Abonneer Log in

Een ander begrotingsproces en vermogensfiscaliteit

HALFWEG MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 28 tot 30

Geachte minister van Financiën Van Overtveldt,
Beste Johan (als ik mag),

Bij jouw benoeming tot minister was ik zeer benieuwd hoe je het er vanaf ging brengen. Je was een belangrijke stem in het maatschappelijke debat en een fervent criticus van de regering-Di Rupo die voortaan zelf de stuurknuppel mocht bedienen. Ik zou het mezelf dan ook makkelijk kunnen maken door in deze brief een analyse te maken van het sociaaleconomische beleid tijdens de eerste helft van de huidige regeerperiode, en fijntjes concluderen dat het tot nu toe eigenlijk een doorslagje is geweest van de regering-Di Rupo. Gedane zaken nemen echter geen keer en ik realiseer mij maar al te goed dat je het niet alleen voor het zeggen hebt in een coalitieregering. Ik wil het daarom liever hebben over twee uitdagingen voor deel twee van de regeerperiode waar je als minister van Financiën zelf meer invloed op hebt. Als je erin slaagt om beide uitdagingen tot een goed einde te brengen, behaal je voor mij als minister een grote onderscheiding.

Een eerste uitdaging is volgens mij een fundamentele herziening van de manier waarop de begrotingen in dit land tot stand komen. Het was ongezien dat je als minister openlijk klaagde over jouw eigen administratie die de belastinginkomsten systematisch overschatte. Maar je had gelijk! Het is een publiek geheim dat de macro-economische modellen van de instellingen die rechtstreeks of onrechtstreeks bij begrotingsramingen betrokken zijn niet state of the art zijn. Hetzelfde geldt overigens voor de prognoses van de vergrijzingskosten. Veel recente academische methodes behoren niet eens tot de toolbox van onze beleidsinstellingen.

Het probleem ligt echter niet bij de specialisten in die instellingen. Zij willen niets liever dan betere modellen bouwen en geavanceerde beleidstools ontwikkelen. Het probleem is daarentegen onze beleidscultuur: we onderhandelen liever over de sociaaleconomische gevolgen van beleidsmaatregelen dan ze accuraat te laten berekenen door specialisten. Hoe hoger in de beleidshiërarchie, hoe meer dit het geval is. En hoe geavanceerder de methodes, hoe kleiner de onderhandelingsmarge. Bij nachtelijke begrotingsonderhandelingen komen er zelfs geen economische modellen aan te pas. Geschrapte uitgaven of belastingverhogingen worden dan integraal als begrotingswinst geteld. Met gedragswijzigingen of indirecte gevolgen van maatregelen op andere begrotingsposten wordt geen rekening gehouden. Het is dan ook geen verrassing dat hogere accijnzen op alcohol en tabak slechts een twintigste van het bedrag opleveren dat initieel in de begroting stond geschreven, en dat de speculatietaks meer kostte dan ze opbracht.

Bij het opstellen van een begroting is het bovendien belangrijk om eerst maatregelen te nemen die het overheidsapparaat efficiënter maken, waardoor na verloop van tijd het begrotingsresultaat verbetert zonder nadelige bijwerkingen op de economie. De Belgische aanpak is echter precies het tegenovergestelde. Bij lastminute­rondjes armworstelen over de begroting wordt beslist tot besparingen die zich onmiddellijk moeten manifesteren. Vaak zijn die in praktijk niet mogelijk of moeten maatregelen worden genomen die serieus op de groei wegen en bijgevolg contraproductief zijn.

Het contrast met andere landen bij het opstellen van begrotingen is groot. Het lijkt mij de taak van de minister van Financiën, die daarenboven over een doctoraat in de economische wetenschappen beschikt, om de modellen die voor het beleid gebruikt worden en het hele begrotingsproces dat in de schoot van de regering tot stand komt fundamenteel bij te sturen.

