Abonneer Log in

Het compromis van een maatschappelijk contract

HALFWEG MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 25 tot 27

Mijnheer de minister van Pensioenen,
Mijnheer Bacquelaine,
Beste sociale partners,

In 2016 is veel inkt gevloeid over populisme. Tot in den treure toe is herhaald dat populisme succes heeft dankzij groeiende onzekerheid. In zijn kerstessay voor De Standaard weeft Karel Verhoeven een interessante band tussen deze verklaring voor populisme en een andere factor: de gehechtheid aan onverkorte individuele vrijheid, wars van religie en tradities; die gehechtheid zit diep in onze samenleving. Wat wonderlijk is aan het populisme, zo stelt Verhoeven, is dat het "moeiteloos de verworvenheden van het ik-tijdperk verbindt met een nationale opdracht. Want de vrijheid die elk individu voor zichzelf nastreeft, moeten we ook allen samen als volk bewaken. Wij met onze trotse geschiedenis van vrijheid verdedigen onszelf tegen hen die verknecht zijn aan religie en tradities. Dat levert dan ‘nationaalindividualisme’ op, zoals de Nederlandse politicoloog Dick Pels dat bestempelt."

Beste minister en sociale partners, wat volgt gaat over pensioenen. Wees gerust, ik zal niet beweren dat een robuust pensioenstelsel het recept is tegen populisme. Ik vervoeg niet het rijtje van de commentatoren die ontdekken dat hun allang bestaande overtuigingen en voorstellen nu hét antwoord zijn op populisme. De onzekerheid en de vrijheid waar Karel Verhoeven het over heeft, draaien overigens om ‘identiteit’; hij heeft het minder over de sociale status van mensen. Maar er is een parallel, om over na te denken. Een betrouwbaar collectief pensioenstelsel beperkt onzekerheid over de oude dag. Zo’n stelsel is een contract tussen generaties dat ‘nationaal bewaakt’ wordt, als een kostbaar collectief goed. Op basis van een collectief contract kan je veel individuele vrijheid organiseren: je kan mensen ruime keuzemogelijkheden bieden qua pensioenleeftijd; je kan dat doen op een manier die billijk en fair is, zowel ten aanzien van diegenen die lang willen doorwerken als ten aanzien van diegenen die dat liever niet doen. Dat was de kerngedachte van het rapport dat een expertencommissie in 2014 neerlegde over ons pensioenstelsel.

De commissie knoopte daarmee aan bij een klassieke opvatting over sociale zekerheid en solidariteit. Maar tegelijkertijd stelde ze dat solidariteit handhaven structurele hervormingen vereist. Ik vat de boodschap van 2014 nogmaals samen. Het uitgangspunt was dat sociale partners en overheid een heldere ambitie vastleggen met betrekking tot de kwaliteit van de pensioenen die ze op lange termijn wensen. Vervolgens zou het maatschappelijke contract stipuleren welke aanpassingen aan de orde zijn om deze ambitie veilig te stellen als de toekomst onzeker is. Verschillende aanpassingsmechanismen zouden ‘in stelling gebracht’ worden; de spelregels voor toekomstige aanpassingen - in omstandigheden die we nog niet met zekerheid kennen - zouden worden vastgelegd. Allemaal samen gemiddeld langer werken is een logisch aanpassingsmechanisme wanneer de bevolking vergrijst: logisch, maar voor sommige mensen eenvoudiger dan voor andere mensen. Een flexibel pensioenstelsel betekent, bijkomend, het volgende: mensen krijgen brede keuzemogelijkheden over het moment waarop ze op pensioen gaan; wie als individu kiest voor een langere loopbaan dan anderen zal daarvoor financieel beloond worden; wie kiest voor een kortere loopbaan zal minder pensioen hebben. Dat doet mensen nadenken over het moment van hun pensionering, maar het is ook een kwestie van fairness. Een goed pensioenstelsel biedt dus zekerheid, vrijheid en fairness dankzij grondig overlegde en aanvaarde aanpassingsmechanismen. Het gaat om collectieve aanpassingsmechanismen - die voor iedereen gelden - om het gemiddelde pensioen op peil te houden. En het gaat om individuele aanpassingsmechanismen, in functie van individuele keuzes die mensen maken over de lengte van hun loopbaan (‘actuariële correcties’, in het technische jargon). Daarnaast moeten verschillen tussen pensioenen van ambtenaren, werknemers en zelfstandigen die je vandaag niet meer kan uitleggen (zoals het feit dat ambtenaren pensioen opbouwen met studiejaren) geleidelijk verdwijnen. Dit alles in de wetenschap dat de werknemerspensioenen laag zijn. Tot daar in een notendop de boodschap in 2014.

