Log in

Grondig hervormen vraagt grondig overleg

BRIEVEN AAN MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 80 tot 82

Mijnheer de Minister van Pensioenen,
Geachte Daniël Bacquelaine,

U bent een liberaal, ik ben een socialist. U bent nu verantwoordelijk voor een kwestie die ik als socialist buitengewoon belangrijk vind. De kwestie is: kunnen we onze samenleving doelbewust zo organiseren dat een rechtvaardig evenwicht tussen de generaties behouden blijft? Kunnen we onze samenleving zo organiseren dat jongere en oudere mensen vertrouwen hebben in de toekomst en in elkaar? Als we dat kunnen, dan is onze samenleving maakbaar. Als we dat niet kunnen, dan moet ik gaan twijfelen aan de kern van mijn overtuiging, de sociale maakbaarheid van de samenleving.

Nu vroeg uw voorganger me om de leiding te nemen van een commissie van 12 experten, om een rapport te schrijven over de Belgische pensioenen. Ik heb dat aanvaard omdat ik denk dat het mogelijk is om over pensioenen een consensus te bereiken, ook met mensen die voor het overige zeer uiteenlopende meningen hebben; dat kan, als deze mensen een uitgangspunt met elkaar delen, namelijk dat een pensioenstelsel een sociaal verzekeringscontract is. Op 16 juni leverden we ons rapport af, in consensus. Het regeerakkoord dat bijna vier maanden later volgde, verwijst er uitvoerig naar. De ’tien principes’ die wij centraal stelden, zullen worden vertaald in tien werkterreinen. De omschakeling naar het door ons voorgestelde puntensysteem zal tijdens deze legislatuur voorbereid worden. Onze Commissie stelde dat het pensioenstelsel niet alleen aan de veroudering, maar ook aan andere gewijzigde omstandigheden moet worden aangepast, met name in de relaties tussen mannen en vrouwen; dit is ook een aandachtspunt in het regeerakkoord. Dit zijn belangrijke elementen van overeenstemming met ons rapport. Op bepaalde punten wijkt het regeerakkoord af van onze voorstellen, formuleert het precieze voorstellen daar waar wij geen definitieve, precieze voorstellen geformuleerd hadden (bijvoorbeeld inzake de wettelijke pensioenleeftijd), of worden voorstellen toegevoegd.

Wij zien ons rapport als een etappe in een proces. We willen ons nuttig maken voor het politieke en sociale debat, maar we willen dat niet zelf gaan voeren. In deze brief krijgt u dus noch applaus, noch boegeroep. Wij hebben allemaal een eigen achterban, maar we hopen dat iedereen, zowel de voor- als de tegenstanders van het regeerakkoord, die houding van ons begrijpt. U krijgt hier dus geen afgeronde ‘beoordelingsbrief’ van mij in naam van onze Commissie. Ik wil wel enkele aandachtspunten aanstippen. Ons rapport legt een sterke nadruk op (1) de nood aan grondige hervormingen, die een consistent en evenwichtig pakket moeten vormen, (2) de hervormingsstrategie die in haar ogen ontwikkeld moest worden, (3) de nood aan sociaal overleg bij deze hervormingsstrategie, (4) de voorwaarden voor succes. Ik bespreek deze punten in omgekeerde volgorde.

Wat het laatste aandachtspunt betreft (voorwaarden voor succes), schreven we: ‘Naast een evenwichtige en rechtvaardige combinatie van hervormingen om de stijging van de pensioenuitgaven te beheersen en bijkomende financiering die andere bronnen aanspreekt dan arbeidsinkomens, vormt een hogere werkzaamheid de sleutel tot succes. Pensioenbeleid en werkgelegenheidsbeleid vullen elkaar niet alleen aan, ze zijn afhankelijk van elkaar: het succes van het ene bepaalt het succes van het andere. Een krachtig en vernieuwend werkgelegenheidsbeleid is dus vereist.’ Uw regering moet de publieke opinie kunnen overtuigen dat aan de gestelde voorwaarden (voldoende en aangepaste financiering - ons rapport verwijst onder meer naar financiering op basis van de factor vermogen; een krachtig werkgelegenheidsbeleid, met name voor oudere werknemers) voldaan wordt. Hetzelfde geldt voor de klemtoon op sociaal overleg: een duurzame pensioenhervorming vereist geduldig sociaal overleg, en dat overleg moet nu in de praktijk tot stand komen.

De hervormingsstrategie is in het regeerakkoord nog niet uitgewerkt. Dat begrijpen we. Hier schuilt ook een mogelijk risico, namelijk dat op korte termijn louter gesleuteld wordt aan parameters van het bestaande systeem, zonder band met de structurele hervorming die de Commissie voorgesteld heeft. Die structurele hervorming moet er voor zorgen dat het pensioensysteem aangestuurd wordt op basis van een reeks van sociale doelstellingen, om de kwaliteit van het systeem hoog te houden en een duurzaam intergenerationeel evenwicht te verzekeren. Dit proces mag niet uitgesteld worden; een concreet hervormingstraject moet nu uitgestippeld worden, in overleg met de sociale partners.

