Abonneer Log in

Selectieve blindheid

BRIEVEN AAN MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 86 tot 88

Meneer de minister van Financiën,
Beste Johan Van Overtveldt,

Laat ik meteen duidelijk zijn en niet slijmen. Ik ben geen fan van u en, zo vermoed ik, u niet van mij. Dat heeft niets met persoonlijke allergieën te maken - we hebben elkaar nooit ontmoet of gesproken - maar alles met opvattingen en, weliswaar in veel mindere mate, met uw carrière. In eerste instantie uw journalistieke. De manier waarop u voortdurend tussen bedrijfsleven en redactie pendelde, heeft me altijd gestoord. U zit er voor iets tussen dat journalistiek in dit land nog steeds een geur van volgzaamheid en dienstbaarheid verspreidt. U was vooral spreekbuis, te veel ‘his masters voice’. Zeker, u was bij momenten kritisch, maar nooit over Vlaamse ondernemers. U was een militant van het bedrijfsbelang. Eén van de rigide soort bovendien, want een ‘believer’ van de rationele vrije markt.

U bent een gelovige. Mij niet gelaten, tenminste als het om transcendentale mysteries gaat en tot de privésfeer beperkt blijft. Bij u ligt dat anders. U bent econoom en opereert voortdurend in het publieke domein. Problematisch wordt het echter als een ‘believer’ minister wordt, bovendien van Financiën. Dan is er echt reden tot zorg. Een beleidsman die feiten niet meer kan zien, omdat ze niet in zijn ideologisch format kaderen, is even gevaarlijk als een hond die een wielerpeloton kruist. Er komen gegarandeerd brokken van. Om alle misverstanden te vermijden, die rigiditeit slaat wel degelijk op uw economisch gedachtengoed, niet op uw politiek handelen. Daar geeft u wel blijk van verbazende flexibiliteit. U bent geen nationalist, nog minder een separatist, maar toch trok u naar een partij die al dat lekkers prominent in haar statuten dropte. U trok de Europese lijst, werd verkozen, maar enkele weken later zat u, ondanks uw electoraal mandaat, in de federale regering en lonkt u al naar het gouverneurschap van de Nationale Bank. Kortom, enige souplesse is u niet vreemd, zolang het maar niet om uw economische dogma’s gaat. En zelfs dan. Jarenlang schreef u tegen de invoering van een minimumloon, maar toen uw partijleiding, met de verkiezingen in zicht, het opportuun oordeelde dat die soep te heet was, maakte u er nauwelijks een punt van. Wel, meneer de minister, dat heeft me echt verbaasd. Ik verwachtte dat u meer weerwerk zou bieden om deze relikwie van uw grote, bewonderde leermeester Milton Friedman te eren en vooral niet te verloochenen. Pas weken later begreep ik dat die concessie u het ticket voor een ministerpost bezorgde. U bewees dat u, als het partijbelang het vroeg, kon plooien, zelfs in zaken die tot de ‘hard core’ van uw doctrine behoren. Meestal appreciëren partijvoorzitters, zeker als ze van het bazige soort zijn, plooibare mensen en kunnen ze vroeg of laat op een gunst rekenen.

Ondanks uw toegeving inzake minimumlonen blijf ik er nochtans bij dat u een doctrinaire hardliner bent. Op een moment dat de economische groei in Europa opnieuw door de vloer zakt, vrees ik dat u de foute recepten nog eens zult opdienen. Uitgerekend de recepten die de huidige deflatie hebben gevoed: een bouillabaisse dus van austerity, versnelde schuldafbouw, flexibiliteit van de arbeidsmarkt en minimaal overheidsingrijpen. Al vijf jaar wordt dat potje de Europese bevolking ingelepeld en de resultaten zijn catastrofaal. Zelfs Duitsland duikt nu de recessie in. Zeker, het is me bekend dat u de afgelopen jaren het Europees beleid herhaaldelijk op de korrel nam. Omdat het niet hard genoeg de vijs aandraaide. Voor u was het altijd ‘too little, too late’. Als ze uw advies hadden gevolgd, was er nog meer bespaard, was Griekenland uit de euro en had de Europese Centrale Bank in de zomer van 2012 de bazooka niet bovengehaald. Stelt u zich geen vragen over uw geloofwaardigheid en wetenschappelijk sérieux als u, ongeacht de economische cyclus, altijd met dezelfde medicijnen afkomt? Nee dus, want nooit gaf u toe dat u zich wel eens grondig vergiste. Gelauwerde economen, die aan prestigieuze universiteiten doceren, deden dat wel. Ik denk aan Paul De Grauwe en de door u zo misprezen Nobelprijswinnaar Paul Krugman. Kleine economen kunnen het zich blijkbaar niet permitteren. Bij momenten denk ik zelfs dat u helemaal geen econoom bent, hooguit een chroniqueur, die nauwgezet noteert wat zijn leermeesters of ‘the powers that be’ behagen.