Een tweede belangrijke uitdaging voor het resterende deel van de legislatuur is een drastische aanpak van de fiscaliteit. Een van jouw stokpaardjes is een hervorming van de vennootschapsbelastingen. Je pleit voor een substantiële verlaging van het tarief, waarvan de impact op de begroting gecompenseerd moet worden door het schrappen in de talrijke belastingkortingen. Je hebt opnieuw gelijk! Het systeem is vandaag totaal niet transparant, oneerlijk en inefficiënt. Sommige bedrijven slagen er in om nauwelijks belastingen te betalen door het gebruik van creatieve boekhoudtechnieken. Vooral kmo’s zijn hier het slachtoffer van. Zij moeten inleveren op hun winstmarges om competitief te blijven. Het is een onrechtvaardige strijd die ondernemen ontmoedigt en weegt op de groei.

De oplossing is inderdaad een vermindering van aftrekposten in combinatie met een verlaging van het tarief. Dit is transparanter, de fiscale controles zullen minder kosten, bedrijven moeten minder fiscale spitstechnologie gebruiken en de overheid zou de belastingopbrengsten beter moeten kunnen voorspellen. Ik hoop wel dat het geen gat in de begroting zal slaan. De methodes die gebruikt worden om dit te becijferen, doen mij eerlijk gezegd het ergste vrezen.

Wat ik echter vooral hoop is dat je met dezelfde overtuiging de wirwar aan belastingen op vermogenswinsten zal aanpakken. Die zijn vandaag ook fundamenteel oneerlijk en economisch inefficiënt. Bedrijven die winsten (na vennootschapsbelastingen) aan de eigenaars uitkeren, zoals de meeste van onze kmo’s, betalen hier 30 procent roerende voorheffing op. Wie daarentegen zijn winsten in het bedrijf oppot (waardoor het vaak niet in de economie terechtkomt), en op een dag met een meerwaarde van de hand doet, ontloopt de belastingen. Wie zijn kapitaal in vastgoed en kunst belegt of op spaarboekjes parkeert, betaalt ook geen (of nauwelijks) belastingen op de winsten. Dit leidt tot een inefficiënte aanwending van kapitaal, en dat weegt op de economie. In tegenstelling tot aandelenkapitaal voor bedrijven, leveren duurdere stenen en kunst immers geen jobs op.

Er is geen enkel argument voor deze ongelijke fiscale behandeling, die nota bene groter en schadelijker is dan de bestaande verschillen in de vennootschapsbelastingen. Vooral kleinere bedrijven en zelfstandigen zijn hier opnieuw het slachtoffer van. Zij moeten het gevecht met andere bedrijven (en stenen die in waarde stijgen) aangaan met de handen op de rug gebonden, en dat weegt op de appetijt om te ondernemen.

De meest voor de hand liggende oplossing is het invoeren van een dual income tax. Het principe, dat al bestaat in de Scandinavische landen, is zeer eenvoudig. Arbeid en vermogen worden apart belast. Voor arbeidsinkomsten verandert er niets. In plaats van de huidige fiscale koterijen en aparte tarieven, worden alle inkomsten uit vermogen samengeteld en op dezelfde manier belast: spaarboekjes, obligaties, vastgoed, dividenden, meerwaarden op aandelen, enzovoort. Dat kan al dan niet met een belastingvrije sokkel. Het is perfect mogelijk om deze hervorming te doen zonder dat de globale belastingdruk stijgt. Door de grotere belastingbasis zal dit neerkomen op een significante daling van het bestaande tarief (roerende voorheffing), net zoals je van plan bent met de vennootschapsbelastingen!

Het systeem met een enkel tarief is zeer transparant, waardoor het moeilijker wordt om de belastingen sluipend te verhogen, terwijl de belastinginkomsten voorspelbaarder worden. Bij een dual income tax zal ook het geld dat vandaag op spaarboekjes geparkeerd staat of in stenen zit, geactiveerd worden. Er zal massaal geld naar aandelen en bedrijven stromen. Als je intellectueel eerlijk bent en ondernemen echt wil aanmoedigen, dan hervorm je niet alleen de vennootschapsbelastingen, maar ook de belastingen op vermogenswinsten, zelfs al komt dit voorstel van een coalitiepartner.

Ik wens je veel succes met deze twee uitdagingen en kijk uit naar het eindrapport op het einde van de regeerperiode.

Met hartelijke groet,

Gert Peersman
Econoom aan de Universiteit Gent

verscheen eveneens in De Standaard (21 januari 2017)

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 28 tot 30