Abonneer Log in

Hoe eurosceptisch is de Vlaming?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 30 tot 37

Sinds de jaren 1990 is de publieke consensus over het Europese project almaar afgenomen. Meer recent wordt het verhevigde euroscepticisme het best geïllustreerd door de Brexit-stem in het Verenigd Koninkrijk, het grote electorale succes van eurokritische partijen en de toenemende publieke ontgoocheling over de Europese integratie. Zowel vanuit linkse als rechtse hoek worden er dan ook heel wat vraagtekens geplaatst bij de richting die de EU dient in te slaan, en blijft de koers van de EU – zeker na het Brexit-referendum – hoogst onduidelijk.

In dit artikel gaan we na in welke mate Vlamingen het Europese project steunen.i Aan de hand van het Belgisch Nationaal Verkiezingsonderzoek 2014 (Abts et al., 2015)ii schetsen we een beeld van het euroscepticisme in de Vlaamse publieke opinie.iii

KRITIEK OP VERDERE EUROPESE INTEGRATIE

Opinieonderzoek toont keer op keer aan dat Vlamingen het EU-lidmaatschap als een goede zaak zien en relatief optimistisch zijn over het Europese integratieproces, maar dat verdere integratie en uitbreiding even niet meer hoeven.

Vooreerst blijkt uit de European Social Survey 2016 dat Vlamingen – in vergelijking met inwoners van andere EU-landen – relatief positief staan ten opzichte van het EU-lidmaatschap. Slechts 15% van de Vlaamse respondenten geven aan dat ze in een referendum voor een 'opt out' zouden stemmen (Figuur 1). Dit cijfer is gelijkaardig in Franstalig België, maar opvallend lager dan in Nederland, Frankrijk en Italië. Naast buitenbeentje VK zijn Tsjechië en Finland de meest eurokritische landen, waar één op vier respondenten ervoor pleit om de EU te verlaten. Het ISPO Verkiezingsonderzoek laat dezelfde tendens zien. Zo is amper 14% van de Vlamingen het er mee eens dat België beter uit de EU zou stappen en beschouwt één op twee het EU-lidmaatschap als een goede zaak, terwijl een aanzienlijke groep van 38% het EU-lidmaatschap als noch goed, noch slecht aanziet.

Hoewel de Vlaming eerder positief staat ten aanzien van het EU-lidmaatschap, betekent dit nog niet dat men vindt dat de Europese eenwording ongebreideld verder moet gaan. In de praktijk voltrekt Europese integratie zich gradueel via processen van uitbreiding en verdieping. De grootste EU-uitbreiding vond begin jaren 2000 plaats. Zo werden Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië in 2004 lid van de EU, terwijl Bulgarije en Roemenië in 2007 toetraden. Deze uitbreiding wordt maar moeilijk verteerd door de publieke opinie. Maar liefst de helft van de Vlamingen vindt de uitbreiding met Oost-Europese landen een slechte zaak (48,4%), terwijl slechts 17,2% uitgesproken positief staat tegenover de uitbreiding. Ongeveer één op drie Vlamingen is onbeslist. Dit geeft aan dat heel wat burgers de uitbreiding in oostelijke richting nog steeds als een brug te ver ervaren.

De kritiek op de EU richt zich echter niet louter op de geografische 'grootheidswaan'. Heel wat burgers vinden ook dat het proces van verdieping – in casu de overdracht van bevoegdheden naar het Europese niveau via Europese verdragen – niet verder dient te gaan, dan wel teruggedraaid dient te worden. Zo blijkt iets meer dan de helft van de Vlamingen tevreden te zijn met de huidige bevoegdheidsverdeling tussen het nationale niveau en de Europese Unie. Zij pleiten voor een status quo wat verdieping betreft. Eén op drie Vlamingen wil de huidige bevoegdheden van de Europese Unie zelfs terug afbouwen, terwijl daarentegen slechts één op zes openstaat voor een verdere verdieping en de bevoegdheden van de EU graag verder ziet uitbreiden in de toekomst.

