Abonneer Log in

Cijfers zonder waarde

BRIEVEN AAN MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 77 tot 79

Mijnheer de minister van Ambtenarenzaken,
Beste Steven Vandeput,

U die onverpoosd een levendige belangstelling voor het ambtelijke leven in het algemeen en voor de Vlaamse zaak in het bijzonder aan de dag pleegt te leggen, u zult mij niet euvel duiden, dat ik mezelf niet uitvoerig aan u voorstel. U kent mij immers grondiger en u schat mijn werk hoger in dan diegenen die er zich uit hoofde van hun functie in de politiek ernstig mee bezig zouden moeten houden. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat u mij af en toe, bij wet, een bescheiden toelage doet geworden, die het mij mogelijk maakt mij aan de publieke zaak te blijven wijden, zonder materieel al te zeer in de verdrukking te geraken.1

De bovenstaande passage had best uit de pen gevloeid kunnen zijn van een creatieve ambtenaar die zich had laten inspireren door zijn literaire geschiedenis. Immers, net zoals Walter van den Broeck in 1980 in zijn ‘Brief aan Boudewijn’ ten aanzien van wijlen onze koning zijn grote bezorgdheid uitdrukte over de stand van het land - nota bene aan de vooravond van een decennium vol besparingen - zo is ook de ongerustheid bij onze vakbondsleden in de openbare diensten bijzonder groot. Van den Broeck scherpte in zijn schrijven tot koning Boudewijn het contrast aan tussen het leven van de vorst in de ivoren toren en dat van de gewone arbeider in de cité. Het is tijd dat ook u als inwoner van de Wetstraat beseft dat er een groot verschil is tussen beleid dat er op papier rekenkundig mooi uitziet en de realiteit voor wie in de Dorpstraat woont en voor de maatschappij werkt.

Toen ik Rechten studeerde verkondigde onze professor bij het begin van het academiejaar de bekende boutade: ‘Kijk naar uw collega links van u. Kijk naar uw collega rechts van u. Slechts één van u zal op het einde van dit academiejaar slagen.’ Zo ongeveer moet het aanvoelen voor de federale ambtenaar die te horen krijgen dat slechts één van zijn vijf collega’s die deze legislatuur met pensioen gaat, vervangen zal worden. De vraag rijst dan: hoe zullen we het vele werk onderling verdelen. Beslist geen gemakkelijke oefening, niet voor de ambtenaren in kwestie en evenmin voor u, mijnheer de minister. Daarom ben ik ook zo vrij geweest enkele suggesties voor u op te lijsten. Aan u om te beslissen of deze haalbare en gewenste pistes zijn.

Misschien kunnen de inspecteurs van Financiën beslissen om slechts de helft van de belastingaangiftes van bedrijven en burgers door te lichten. Onze cipiers zouden een beurtrol kunnen opstellen, waarbij ze elke dag van de week één vleugel van de gevangenissen op huisbezoek laten gaan (mét enkelband welteverstaan, al is nog onduidelijk of daar voldoende middelen en personeel voor zijn). Bij gebrek aan inspecteurs zou de Sociale Inspectie sociale dumping dan toch maar oogluikend kunnen toestaan, ook al wordt de concurrentiepositie van onze ondernemers daarmee ondergraven. En voor het geval zich een overstroming voordoet, kunnen onze militairen en civiele bescherming de burgers leren zelf de zandzakjes te vullen en het water weg te pompen indien ze zelf niet de nodige manschappen kunnen leveren.

Het moge duidelijk zijn, de bovenstaande voorbeelden zijn niet wenselijk, maar helaas wel pijnlijk reëel. De mantra die tot vervelens toe herhaalt dat de overheid efficiënt moet zijn, verliest wel steeds uit het oog dat je een minimum aan personeel nodig hebt om je burgers een minimum aan dienstverlening aan te kunnen bieden. Dit is beslist niet de toekomst die de ACOD voor onze openbare diensten ziet. Wij kiezen resoluut voor een maximale dienstverlening. Dit vereist niet enkel voldoende personeel, maar ook een robuust budget aan werkingsmiddelen. Je kan niet verwachten dat een openbare dienst en haar ambtenaren optimaal presteren en hun missie vervullen, indien ze niet over de nodige financiering beschikken.

Ruim een kwart minder middelen over vijf jaar, zo dicteert het regeerakkoord. Wie wordt daar beter van? Niet de ambtenaar, die meer moet doen met minder en zijn werkdruk ziet stijgen. Niet de burger, die de besparingen van de regering bekostigt, maar daar geen betere of meer dienstverlening voor in de plaats krijgt. Intussen wrijven private bedrijven zich in de handen in het vooruitzicht van tal van (voormalige overheids)opdrachten die ze toegeworpen zullen krijgen. Het is dus een soort van vestzak-broekzakoperatie, maar dan wel één waarin het geld van de vestzak van de overheid in de broekzak van de privé terechtkomt.

En alsof minder personeel en minder werkingsmiddelen nog niet voldoende waren, beslissen u en uw coalitiepartners ook de investeringsbudgetten voor de openbare sector terug te schroeven. Ook hier is de afrekening verbijsterend: 33% over vijf jaar. Ik nodig u uit om eens een rondje te maken in de vele federale overheidsdiensten die uw departement rijk is. Al snel zal u merken dat vele van uw ambtenaren werken in gebouwen en kantoren die ternauwernood de tand des tijds hebben doorstaan. Ik zou kunnen beginnen met het opnoemen van de justitiehuizen en gevangenissen, maar het zou me te ver leiden en deze brief overbodig verlengen.

Wat bent u trouwens van plan op het vlak van informatisering? Al ruim 15 jaar smeken tal van overheidsdiensten om een informaticasysteem dat up-to-date is, aangepast aan de noden van onze tijd (aangepast aan de noden van de toekomst zou gewoonweg dromen zijn). Hoe kan u verwachten dat onze ambtenaren hun werk naar behoren doen en de burger de dienstverlening geven waar die recht op heeft, als sommigen elke ochtend een sprintje moeten trekken om toch maar als eerste ingelogd te raken op het netwerk? (Het aantal ‘slots’ is immers beperkt)

U begrijpt waar het schoentje klemt. Je kan niet aan alles een prijskaartje hangen. Openbare diensten moeten niet noodzakelijk ‘kostenreflectief’ zijn. Hun return on investment is onderschikt aan hun waarde voor een samenleving. Ze hebben een andere finaliteit dan een dienst in de privé. Laat mij daarom afsluiten met een citaat van Marc Reynebeau (De Standaard, 22/10/2014): ‘In een als rekenkunde vermomde ideologie heeft elk publiek goed alleen een prijs, maar geen waarde meer. Als dan de vraag rijst welke ‘kostendekkingsgraad’ politiek volstaat, ontlopen politici die zich in de boekhouding verschansen het debat daarover door hun verantwoordelijkheid tot het absoluut minimum te beperken: geen gemeenschapsgeld verkwisten.’ De visie van een regering op en voor haar overheid moet meer zijn dan dat. Toch?

Met syndicale groet,

Chris Reniers
Voorzitter ACOD

Noot
1/ Vrij naar ‘Brief aan Boudewijn’, Walter van den Broeck.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 77 tot 79