Heeft de regering dergelijk sociaal contract op de sporen gezet? Neen. Let wel, de regering heeft maatregelen genomen die op termijn hoogstwaarschijnlijk noodzakelijk zijn. Een voorbeeld is de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd in 2025 en 2030. Wie zich daar halsstarrig tegen verzet, heeft ongelijk. Maar deze beslissing is vooral een aankondiging: het gaat om een verhoging die ingaat indien een regering die aantreedt in 2019 of in 2024 zich niet bedenkt. Het gaat niet om een overlegd, breed aanvaard en diep verankerd mechanisme waarmee het pensioenstelsel geleidelijk en stapsgewijze aangepast wordt aan toekomstige demografische evoluties. Er staat dus een maatregel (waar ik niet meer aan zou tornen, als men mijn mening vraagt), maar er staat geen hervorming. Een ander en gevoelig voorbeeld is de pensioenbonificatie voor het diploma van ambtenaren: de regering laat die verdwijnen, logisch. Minder logisch is dat dit collectieve bonificatiestelsel vervangen wordt door een individuele optie om studiejaren te regulariseren, een aanpak waartegen zowel werkgevers- als werknemersorganisaties zich verzetten. Als je draagvlak wenst, dan houd je best rekening met zo’n gemeenschappelijk negatief advies.

Geheel onlogisch was de afschaffing van de pensioenbonus voor wie langer werkt. Men had dit mechanisme moeten versterken. De regering besliste vervolgens wel om een ‘sociale pensioenbonus’ in te voeren: een verhoging van het minimumpensioen voor wie een loopbaan van 45 jaar heeft. Deze maatregel corrigeert het afschaffen van de pensioenbonus enigszins voor mensen met zeer lage verdiensten, maar spoort dan weer niet met de hervorming van de minimumpensioenen zoals bepleit door de experten. Het was niet toevallig dat de commissie een super-eenvoudige minimumregeling voorstelde, met een minimum dat zonder enige uitzondering recht evenredig is met de lengte van de loopbaan. Met de ‘sociale pensioenbonus’ verwijdert de regering zich van dat eenvoudige principe, eerder dan het dichterbij te brengen. Het punt is niet dat de regering de commissie niet volgt; het rapport van 2014 is geen bijbel. Het punt is dat onduidelijk blijft waar de regering naar toe wil. De aankondiging dat een individueel aanvullend pensioen gecreëerd wordt in de tweede pijler heeft de duidelijkheid niet vergroot: een veilige pensioenvoorziening veronderstelt collectieve risicodeling, geen individuele contracten.

Het beeld bij de jaarwende is niet bemoedigend en ik kan niet anders dan kritisch zijn voor het beleid: een moeilijke relatie met de sociale partners waarbij het vertrouwen zoek lijkt; geen duidelijke oriëntering op een nieuwe en samenhangende architectuur; een terugkerend pleidooi voor meer ‘individualisering’ in de betekenis van ‘individuele contracten’, maar geen perspectief op een coherent stelsel dat mensen qua pensioenleeftijd ruime individuele vrijheid biedt binnen een collectief contract.

Dat brengt me terug bij het uitgangspunt en bij de sociale partners. Een robuust pensioenstelsel is een collectief goed dat zowel zekerheid als vrijheden creëert. Het veronderstelt een ‘nationale bewaking’ op basis van collectief eigenaarschap. Hier ligt een rol voor vakbonden en werkgevers: zij zijn vanouds de bewakers van dergelijke maatschappelijke contracten; in het verleden vochten ze er zelfs voor om daarvan de collectieve eigenaars te zijn. Onderlinge verdeeldheid overheerst nu vaak. De voorbije maanden is niet alleen veel geschreven over populisme en onzekerheid; er is ook geschreven over de nood aan nieuwe perspectieven. Er is twijfel geuit over de slagkracht van de heersende partijpolitiek. Kunnen de vakbewegingen en het bedrijfsleven de handschoen opnemen en samen nadenken over een toekomstig pensioenstelsel? Ik weet het, talloze obstakels staan zo’n overleg in de weg en de gedachte aan een breed gedragen compromis is bijna utopisch. Maar als dit niet meer kan, zijn we dan überhaupt nog in staat om een solidaire en veilige samenleving te organiseren? Bij het einde van 2016 waren er veel beschouwingen over solidariteit en zekerheid. Mij interesseert nu de vraag hoe we een en ander concreet kunnen maken. Een ding is zeker: solidariteit bestaat niet zonder het compromis van een maatschappelijk contract.

Frank Vandenbroucke
Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 25 tot 27