KRITIEK OP HET FUNCTIONEREN VAN DE EU

Hoewel de Vlaming over het algemeen behoorlijk pro-EU gezind is – zeker wanneer we Vlaanderen vergelijken met de rest van Europa – neemt dit niet weg dat er heel wat scepticisme leeft over hoe het Europese project er dient uit te zien. Zo is er heel wat kritiek op het democratische gehalte van de EU, op de gevolgen van de Europese integratie voor de arbeidsmarkt en op het solidariteitsvraagstuk in tijden van Europeanisering.

1. Het democratisch deficit

De legitimiteit van de EU staat stevig onder druk omwille van het zogenaamde democratische tekort wat betreft de manier waarop de besluitvorming binnen de instellingen verloopt en de belangen vertegenwoordigd worden. Slechts drie op de tien Vlamingen zijn tevreden over de werking van de democratie in de EU, terwijl twee op tien uitgesproken ontevreden zijn. Bij heel wat Europeanen leeft het gevoel dat zijzelf en hun land maar weinig invloed hebben op wat er op Europees niveau beslist wordt. Dit blijkt duidelijk ook het geval te zijn in Vlaanderen: slechts een kwart van de Vlamingen vindt dat de belangen van België voldoende behartigd worden in de EU en amper één op de tien Vlaamse kiezers is ervan overtuigd dat de Europese burgers voldoende inspraak hebben in het Europese beleid. Daarnaast zou de EU te veel de belangen van de grote bedrijven en de grootste lidstaten verdedigen. Niet minder dan zes op tien Vlamingen zijn van mening dat de grootste landen te veel macht hebben in de EU, terwijl 40% beaamt dat de EU alleen de belangen van de grote bedrijven, niet van haar burgers verdedigt.

Opvallend is tegelijkertijd dat er relatief weinig interesse is voor het reilen en zeilen van de Europese Unie. Zo blijkt acht op de tien Vlaamse kiezers eerder weinig tot geen interesse in de Europese politiek te hebben. De combinatie van stevige kritiek op de besluitvorming en de grote desinteresse in Europa, is een potentiële voedingsbodem voor het populisme dat zich ostentatief afkeert van de gevestigde politiek en het Europese establishment aanwijst als de voornaamste verantwoordelijke voor de hedendaagse malaise. In deze populistische diagnose heeft het geen zin om zich langer in te laten met Europa, aangezien de EU toch niet langer de belangen en waarden van het 'gewone volk', maar wel van de machtigen en de Andere, verdedigt.

2. De arbeidsmarkt onder druk

Het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal is één van de basisprincipes waarop het Europees project gestoeld is. Toch stuiten deze principes op kritiek vanuit de bevolking. Wat betreft het vrij verkeer van personen vindt iets minder dan één op de twee Vlamingen (45,7%) het een goede zaak dat Europa het eenvoudig maakt voor burgers van EU-landen om in België te komen werken en voor Belgen om in andere EU-landen te gaan werken. Daarentegen vindt 26,1% het een uitgesproken slechte zaak. Sinds het ontstaan van de EU wordt dan ook kritiek geuit op de impact van Europese (economische) integratie op de nationale arbeidsmarkten. Vandaag wordt Europese integratie vaak geassocieerd met sociale dumping die de arbeidsmarkt verziekt. In deze redenering leidt de eenzijdige aandacht voor economische integratie ertoe dat Belgische werknemers uit de markt worden geprijsd, terwijl Oost-Europese werknemers via detachering uitgebuit worden.