Sorry, het is een ongegronde, zelfs vileine bedenking. Ik vergat dat u enkele diploma’s heeft en bovendien professor bent. In het bronsgroene Diepenbeek nog wel. En toch vind ik dat uw economisch denken door artrose is aangetast. U werkt nog steeds met de aannames en theorieën uit uw ‘bildungsjahren’. Ik stip er drie aan.

Ten eerste minimale staat en overheidsingrijpen. In de kringen die u frequenteert, hoeft dat zelfs geen toelichting. Het is er een evidentie, zoals de zwaartekracht, want de overheid verstoort per definitie de ‘onzichtbare hand’.

Uw tweede idee-fixe is meer dan tweehonderd jaar oud en werd in het prille begin van de 19de eeuw door ene Jean-Baptiste Say bedacht. Nauwelijks versimpeld luidt het: ‘het aanbod schept zijn eigen vraag’. Hoewel de vondst van Say op een ruileconomie sloeg, werd ze in de jaren 1920 en 1930 tot wet verheven. Met de gekende ravage tot gevolg: de grote Depressie. Pas toen de ‘dissident’ John-Maynard Keynes er zijn tanden in zette, ontdekte het beleid dat er zoiets als een falende vraag bestond en dat een alternatief beleid wel mogelijk is. Deficit spending dus. Het begrip alleen al bezorgt de economische obediëntie waar u toe behoort rillingen. Uw goeroes hebben in de jaren 1950 en 1960 pamfletten en boeken vol geschreven om dit gif dat de ‘moral hazard’ en een verdoken socialisatie zou bevorderen, te verketteren. U bent van die lijn nooit afgeweken. Of het nu voor, tijdens of na de crisis van 2008 was, het stimuleren van de vraag was voor u nooit een optie. Zo kwam Europa in een depressie en een recessie terecht. Zowel bij het IMF, de ECB, de nieuwe Europese Commissie als bij uw collega professor Wim Moesen begint het te dagen dat de obsessie rond de begrotingstekorten, de groei voor lange tijd dreigt te verstikken. U heb ik daar nog niet over gehoord. Zolang u chroniqueur was, stoorde me dat niet echt. Nu u minister bent, verontrust het me. A propos, waar u ook altijd het zwijgen toe deed, was die omstreden fiscale multiplier. Dat die tijdens de crisis door lieden als Olli Rehn fors onderschat werd, heeft het IMF ondertussen aangetoond. U zweeg erover, want niet opportuun. Als ik de boutade hoor dat de huidige economen een deel van het probleem, niet van de oplossing zijn, denk ik steeds aan u. Terecht, vind ik.

Ik moet afronden, maar niet voordat ik uw derde idee-fixe even heb toegelicht. Het draait om ‘greed’, hebzucht. In uw laatste boek Red de vrije markt (2012), een hommage aan Friedman, gaat u er uitgebreid op in. ‘De realiteit is’, zo citeert u uw meester, ‘dat het kapitalisme over een ingebouwde rem op hebzucht beschikt, terwijl die rem in collectivistische systemen nauwelijks werkt.’ Voilà, zo blind kunnen economen zijn. Eerst de propaganda, dan de feiten. Ik reken het Friedman aan, maar in tegenstelling tot u, heeft hij een (klein) excuus. Dit is een citaat uit 2005, op een moment dat de systeemeconomen met alles bezig waren, behalve met inkomens- en vermogensongelijkheid. Toen u de tekst op papier zette, was Thomas Piketty nog geen star, maar was de exorbitante rijkdom van de 1% en het onvermogen om daaraan te sleutelen al jaren frontpaginanieuws. Behalve voor u blijkbaar. Zelfs de happy few van het World Economic Forum sloegen vorig jaar alarm. U niet. Niet één keer signaleerde u dat die 1% een tijdbom voor de samenleving is. Met een Minister van Financiën die aan zulke selectieve blindheid lijdt, kan het Groot Vermogen op beide oren slapen. Tegen beter weten in hoop ik dat u ook een klein beetje de minister van de 99% zult worden.

Met hoopvolle groet,

Paul Goossens
Columnist

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 86 tot 88