de capaciteit hebben om zich voor te bereiden op stormen, overstromingen, grote droogtes, enzovoort.

Daarom is het belangrijk dat de rijkere landen, zowel de traditionele geïndustrialiseerde landen als de nieuwe industrielanden, klaarheid scheppen over hun financiële bijdragen na 2020, wanneer de belofte om jaarlijks 100 miljard dollar op tafel te leggen, ten einde komt. Voorlopig is er op dat vlak nog niets gebeurd. Ook de Europese Unie is niet verder gekomen dan de vage belofte dat ze geld zal blijven voorzien. Daarbij is het ook van belang voor de armste landen dat het gaat om bijkomende geldstromen. Klimaatfinanciering mag niet ten koste gaan van de broodnodige steun voor gezondheidszorg en onderwijs. Anders blijven ontwikkelingslanden natuurlijk zelf opdraaien voor de bijkomende kosten.

VERWACHTINGEN?

Na de laatste onderhandelingssessie, in Bonn eind oktober, is de vraag die iedereen zich stelt: wat mag er nu van de klimaattop in Parijs verwacht worden? Zoals eerder aangehaald, lijkt het waarschijnlijk dat er wel een akkoord uit de bus komt. Allicht wordt een akkoord bereikt dat te kort zal schieten om ons op weg te zetten naar het beperken van de temperatuurwijziging onder de 2 graden Celsius. Dit akkoord zal uit verschillende delen bestaan: een juridisch akkoord en een aantal niet bindende besluiten en annexen. Het juridische deel zal - allicht - spijtig genoeg redelijk vaag blijven, met de concrete doelstellingen voor emissiereducties eerder in de annexen en niet in het juridisch bindende deel.

Voor ngo’s wordt het in het bijzonder uitkijken naar wat er in Parijs beslist wordt over de volgende vijf belangrijke termen:

  • decarbonisation: zal het akkoord een erkenning inhouden dat er een einde komt aan het gebruik van fossiele brandstoffen? En, en indien ja, zal het een concrete tijdslijn bevatten?

  • review: zal het akkoord een bepaling bevatten die voorziet in een herziening van de nationale emissiereductie-engagementen? En vooral, wat zal de tijdslijn zijn van deze herziening? Zal dit nog gebeuren voor 2020, en dus voor deze engagementen van start gaan, of moeten we wachten tot pakweg 2025 om verbeteringen te krijgen in de huidige inadequate engagementen?

  • pre-2020: zullen er in Parijs ook afspraken gemaakt worden die rekening houden met de urgentie om ook op korte termijn, dus nog voor 2020, de uitstoot van broeikasgassen verder te beperken?

  • loss and damage: zal er in Parijs een duidelijke erkenning komen van geïndustrialiseerde landen dat ze een historische verantwoordelijkheid hebben voor de klimaatsverandering (in de wetenschap dat bijvoorbeeld CO2 meer dan 100 jaar actief blijft in de atmosfeer), en dus ook dat ze een verantwoordelijkheid hebben om de schade van hun historische uitstoot te vergoeden?

  • climate finance: zal er in Parijs niet alleen meer duidelijkheid komen over de jaarlijkse 100 miljard dollar die geïndustrialiseerde landen beloofd hebben tegen 2020, maar vooral: zal er in Parijs voldoende duidelijkheid komen over hoe de klimaatfinanciering er na 2020 zal uitzien met voldoende zekerheid voor de armste landen over wat ze mogen verwachten?

Wendel Trio
Directeur Climate Action Network Europe

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 75 tot 78