Uit onze gegevens blijkt dat nogal wat Vlamingen bezorgd zijn om de economische gevolgen van Europese integratie voor de Belgische arbeidsmarkt. Zo vindt 56,3% van het Vlaamse electoraat dat de loon-en arbeidsvoorwaarden te veel onder druk komen te staan door de uitbreiding van de EU. Driekwart van de Vlamingen is van mening dat Oost-Europese werknemers in België onder dezelfde arbeids- en loonvoorwaarden moeten werken als Belgen. De angst voor een verlies aan jobs wordt verder bevestigd, aangezien maar liefst acht op de tien Vlamingen aangeven dat de uitbreiding van de EU ertoe leidt dat te veel bedrijven België verlaten ten gunste van landen met lagere loonkosten.

Om het onevenwicht op de arbeidsmarkt te herstellen zou de invoering van een Europees minimumloon soelaas kunnen bieden (De Spiegelaere & Pintelon, 2014). Een Europees minimumloon zou verschillen van land tot land afhankelijk maken van de levenskosten (bijvoorbeeld 60% van het mediaanloon), maar verplicht werkgevers wel om een loon uit te betalen dat een redelijke levensstandaard garandeert in het land van de tewerkstelling. Uit het Verkiezingsonderzoek 2014 blijkt dat zeven op de tien Vlamingen voorstander is van een Europees minimumloon door de EU. Deze relatief sterke steun voor een Europees minimumloon wijst erop dat sociale beleidsinstrumenten van de EU door de Vlaming als wenselijk worden aanzien. Zo blijkt ook dat de Vlaamse kiezers verdeeld zijn wat betreft de hoofddoelstellingen van de EU. Terwijl 44,9% van het Vlaams electoraat vindt dat de hoofddoelstelling van de Europese Unie er in moet bestaan de Europese economie competitiever en vrijer te maken op de wereldmarkt, is 55,1% van mening dat de hoofddoelstelling van de EU er moet in bestaan een degelijke sociale zekerheid te voorzien voor al haar burgers. Deze cijfers illustreren dat een omvangrijke groep Vlamingen vindt dat de EU niet louter naar haar economische rechterhand, maar tevens naar het sociale linkerhand moet kijken. Hieruit blijkt tevens heel wat kritiek op het tekort aan aandacht voor de sociale dimensie van de EU.

3. Het solidariteitsvraagstuk

Hoewel sociaal beleid aanvankelijk niet op de EU-agenda stond, krijgt de sociale component van Europese integratie of een 'Sociaal Europa' gaandeweg meer aandacht. Zo zorgen de EU-regels rond de coördinatie van socialezekerheidsstelsels ervoor dat EU-burgers dezelfde sociale voordelen genieten als onderdanen van het land waar zij werken, en dat burgers in een andere lidstaat met pensioen kunnen gaan. Tevens zijn er bijvoorbeeld sociale regels rond de minimumduur van het moederschapsverlof en investeert de EU in het herscholen van werknemers via het Europees Sociaal Fonds. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van hoe de EU ingrijpt op het gebied van sociaal beleid. Desalniettemin zijn de sociale bevoegdheden en beleidsinstrumenten van de EU beperkt. Net omwille van de voortschrijdende integratie in andere domeinen wordt vaak aangehaald dat de EU onze welvaartsstaat onder druk zet. In het kielzog van de eurocrisis heeft het EU-Stabiliteits- en Groeipact de lidstaten ertoe gedwongen om uitgaven te beperken die tot besparingen in de sociale zekerheid leidden in tijden van economische crisis.

De angst dat Europese integratie de welvaartsstaat ontmantelt is vooral aanwezig in sterk uitgebouwde welvaartsstaten zoals België (Baute et al., 2018).iv Drie op de tien Vlamingen is ervan overtuigd dat verdere Europese integratie de sociale bescherming in België ondergraaft. Tegelijkertijd is amper twee op de tien Vlaamse kiezers de mening toegedaan dat de EU de beste garantie biedt om onze sociale zekerheid te behouden in de toekomst. Er blijkt dus slechts gering optimisme te zijn in hoe Vlamingen de impact van de EU op de sociale bescherming inschatten.

