Abonneer Log in

De afwezige vader van het Europees project

HALFWEG MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 16 tot 18

Geachte minister van Europese Zaken,
Geachte heer Reynders,
Beste Didier,

Ik maak me, bij de aanvang van 2017, grote zorgen. Het afgelopen jaar wordt door heel wat mensen omschreven als ‘het ergste jaar ooit’. Zo voelen veel mensen het toch aan. Niemand zal ontkennen dat een aantal internationale gebeurtenissen de wereld én Europa aan het wankelen brengt. De EU werd niet enkel geconfronteerd met terroristische aanslagen, aanhoudende vluchtelingenstromen én met de opkomst van radicaal-rechtse populistische partijen, maar - als gevolg van de Brexit - voor het eerst ook met de dreiging dat de Unie zelf zou kunnen uiteenvallen. Niet alleen lijkt het Europese beleidsniveau geen greep te kunnen krijgen op de destructieve krachten die Europa uiteenrafelen, de verantwoordelijkheid van de lidstaten in die dynamiek is eveneens verpletterend. Het solidaire Europese project van intense samenwerking is verworden tot een kat-en-muisspel tussen lidstaten die elkaar benadelen, eerder dan samen de grensoverschrijdende uitdagingen te willen aanpakken. De communautaire methode lijkt bij het grof huisvuil te zijn gezet en is vervangen door een afgunstig intergouvernementalisme dat vaak als nationaal-egoïsme wordt omschreven.

Het valt me op dat ons land, ooit de roemruchte voortrekker van het Europese project, zich bij die gang van zaken heeft neergelegd. Meer nog, België verzet zich steeds vaker tegen Europese beslissingen, bijvoorbeeld inzake belastingbeleid en begrotingstekorten. Jazeker, in woorden verdedigen we nog wel de Europese integratie, maar dat zet zich niet meer om in daden, wat me doet denken aan de gevleugelde woorden van Konrad Adenauer: ‘Alle lichaamsdelen raken ooit vermoeid, behalve de tong.’

België stond in 1957 bij de ondertekening van het Verdrag van Rome aan de wieg van de Europese Unie, samen met Nederland, Luxemburg, de Duitse Bondsrepubliek, Frankrijk en Italië. Meer nog, ons land mag zelfs het vaderschap opeisen van de baby die in die wieg lag. Het was immers Paul-Henri Spaak die vanaf 1955 de conferentie leidde die het Verdrag zou voorbereiden. ‘Het Europa van morgen moet een supranationaal Europa zijn,’ zou Spaak in de jaren 1960 nog zeggen. Ik breng Spaak in herinnering omdat zijn dochter Antoinette in een merkwaardig interview in 2015 uw naam te berde bracht toen haar gepolst werd naar Europees leiderschap. Ze verklaarde toen niet alleen dat u een toegewijd Europeaan bent, maar ook dat u Europees Commissaris had moeten worden. Die Europese ambitie is, zo heb ik begrepen, nog steeds niet helemaal begraven. Ze is ook belangrijk om de huidige positie van ons land in het Europese debat te kunnen begrijpen. Die positie is er een van totale onzichtbaarheid en onbeduidendheid. Ooit was het anders.

België was als klein maar geëngageerd land altijd de matchmaker van Europa. Wij smeerden, samen met Nederland en Luxemburg, op discrete wijze de Frans-Duitse motor die de Unie draaiende hield. Wij waren als Belgen ook goed geplaatst om dat te doen. Niet alleen bevinden we ons op het grensgebied tussen het zuidelijke, Latijnse en het noordelijke, Germaanse deel van Europa, met alle politiek-economische verschillen die daar bij horen, wij slaagden er binnen de grenzen van ons eigen land ook altijd in om verschillende gemeenschappen met elkaar te laten samenleven én -werken. Samenwerking zat ons in de vingers. Ook onze diplomaten waren gepokt en gemazeld in de kunst van het opbouwende compromis. Ons diplomatieke corps leverde vaak in alle stilte de visie en de ideeën voor de Europese integratie, ideeën die daarna zonder enige gène werden overgenomen door onze Duitse en Franse buren. Dat stoorde ons overigens niet. Ons land wilde zich niet profileren op de Europese bühne, maar putte trots uit zijn ingenieuze Stealth-diplomatie die de Unie stap voor stap vooruit deed gaan. Wij waren groots in onze bescheidenheid en bescheiden over onze Europese daadkracht.