De Commissie heeft gepleit voor een consistente hervorming, met een sterke klemtoon op de lengte van de loopbaan. Wat dit laatste betreft, mag er natuurlijk geen misverstand bestaan: een pensioensysteem kan niet alleen gedefinieerd worden op basis van loopbaancriteria; leeftijdscriteria blijven ook noodzakelijk. Ook al ligt de nadruk op de lengte van de loopbaan, je moet vastleggen wanneer mensen met korte loopbanen op pensioen mogen gaan (je moet dus een ‘wettelijke pensioenleeftijd’ vastleggen); daarnaast moet je vastleggen wat de minimale leeftijd is waarop mensen op pensioen mogen gaan, als ze een voldoende lange loopbaan hebben (je moet dus een ‘leeftijd voor vervroegd pensioen’ vastleggen). Onze Commissie benadrukt de lengte van de loopbaan, maar ze heeft duidelijk gezegd dat leeftijdscriteria voor vervroegd pensioen en wettelijk pensioen in de toekomst ook zullen moeten evolueren. De klemtoon op de lengte van de loopbaan betekent echter dat concrete maatregelen genomen moeten worden die mensen aanzetten om langer te werken, om de overgang van werk naar pensioen flexibel te laten verlopen, en om bedrijven aan te zetten om mensen langer in dienst te houden: dit is de allereerste opdracht. Sta me toe in dit verband toch één heel concreet probleem uit het regeerakkoord aan te snijden. Het regeerakkoord stelt voor om de pensioenbonus af te schaffen voor wie er nog geen recht op heeft. Nu hebben wij in ons rapport het belang van de pensioenbonus uitdrukkelijk onderlijnd, als stimulans om effectief aan het werk te blijven. Ons rapport illustreert ook het belang van deze bonus voor lagere pensioenen (van mensen die doorgewerkt hebben). Onze Commissie wil aan de samenleving een positief perspectief geven, waarbij de gemiddelde hoogte van de pensioenen gehandhaafd kan worden door de loopbanen te verlengen. Spoort de mogelijke afschaffing van de pensioenbonus daarmee?

Inzake de wettelijke pensioenleeftijd heeft de Commissie geen precieze voorstellen gedaan, maar wel scenario’s onderzocht; we wijzen daarbij op mogelijkheden, risico’s en voorwaarden voor succes. Een scenario dat we onderzocht hebben, houdt voor 2030 het volgende in: de minimale pensioenleeftijd zou 62 jaar zijn (mits een loopbaan van 44 jaar, inbegrepen periodes van werkloosheid, ziekte, enz.); de wettelijke pensioenleeftijd, voor mensen die niet aan die 44 komen, zou 67 jaar zijn. Veertig bladzijden van ons rapport zijn uitsluitend aan deze kwestie gewijd. Het feit dat we dit zo grondig onderzocht hebben, toont duidelijk aan dat we niet a priori tegen een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd zijn (zoals gezegd, de leeftijdscriteria zullen moeten evolueren), maar onze conclusies zijn wel genuanceerd: naast nuttige effecten zijn er ook risico’s. U zal begrijpen dat we teleurgesteld zouden zijn indien voor- en tegenstanders niet verder geraken dan een simplistisch debat over deze kwestie. Op zijn minst moeten voor- en tegenstanders ons rapport met al zijn nuances lezen, en op die basis in een open overleg gaan met elkaar.

Inzake aanvullende pensioenen wijken de voorstellen van de regering op enkele punten af van de voorstellen die wij uitgewerkt hebben, en worden voorstellen toegevoegd. De regering stelt een nieuw stelsel van individuele aanvullende pensioenen voor op basis van inhoudingen op het loon (hoe verhoudt dit voorstel zich met de ambitie om de bestaande tweede pijler sterker uit te bouwen?). Het regeerakkoord stipt de versterking van de zogenaamde 3de pijler aan als element van het pensioenbeleid; wij stelden dat de 3de pijler geen plaats heeft in het pensioenbeleid. Zonder in te gaan op deze en andere kwesties (zoals de fiscale behandeling van aanvullende pensioenen), en zonder in de plaats te willen treden van de politieke en sociale besluitvorming, willen de leden van onze Commissie toch benadrukken dat er ook inzake kapitalisatie en aanvullende pensioenvorming nood is aan een coherente en evenwichtige visie.

Onze Commissie beschouwt het hoofdstuk pensioenen in het regeerakkoord dus als een bundeling van voorstellen waarover nog veel onderzoek en overleg nodig is; daarbij moet ruimte zijn voor debat. Mijn grootste zorg is dat een hervormingstraject wordt uitgetekend, waarin dit onderzoek en dit overleg de plaats krijgen die ze nodig hebben. Buitenlandse voorbeelden tonen aan dat een hervormingstraject zeer veel tijd en overleg vraagt. Dit is niet strijdig met de noodzaak om nu al maatregelen te nemen, integendeel: de korte en de lange termijn moeten met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Voor wie gelooft in de maakbaarheid van de samenleving, zoals ik, moet dat de ambitie zijn.

Met hoogachting,

Frank Vandenbroucke
Hoofd van de expertencommissie Pensioenhervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 80 tot 82