De processen van uitbreiding en verdieping hebben er tevens voor gezorgd dat de grenzen van de nationale welvaartsstaat eroderen. De Europeanisering lijkt sowieso sterke gevoeligheden met betrekking tot het herverdelingsvraagstuk bloot te leggen. Zo vindt 47% van de Vlamingen dat bij het toekennen van sociale uitkeringen, Belgen voorrang moeten krijgen op EU-burgers; en drie op de vier vindt dat EU-burgers eerst werk moeten hebben voor ze toegang krijgen tot sociale voorzieningen. Tegelijkertijd gaan stemmen op voor meer verregaande vormen van interpersoonlijke solidariteit tussen EU-burgers: 49% van de Vlamingen vindt dat de EU maatregelen moet nemen om de inkomensverschillen tussen alle EU-burgers te verkleinen. Dit geeft aan dat er toch een aanzienlijke bereidheid is tot solidariteit met mede-Europeanen.

Europese solidariteit heeft echter niet enkel betrekking op burgers maar manifesteert zich ook op het interstatelijke niveau. Diverse structurele fondsen, gefinancierd met nationale bijdragen, worden ingezet om regionale verschillen in inkomens, werkgelegenheid, investeringen en groei te reduceren. Vier op de tien Vlaamse kiezers vindt echter dat er te veel belastinggeld van de welvarende EU-landen naar de arme EU-landen vloeit. De kwestie van solidariteit tussen lidstaten van de EU werd een veelbesproken onderwerp tijdens de Europese staatsschuldencrisis, toen fiscale steunmaatregelen voor een aantal lidstaten van de Eurozone operationeel werden. Ook in de publieke opinie heerst hierover nogal wat verdeeldheid. Eén op de twee Vlamingen vindt dat de solidariteit tussen de rijkere en armere EU-landen niet doorbroken mag worden, maar de financiële steun blijkt wel niet onvoorwaardelijk te zijn. Slechts drie op de tien Vlamingen vindt dat rijke EU-landen, zoals België, andere lidstaten in ernstige economische moeilijkheden altijd moeten steunen.

WIE IS MEER EUROSCEPTISCH?

Bovenstaande resultaten geven aan dat er verschillende bezorgdheden spelen over de gevolgen van Europese integratie en dat de steun voor het proces van Europese integratie varieert. De vraag blijft echter welke groepen het meest sceptisch zijn. Omdat Europese integratie een multidimensionaal gegeven is, opteren we ervoor om euroscepticisme te meten aan de hand van een samengestelde maat die de houding meet ten aanzien van; (1) EU-lidmaatschap, (2) de uitbreiding met Oost-Europese landen, (3) verdieping met meer bevoegdheden voor de Europese Unie, en (4) het verdergaan van Europese eenwording in het algemeen.v

Het euroscepticisme blijkt meer te leven bij de zogenaamde verliezers van de globalisering. Lager opgeleiden en Vlamingen die zichzelf beschouwen als behorend tot de arbeidersklasse zijn opmerkelijk sterker gekant tegen Europese integratie dan hoger opgeleiden en degenen die zich identificeren met de hogere (midden)klasse. Studenten staan dan weer significant positiever ten aanzien van Europese integratie, terwijl arbeiders eurosceptischer zijn dan alle andere beroepscategorieën. Dit algemeen patroon kan worden verklaard doordat individuen met verschillende socio-economische posities de kosten en baten van Europese integratie verschillend percipiëren. Hoogopgeleide individuen zijn doorgaans mobieler en halen daardoor meer voordeel uit het Europees project dan laagopgeleiden die minder 'exit options' hebben en zich mogelijks sterker bedreigd voelen door het proces van integratie.