Natuurlijk zijn de tijden veranderd. De uitbreiding van de Unie naar 28 lidstaten heeft ons soortgelijk gewicht doen afnemen. Bovendien sputtert de Frans-Duitse motor al een tijdje. Een verzwakt Frankrijk heeft het zwaartepunt naar Duitsland doen kantelen. Voor het eerst in de geschiedenis van de Europese Unie worden we ook geconfronteerd met een Europese Commissie die niet langer de kleine en middelgrote lidstaten verdedigt tegenover het overwicht van Frankrijk en Duitsland, maar die slaafs het Duitse standpunt volgt. Er wordt bovendien niet meer naar ons gekeken om de uitgeleefde relatie tussen Frankrijk en Duitsland weer recht te trekken. Dat komt niet alleen omdat we geen ideeën meer leveren, maar vooral omdat ons land nu gedomineerd wordt door een eurosceptische partij. Dat verlamt onze positie op het Europese niveau. Het is immers niet zo dat kleine lidstaten geen invloed meer kunnen hebben. Dat kan wel degelijk, zoals de Baltische staten aantonen, op voorwaarde dat krachtige politieke persoonlijkheden zich in de Raad durven uitspreken over Europese thema’s. Ons land houdt zijn hoofd in de Raad echter voortdurend onder het maaiveld. De realiteit is dat België zich bewust op het achterplan houdt omdat één Vlaamse partij dat zo wil. De coördinatievergaderingen van de Algemene Directie Europa verlopen vandaag conflictueus omdat de N-VA-kabinetten voortdurend een obstructiepolitiek voeren. Het interne geruzie in wat inmiddels bekend staat als het kibbelkabinet heeft ons buitenlandbeleid in zijn greep, zeker als het gaat over Europa. Het Vlaams-nationalisme ondermijnt een krachtige gemeenschappelijke visie op het Europese beleid. Zoals in zoveel dossiers laat premier Michel zijn hoofd hangen naar het dictaat van N-VA. Dat zorgt er voor dat België geen ideeën meer mag leveren en dus de facto onzichtbaar en betekenisloos is geworden.

Het is niet zo moeilijk om te begrijpen dat de Europese obstructiepolitiek van de Vlaams-nationalisten en het zwakke weerwerk van premier Charles Michel enkel binnenlandse electorale doelen dient. In Vlaanderen wil N-VA mee surfen op de populistische, eurokritische golf die over Europa spoelt en die ‘het ware volk’ tegenover de ‘Europese elite’ wil plaatsen. Niet het algemeen belang voor de Europese bevolking is van tel, maar de stemmen die er in Vlaanderen mee te ronselen zijn. Aan Franstalige kant tracht uw partijgenoot en premier Charles Michel conflicten met de Vlaams-nationalisten te vermijden, uit angst dat dit links in de kaart zou spelen. Het is echter opmerkelijk dat ook u, als minister verantwoordelijk voor Europese Zaken, niet krachtiger tussenbeide komt om het algemeen Europese belang te verdedigen in de lijn van de roemruchte Belgische traditie. Van u zouden we een Europese visie kunnen verwachten, toegespitst op een aantal kernboodschappen die de Belgische diplomatie zou kunnen uitdragen. Wij zouden in de Raad de voorvechter kunnen zijn in de verdediging van de rechtsstaat die in Europa bedreigd wordt, zoals ons land in het verleden een cruciale rol heeft gespeeld in de internationale campagne tegen clusterbommen, landmijnen of in de strijd tegen bloeddiamanten. De rol van ons land is nog lang niet uitgespeeld. Ik merk echter dat ook u zich in de regering niet wenst te verbranden door in verzet te gaan tegen de eurosceptische koers van N-VA. Ik mag hopen dat dat niets te maken heeft met de Europese ambities die u nog koestert en die afhankelijk zijn van de regering die in 2019 zal aantreden.

Kathleen Van Brempt
Europees parlementslid en vicevoorzitter van S&D

verscheen ook op Knack.be (28 januari 2017)

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 16 tot 18