Toch kunnen we de verschillen in eurosceptische houdingen niet herleiden tot de sociaal-structurele scheidslijn. Naast sociaal-structurele achtergrondkenmerken zijn ook maatschappelijke en culturele houdingen bepalend voor hoe kritisch Vlamingen staan ten aanzien van Europese integratie. Zo hangt euroscepticisme sterk samen met anti-migranten denkbeelden en politiek cynisme. Kiezers die een negatieve houding ten aanzien van migranten en politiek hebben, zijn beduidend minder voorstander van Europese integratie. Tevens blijken mensen die zich meer identificeren met Europa ook heel wat minder kritisch ten aanzien van het Europese project te staan.

De steun voor Europese integratie verschilt bovendien naargelang het partijelectoraat.vi De Vlaams Belang-kiezers zijn significant meer anti-Europees dan alle andere Vlaamse partijelectoraten. De kiezers van Groen zijn daarentegen het meest positief over Europa. Zij zijn significant positiever dan het CD&V-, sp.a-, en N-VA-electoraat, maar verschillen niet significant van het Open VLD-electoraat wat betreft de houding ten aanzien van integratie. Het N-VA-electoraat verschilt dan weer niet significant van de CD&V- en sp.a-kiezers.

CONCLUSIE

Deze bijdrage illustreert dat Vlamingen het geloof in het Europese project niet verloren zijn, en al zeker niet verwerpen. Een exit van België uit de Europese Unie wordt slechts door een marginale groep gesteund. Wél plaatsen Vlamingen heel wat kanttekeningen bij de uitbreiding en de verdieping van Europa. In de diagnose van vele sceptici had de EU wel wat kleiner mogen blijven en wat minder ver mogen gaan op het vlak van het overhevelen van bevoegdheden naar het Europese niveau.

Voorts blijken er toch heel diverse bezorgdheden en kritieken te leven. Zo worden heel wat vraagtekens geplaatst bij het democratisch gehalte van de EU – waarbij men vooral lijkt te suggereren dat Europa wat meer naar de bevolking, de zwakkeren en de kleine landen mag luisteren en wat minder de kaart van de grote bedrijven en grote lidstaten moet trekken. Ook leeft er heel wat angst voor de gevolgen die het proces van Europeanisering heeft voor de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Bij een aanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking leeft de vrees dat Europa al te veel de 'race to the bottom' lijkt te institutionaliseren. Treffend is dan ook de roep om wat minder onbeteugelde economische integratie en meer 'sociaal' en 'democratisch Europa'. Achter het onbehagen dat leeft omtrent de EU, schuilt doorgaans niet een wens om Europa los te laten, maar wel een kreet om bijsturing – dus een 'ander Europa'. Dat neemt niet weg dat deze roep in heel wat landen door populistische entrepreneurs wordt gemobiliseerd. De aanstaande Europese verkiezingen zullen moeten uitwijzen op welke manier de twijfels over en de kritiek op het huidige Europese project zich zullen vertalen in de politieke ruimte.

NOTEN

i Het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO) KU Leuven kon deze studie uitvoeren dankzij de financiële steun van de KU Leuven Onderzoeksraad, FWO-Vlaanderen, de Nationale Loterij België, ABVV en ACVLB.
ii Abts, K., Swyngedouw, M., Meuleman, B., Baute, S., Galle, J., & Gaasendam, C. (2015). 'Belgian National Election Study 2014. Codebook: Questions and frequency tables'. Leuven: ISPO – KU Leuven and CLEO – Université de Liège.
iii De resultaten zijn gebaseerd op een steekproef van 913 Vlaamse kiezers en gewogen naar leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en stemgedrag (Kamer van Volksvertegenwoordigers).
iv Baute, S., Meuleman, B., Abts K. and Swyngedouw, M. (2018). 'European integration as a threat to social security: Another source of Euroscepticism?', European Union Politics, 19(2), pp. 209-232.
v Antwoorden van de respondenten werden gehercodeerd en getransformeerd tot een index van de gemiddelde score op de vier items. De resultaten zijn gebaseerd op lineaire regressiemodellen.
vi Tukey-Kramer test, gebaseerd op het stemgedrag voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers in 2014.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 30 tot 37